17 jan, 2011
Het verhevene (via Madelein)
Geplaatst door Willem in de categorie: Bronnen, LiteratuurReacties (0)
http://permalink.opc.uva.nl/item/000519283
Blair en vertaler Bosscha?
17 jan, 2011
http://permalink.opc.uva.nl/item/000519283
Blair en vertaler Bosscha?
15 jan, 2011
over Smithof:
http://books.google.com/books?id=KbDgAAAAMAAJ
over natura et arte:
http://www.dbnl.org/tekst/_lit003200201_01/_lit003200201_01_0020.php
Simon Vuyk. 113: NED LET “17/18” 09 VUY over remonstranten in tijdschriften
Jan Storm van Leeuwen – OTM: HB-Zaal ZKW: 14-164 over geïllustreerd boekbinden
27 jul, 2010
1 gulden = 20 stuivers
1 stuiver = 16 penningen (toch?)
21 jul, 2010
126n:
Perrenot citeert “met instemming vaak Formey, Jarriges, Merian, Sulzer, Lock, Hume, en dgl. – in het stolpiaansch legaat (verzameld in 1766) maar uitgegeven in 1764 op de vraa “Welke zijn de eigenschappen, dewelke uit het bestaan van een noodzaaklijk wezen noodzaaklijk voortvloeien?”
253. Hume aanbevelend in de ‘Animadversiones’ in zijn uitgave van Porphyrius’ De antro Nympharum
265: en op 29 september 1766 gehouden oratie De incrementis, quae humaniores literae, HISTORIAE inprimis et LINGAUE GRAECAE stuidum, seculo hoc decimo octavo ceperunt.
Wille [pagina 264]: “Een merkwaardige redevoering. Een overzicht gevend van resultaten richtingen van historische wetenschap en klassieke philologie van dien tijd, dat voor ons nog als in hoofdzaken juist kan gelden. Met een soms onvoorzichtige vrijmoedigheid in het aanprijzen van het nieuwe, en een optimistische vreugde aan de cultuur van het heden en de toekomst. Het alles voorgedragen met de beslistheid van een veteraan der wetenschap. Lofverzen, als bij Tydeman, had hij niet noodig; hij sprak voor zich zelf.”
En dan over waar hij Hume noemt:
“Hume, reeds bekend door zijn wijsgeerige werken, nu onserfelijk beroemd door de geschiedenis van zijn vaderland: klassiek auteur voor de Britten, herschepper hunner taal.” -> maar het lijkt erop dat er wel wat meer staat dan dat:
“maiorem sibi telam detexendam sumpsit Humius, qui postquam variis iam disputationibus maxime philosophicis, orbi erudto innotuerat, consilium cepit patris res posteritatis memoriae tradere. Egregium profecto institutum, unde tot magni viri inmortalem nominis famam sibi pepererunt! Et cuius memoria gratior debet esse posteris, quam eius qui tam isigni beneficio patriam sibi obstrinxit? Feliciter peritissimo viro praeclarum cessit consilium, nec minus Britannia se iactat Humio, quam Roma Livio aut Gallia Thuano. Ac quemadmodum primus forte inter Romanos Livius veram orationis historicae subtilitatem adsecutus est, ita Humium Britanni non solum elegantissimum reum suarum praeconem, sed & instauratorem patrii sermonis & scriptorem velut classicum mirantur.
Post Humium quem rectius commendemus, quam historicum nostrum, Wagenarium?”
In het deel over Van Goens als Hoogleeraar, beginnend met zijn godsdienst- wereld- en levensbeschouwing blijkt de oorspronkelijk orthodoxe Van Goens de verkeerde vrienden te zoeken [blz273] komt Hume, samen met Voltaire en Rousseau gelijk als ‘bedenkelijk gezelschap’ uit de bus, waar Van Goens zowel in het bovengenoemde Porphyrius als zijn Observationes ‘contact mee zocht’.
Maar, tot vreugd’ van Wille waarschijnlijk, lezen we op bladzijde 313 dat het zo’n vaart niet liep: “De Wijsgeerige consequenties van Hume vonden ten slotte bij Van oens toch geen instemming. Juist de reactie daartegen in de zoogenaamde Schotsche School van Reid, Beattie, Oswald, was meer naar zijn smaak: de philosophie van den “Common Sense“, nauw verwant met ethische en aesthetische principes als die van Lord Kames. Een leerling van Van Goens wordt door hem geholpen in het vertalen van Beatties Essay on the nature and immutability of truth in opposition to sophistry and scepticism [313]
Ook de Bibliothèque des Sciences “gaf in 1767 reeds een uitvoerig uittreksel uit Reid’s Inquiry into the human mind on the principles of common sense
Komt vanaf bladzijde 327 over De Pinto te spreken: “Deïst en groot bewonderaar van Voltaire nam De Pinto ook deel aan de godsdienstig-wijsgeerige en ethische vragen van zijn tijd. in verschillende talen las men zijn Opstel over de Weelde, zijn Brief (aan Diderot) over het Kaartspel; in 1774 verscheen zijn Precies des Arguments contre les Matérialistes
Niet alleen de Pinto, maar ook wolff en deken, en Hennert zijn binnen de kring tegen het materialisme [blz 327], tegen het deïsme is men (noemt perponcher, schultens, hennert, wolff, petsch, perrenot, goodricke, van goens, hesterhuis, de pinto, ten hove) ook wel, maar de één veel minder sterk en minder gemoedigd dan de ander”.
blz 331:
Schrijft dat Medenbach Wakker aan Tydeman schrijft “over zekeren K. die zich betert en niet zoo kwaad is als zijn naam; over M….. een goed vriend, bij wien de zeden geen gevaar lopen, [en] vervolgt “de Religie vind ik niet, dat vriendschap breken moet; met een Deïst egter zou ik geen vriendschap kunnen oefenen” Deïsten, dat waren zulken als Bolingbroke, Toland, Hume, Diderot, Voltaire, die alle godsdienstig gevoel schenen te missen, en van alle godsdienstige traditie zich hadden losgemaakt. Geheel ongelijk hadden zij wel niet, maar zij maakten het veel en veel te erg.”
Wille gaat verder met het analyseren voor de ontvangst van deïstische ideeën, vertellend dat er maar weinig naar het nederlands werd vertaald, veel meer naar het Frans (329n)
331n Nuys Klinkenbergs De Christen was een anti-deïstisch tijdschrift.
:
vooral de aandacht voor voltaire krijgt hier veel ruimte, maar ook Hume:
332 – over de vertalingen in de Philanthrope, en de wijze waarop de vertaaler stukken voor “de Landaard” geschikt had gemaakt, te merken aan zijn vertaling van Micromegas -> in Wille’s analyse betekent dit “dat de man allen geest doofde, en elke pointe afbrak, om het zijn lezers egrijpelijker te maken en hn mogelijke ergernissen te besparen;
333 – Wolffs Willem Leevend-verwijzing en de opmerking dat voltaire een geniaal dichter en boeiend (hoewel niet betrouwbaar) historicus was, maar hij was een verderfelijk philosoof en verachtelijk mens, steeds sterker (Ghijsen schrijft over haar, 109, 223)
Mennoniet P. Loosjes vertaalde twee werken tegen Voltaire uit het Engelsch. Van Mickles Voltaire onder de schimmen en Findlays Verdediging der Heilige schriften.
344/345 over ene Bachmann die hem vanuit Maagdenburg op 5 april 1767 bericht dat men daar het volgende dacht over het conflict Hume-Rousseau: “beiden hebben ongelijk, maar den ouden, eenzamen, vervolgden, bijna [blz 345] misanthropen J. J. verontschuldigt men, niet echter den man van de wereld H., die zijn ouden vriend zoo ombarmartige neertrapt, ”
Ook ene Chotek schrijft over Rousseau na een bezoek 17-870
Dan op bladzijde 407n een geniale beschrijving van Boswell, (met onder andere de opmerking dat hij Hume Voltaire en Rousseau volgt, maar als het gaat om godsdienst zich veilig afzijdig houdt) eindigend met “Verkwister van tijd, geld gezondheid, aanleg; speler, drinker, hoereerder; huichelaar, weekeling zot. Met een uithangbord van wereldverbeteraar, wijsgeer, zedemeester. Een weerzinwekkend personage. ”
en dan op bladzijde 464 opnieuw een verwijzing naar Bachmann over die twist.
DEEL TWEE:
blz144:
Over Marten Schagen, mennonitisch uitgever.
“Maarten Schagen begint in 1732 zijn Vermakelijkheden. Voor de samenstelling zegt hij voornamelijk te raadplegen: Bibliothèque brittanique, Bibliothèque germanique en haar vervolg. Bibliothèque raisonnée, Journal des Savants, Journal littéraire 1713-1737; the Gentlemans Magazine, the State of letters en het vervolg the Works of the Learned; (van de la Croze), de Acta Eruditorum Lipsieusium; de Boekzaal en de Rep der Gel. “Behalve wetenschappelijke verhandelingen en uittreksels uit het Frans, Engels en Duits, geeft hij ook maandelijks een overzicht der belangrijkste nieuwe werken in die talen verschenen. ”
146: noemt Hume als voorbeeld van verbreding van het spectrum aan recensies bij de Boekzaal.
150: inleiding van de twee deel van de Nb over ’t hoofd gezien? nope, is recensie van Truth
“maar dat “de groote Leibnitz”er met Spinoza Hobbes een Hume gelijkgesteld wordt; hindert dat “een rousseau al mede onder de Zedelijke Schrijves (…) wordt opgesteld, uit welke men wijsheid kan leeren, die het lhart doet opspringen van vreugde”, ergert de recensent.
168:
laatste deel van Rhapsodist heeft een levensbeschrijving van Rousseau, waar het ook over de ruzie met Hume gaat. (rhapsodist is vluchtig ingekeken, maar niet alle delen)
218: hume wordt weliswaar aangehaald, en pope, maar niet de de engelse taal maar de duitse
letterkunde is vol met belofte. aldus van Goens ‘Sans Fard’ – > verwijzing naar bedenkingen. Zelfde interessante stuk over ‘studie van het hart en van het vernuft’ genoemd.
vanaf 293 hele stuk over Van Goens’ Mendelszoon-vertaling.
392: van alphen met van goens mee “het is telkens of men Van Goens leest”
18 apr, 2010
via Het heftig flakkeren der theelichtjes | NRC Boeken.
Het heftig flakkeren der theelichtjes
In de 17de eeuw kende Holland vrijdenkers van alle rangen en standen
Vrijdag 6 augustus 2004 door Roelof van Gelder
Hoezo alleen dominees en kooplieden? Nederland herbergde in eerdere eeuwen honderden nieuwsgierige filosofen. Een peperdure nieuwe encyclopedie presenteert de vaderlandse vrijdenkers die nadachten over de wereld, de Openbaring, het staatsbestel, de planeten en de structuur van het menselijk bloed.
Wiep van Bunge, Henri Krop e.a.: The Dictionary of Seventeenth and Eighteenth-Century Dutch Philosophers. Twee delen. Thoemmes Press, 1.116 blz. blz. €572,25Michiel Wielema: The March of the Libertines. Spinozists and the Dutch Reformed Church (1660-750) Verloren, 221 blz. €22,†“
Aan het slot van zijn Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw maakte Johan Huizinga de balans op. ʻAls ons bloeitijdperk een naam moet hebben', merkte hij op, ʻlaat het dan zijn naar hout en staal, pik en teer, verf en inkt, durf en vroomheid, geest en fantasie'. Het waren de doeners, de bouwers, de ondernemers, die die eeuw geschapen hadden, vandaar die praktische naar havens en pakhuizen riekende kwalificaties.
Wie de tweedelige Dictionary of Dutch Philosophers of the seventeenth and eighteenth century in de hand neemt staat dan ook raar te kijken. Hier lijkt Huizinga's typering geheel omgedraaid. Hier staan op 1.100 bladzijden niet de doeners, maar de denkers op het podium: 365 in totaal. Niets koopmanschap en scheepsbouw, hier worden mannen (en enkele vrouwen) gepresenteerd die zich gebogen hebben over de mens en zijn plaats op aarde, over de werkzaamheden van God, over religieuze tolerantie, ethiek en staatsrecht, dromend over geëmancipeerde samenlevingen, maar ook †“ en daar komen de praktische ogen en handen toch om de hoek kijken †“, over de bloedsomloop, de zwaartekracht en de banen der planeten. Het soort mensen aan wie Jonathan Israel in 2001 zijn Radical Enlightenment heeft gewijd. Daarin laat hij de Verlichting al in de zeventiende eeuw beginnen en wel bij de denkers die leefden en publiceerden op Nederlands grondgebied (zie Boeken, 23-02-2001). De moderne filosofie, zo stelt het voorwoord van de Dictionary niet ten onrechte, is hier geboren. Descartes publiceerde zijn Discours de la Méthode in 1637 in Leiden, Spinoza's Opera posthuma verscheen in 1677 in Amsterdam.
De mensen die zijn samengebracht in deze prachtige, nuttige, maar ook zeer prijzige encyclopedie †“ een initiatief van filosofen en historici verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam †“ waren zelden beroepsfilosoof. Ook waren het lang niet allemaal academici. Er zijn veel theologen en predikanten vertegenwoordigd, maar ook classici. Daarnaast zijn er nogal wat vrije beroepen, als artsen, advocaten, journalisten, gelegenheidsschrijvers, pamflettisten en kleine middenstanders.
Opvallend is hun veelzijdigheid. Er zijn predikanten die zich met sterrenkunde bezighielden, apothekers die insecten ontleedden en kruideniers die bespiegelingen schreven over verdraagzaamheid. Van dat soort nieuwsgierige lieden wemelt het in dit boek. Wie kent de Amsterdamse kousenverkoper Piet Bakker, een voorvechter van de godsdienstvrijheid en auteur van een van de eerste deïstische traktaten in Nederland. Of de spinozist Hadriaan Beverland, samensteller van een erotische encyclopedie? De meesten zijn vergeten; wie leest nog Johannes Epinus Huninga, of Ladislaus Chernac? Aan de andere kant: van velen zijn de namen wel degelijk bekend, omdat ze tot de wijsgerige canon worden gerekend (Descartes, Spinoza, Christiaan Huygens) of omdat ten minste een straat, school of ziekenhuis naar hen is vernoemd (Swammerdam, Van Leeuwenhoek, Boerhaave). Sommigen danken hun faam aan iets heel anders dan filosofie. De arts Cornelis Bontekoe schreef een bekend traktaat over de heilzame werking van thee, maar blijkt ook over emoties en ethiek te hebben gepubliceerd. Hiëronymus van Alphen deed meer dan kinderversjes schrijven: hij was ook een vruchtbaar auteur op het gebied van de esthetica.
Maar hoe Nederlands waren ze eigenlijk? Want niet alleen het woord ʻfilosoof’ wordt hier ruim opgevat (eigenlijk zijn het ʻradicale’ of ʻvernieuwende’ denkers), ook het ʻDutch’ moet je ruim zien. Veel van die 365 mannen en vrouwen waren niet afkomstig uit Nederland, maar hebben hier gewoond en gepubliceerd. Er zijn opvallend veel Fransen bij, vaak op de vlucht voor religieuze maatregelen van de overheid. De sceptische hoogleraar, journalist, criticus en encyclopedist Pierre Bayle (1647-1706) is de bekendste. René Descartes was hen al voorgegaan. Ook de Duitsers zijn goed vertegenwoordigd. De Dertigjarige Oorlog en de aantrekkingskracht van de Nederlandse universiteiten hebben hen hierheen gehaald. Van de Engelsen is John Locke de bekendste, Linnaeus kwam uit Zweden, Daniel Fahrenheit uit Polen. Ook doordat de samenstellers lemmata opgenomen hebben met de belangrijkste uitgevers en met intellectuele tijdschriften, waarvan Bayles Nouvelles de la République des Lettres het meest invloedrijke is geweest, wordt nog eens duidelijk wat een groot intellectueel netwerk over Europa gespannen lag.
Waarover dachten zij zoal? Voor een groot deel waren hun kwesties van religieuze aard, maar ook de politieke denkers hebben hun plaats gekregen, Hugo de Groot voorop. We lezen over utopisten als de zeventiende-eeuwse Zeeuw Pieter Plockhoy, stichter van een democratische kolonie aan de Delaware, over Jacques Basnages die een pleidooi hield voor gelijkberechtiging van de joden, en over de laat achttiende-eeuwse Delftse plateelbakker, Gerrit Paape, die een utopie van 1998 schreef, De Bataafsche Republiek (heruitgegeven in 1998), waarin alle mensen gelijk waren en de vrouw volledig was geëmancipeerd.
Men nam in het algemeen afstand van het aristotelische denken dat lang de Europese wetenschap had beheerst, met haar geordende kosmologie vol streven naar doelmatigheid, en verruilde dat onder invloed van Copernicus, Descartes en systematische observaties door een modernere, meer materialistische kijk op de wereld, zowel in het klein (door de microscopisten) als in het groot (de systematische waarneming van de hemellichamen). We zien hoe de wiskunde, de optica, de mechanica zich ontwikkelen. We lezen over de populariteit in Nederland van de fysico-theologie (de leer die de natuurwetten en de veelvormigheid van de natuur als bewijs opvatte van de grootsheid van de schepper) tot en met de introductie van het denken van Kant door de Amsterdamse advocaat Johannes Kinker. Ook de achttiende-eeuwse esthetica is goed bedeeld.
Het geloof nam in de wijsgerige debatten een grote plaats in, zowel binnen als buiten de gereformeerde kerk. Voor een groot deel ging het over de juiste interpretatie van de Schrift, over de geloofsregels, over predestinatie en het kwaad in de wereld. Een minderheid krabde aan de fundamenten van het geloof. Dat waren de werkelijk radicale denkers, zoals Jonathan Israel ze beschreef.
Aan hen en hun verhouding tot de gereformeerde kerk is de recente studie The March of the Libertines van Michiel Wielema gewijd, een van de samenstellers van de Dictionary. Hij gaat in op denkers die binnen de kerk hun twijfel over de openbaring uitten, kritiek hadden op de bijbelvertaling en vraagtekens stelden bij de Heidelberger catechismus. Wie binnen de kerk bleef kon door zijn kritische denkbeelden disciplinair worden gestraft. Maar de gewetensvrijheid liet een ieder vrij buiten de kerk te leven.
Toch zal ook daar niemand de meest radicale stap hebben genomen en zich openlijk tot atheïst hebben verklaard. Dat was te gevaarlijk. Het waren namelijk niet de grenzen van het denkbare waar ze tegenop liepen, maar de grenzen van het publiceerbare †“ zelfs in het tolerante Nederland. Het was in de eerste plaats de kerk, niet de overheid die ingreep. Adriaen Koerbagh, een man uit de kring van Spinoza, publiceerde tegen bijgeloof en openbaring, trok de autoriteit van de kerk in twijfel en analyseerde het irrationele van het geloof. Repercussies konden niet uitblijven. Zijn boeken werden geconfisqueerd en vernietigd, hijzelf werd gearresteerd, kreeg tien jaar tuchthuis en een hoge geldboete. Binnen een jaar stierf hij in de gevangenis.
Jonathan Israels Radical Enlightenment, de Dictionary en Wielema’s boek maken door nieuw onderzoek duidelijk wat een merkwaardige bijenkorf van moderne ideeën de Republiek is geweest. Omdat de radicale denkers omzichtig te werk moesten gaan is het bronnenmateriaal schaars. Vele dwarse ideeën zijn nooit opgeschreven. En wat er aan handschriften en drukwerk over is, is eveneens schaars en wordt nu pas herontdekt. Daarom is deze originele kant van de Nederlandse cultuur zo lang onzichtbaar gebleven. Ook voor Huizinga.