Volgende pagina »

Begint artikel met verwerping van de postmoderne kritiek op verlichtingshistoriografie, dat eigenlijk geen nieuwe inzichten kan bieden, omdat ze niet de bronnen induikt, maar slechts schreeuwt dat het niet politiek correct is – en daarbij terloops vergeet dat er bijvoorbeeld wel degelijk studies zijn gedaan naar vrouwelijke Verlichters.

Maar er mag wel op een dieper theoretisch niveau worden gekeken, vooral naar de vroege Verlichting. Margaret Jacob zag een radicale fase van de Europese Verlichting die veel eerder kwam dan de High Enlightnement van de parijse salons, en dat de Engelse vrijdenkers als Toland en Collins, en in de Republiek uitgevers als Prosper Marchand en vrijmetselaren als Rousset de Missy.

Spinozisme is, zo blijkt uit de literatuur van de 15 jaar ervoor (75-93?), nog belangrijker en centraler dan we allemaal zouden hebben gedacht [11]
noemt Baggerman als studie naar een individu die worstelt met heterodoxie

Verwijst naar Buisman, maar vraagt zich af hoe hij de radicale verlichting verklaart en naar Mijnhardt/Kloek en hun socialere geschiedenis-benadering. Ook de decentrale benadering (door bijv. Middelburg te nemen) geeft veel interessante inzichten.

via Mossners Life (2001) 104

Hume raadt Ramsay in een brief van 26 augustus 1737 aan om een aantal boeken te lezen om hem voor te bereiden op het lezen van de Treatise:

Malebranche – le Recherche de la Verité
Berkeley – Principles of Human Knowledge
some of the more metaphysical Articles of Bailes Dictionary; such as those Zeno, & Spinoza.
Des-Cartes Meditations

Hume was dus goed op de hoogte van Spinoza, maar ook van het belangrijkste werk van Bayle.

Ankersmit over Blom over naturalisme in politieke theorie in BMGN, 1995.

Ankermit: “Op overtuigende wijze verdedigt hij [Blom] de stelling dat de Nederlandse politieke theorie hier een beslissende bijdrage leverde aan de geschiedenis van het politieke denken.”

de Nederlandse politieke filosofie legt de brug tussen het neo-stoicisme van de zestiende eeuw (Machiavelli/Lipsius) en de proto-sociologische politieke filosofie (Schots – Mandeville – Fable of the Bees) anderzijds.

Republiek was een anomalie in de zestiende eeuw, waardoor een uitzonderlijke intellectuele uitdaging ontstond

Cartesianisme en Hobbes’ wijsgerige antropologie werden ingezet en er vormde zich een brug naar een ‘naturalistische’, geseculariseerde politieke theorie die haar basis en fundering uitsluitend had in één of andere omschrijving van de menselijke natuur [1]

Franco Burgersdijk (1590-1635) anticipeerde Humes  ‘reason is … slave of the passions’

Van Velthuysen: halfslachtig om Calvinisten en Remonstranten niet tegen het hoofd te stoten

Pieter de la Court: “interest van Staat” als gids voor de politicus, Machiavellist

Je hebt volgens Blom een ‘idealistische’ politieke theorie  die morele voorschriften biedt (de traditie) en een ‘realistische’ politieke theorie die menselijke passies en menselijke natuur als een gegeven aanvaardt (naturalistisch program)

Maar ook de naturalisten komen in zekere zin tot een ethiek, iets waar Machiavelli (had Isaiah Berlin laten zien) juist geen heil in zag. ’t was niet kiezen tussen altruïsme of egoïsme om tot die politieke ethiek te komen, maar die ethiek zelf was niet in verband te brengen met de politiek.

Dus kwamen Burgersdijk en Van Velthuysen er niet uit: zij probeerden toch een soort ethiek te maken. Pas Spinoza slaagde erin te bewijzen dat je, als je een stukje van je rechten opgeeft, je die terugkrijgt PLUS een aandeel van die macht van het collectief. Hiermee wordt Machiavelli’s stelling dat privésfeer en collectief niet met elkaar correleren verworpen.

Spinoza en Willem van der Meulen worden aangevoerd als ontwikkelaars van dit onmisbare naturalisme

Kossman schreef in 1960 Politieke theorie in het zeventiende-eeuwse Nederland

1.4.5 Hume bestrijdt Spinoza.

This gives me an occasion to take anew into consideration the question concerning the substance of the soul; and though I have condemned that question as utterly unintelligible, yet I cannot forbear proposing some further reflections concerning it. I assert that the doctrine of the immateriality, simplicity, and indivisibility of a thinking substance is a true atheism, and will serve to justify all those sentiments for which Spinoza is so universally infamous. From this topic I hope at least to reap one advantage, that my adversaries will not have any pretext to render the present doctrine odious by their declamations when they see that they can be so easily retorted on them.

In een behandeling van eerst klassieke sceptici en daarna moderne filosofen gaat Hume in tegen Spinoza n.a.v. diens overtuiging dat er een alomtegenwoordige Substantie is: pantheisme.  Over de connectie tussen Hume en Spinoza is gepubliceerd door Wim Klever,  Annette C. Baier, Frank J. Leavitt en Vance Maxwell.

Google-hitlist:

Galileo 23.7m

Einstein: 57.1m

Newton 86.1m 3.6m

————————————————–

Marx: 38.6m 8.4m

Plato: 27.9m

Voltaire: 17.7m

Freud: 22.0m 5.5m

Nietzsche: 16.0m 4.0m

Locke: 18.3m 2.9m

Kant: 32.4m 2.8m

Rousseau: 15.0m 2.3m

Aristoteles: ca. 15m

Hume: 14.2m 1.6m

Jung: 1.4m

Socrates: 12.1m

Descartes: 10.2m

Hobbes: 8.6m

Popper: 8.5m

Sartre: 7.1m

Hegel: 6.9m

Wittgenstein: 6.7m

Foucault: 6.6m

Machiavelli: 5.1m

Thomas v. Aquino: ca. 4.8m

Heidegger: 4.9m

Leibniz: 4.7m

Confucius: 4.6m

Schopenhauer: 4.5m

Spinoza: 4.2m

Kierkegaard: 3.7m

Derrida: 3.6m

Montesquieu: 3.5m

————————————-

Tolkien: 18.6m

————————————-

Luther: 51.8m

Augustine: 24.8m

Aantallen nieuwe boeken (aldus PiCarta) over Hume, gesorteerd per jaar:

2003 – 9
2004 – 4
2005 – 10
2006 – 15
2007 – 14
2008 – 7

Volgende pagina »