VII

325: Marmontel

329 verschil verstand wijsheid wetenschap

337: menselijkheid en mensheid

343 Stuk uit Bancoft’s Natuurlijke Historie van Guiana, te vinden op google:
http://books.google.nl/books?id=-8gaAAAAYAAJ
en aan het eind wordt gezegd:
“Hier in [in het claimen dat het geluk zonder vrije kunsten van de Volkeren buiten Europa moest betekenen dat het voor de beschaafde wereld ook beter zou zijn om zonder k&w verder te gaan] hebben zy echter grof gedwaald; naardien deeze dingen, welken in den staat der Natuur nutteloos zyn, zeer heilzaam kunnen zyn, in eene beschaafde Samenleving; om dat Kunsten en Wetenschappen het zekerste tegengif zyn, tegen de kwalijke uitwerksels der Weelde en de zogenaamde Politesse” [240]

Stukje 346 en 347 is een vertaling van een verhandeling van Adam Ferguson:
Adam Ferguson, An Essay on the History of Civil Society, 5th ed. (London: T. Cadell, 1782). Chapter: SECTION I.: Of the question relating to the State of Nature.

Accessed from http://oll.libertyfund.org/title/1428/19704 on 2009-03-11

352: nog een stukje van Bancoft over de huiselijke vrede

354: ene Paoli die in de Republiek de vrijheid heeft gezocht?

364 en 365 over de vrijheid van de drukpers en de beste manier het ongeloof uit te rooien

Pagina's: 1 2 3 4 5 6

W.R.E. Velema: Republican readings of Montesquieu verscheen in 1997 in History of Political Thought, en kwam in 2007 in de bundel Republicans terecht.

– Van de originele versie verscheen een recensie in de Maandelyke Uittreksels, of Boekzaal der Geleerde Waerelt, 69 (1749) 568-588 and 70 (1750) [94]

Waanzinnig interessante bron, vanwege de enorm lange looptijd, vanwege het gespecialiseerde ‘geleerde’ karakter – goede tegenhanger van de VLO dus!

– Gobbers heeft geschreven over het boekenbezit, heeft daarbij niet alleen naar Rousseau gekeken.

–

– De vertaling van Esprit des Lois verscheen tussen 1771 en 1773. Wie het heeft vertaald, is niet bekend.

– “Although it was a declining habit, eighteenth-century writers still attached great importance to indiscriminately citing as many widely recognized authorities as pssible for any given opinion. In the Dutch Republic, as elsewhere, Montesquieu clearly belonged to the top of hieracherchy of Great Minds to be invoked.” [96]

– de adoratie van Montesquieu ging soms zo ver dat de mildste kritiek vooraf werd gegaan door een excuus.

– probleem zit behalve in deze ‘veneration’ en namedropping ook in de breedte van het werk.

– werd als encyclopedie gebruikt in Dld.

– Naast het gegeven dat de lezer altijd zijn eigen betekenis creëert van een boek, bood de EdL zoveel “ambivalence and interpretative openness” dat iedereen er wel iets van kon maken. [97]

Zo kon de Romeinse recht zowel worden bestreden of verdedigd met behulp van het boek.
Velema betoogt dat de ‘apparent anarchy of individual interpretation’ niet betekent dat receptiegeschiedenis niet mogelijk zou zijn. Er zijn wel degelijk patronen te ontdekken wanneer wordt gekeken naar ‘de preoccupaties van de politieke cultuur waarin de receptie plaatsvindt’ – Fransen keken naar z’n behandeling van de monarchie, de Nederlanders keken naar zijn interpretatie van republicanisme. [98]

Montesquieu kwam met een alternatief voor het klassieke rijtje van de drie mogelijke staatsvormen: democratie, monarchie, aristocratie.

Hume schrijft in ONC nog: “the English Government is a Mixture of Monarchy, Aristocracy and Democracy” een drieslag die hij in de Essays in ieder geval nog één keer maakt en in de HoE nog een keer. Niet heel vaak, maar misschien wilde Hume de lezers die ook bekend waren met deze klassieke drie voorbeelden plezieren

Met name Montesquieu’s behandeling van republicanisme was ambigu, mede doordat zijn eigen nieuwe drietaks-systeem soms werd ‘overschaduwd’ door het simpeler onderscheid tussen despotisme en gematigde regering.
– Toch werd het stelsel min of meer klakkeloos overgenomen door Cornelis van Engelen (Brieven over de Weelde, I, ix) [100n] en Ysbrand van Hamelsveld (De zedelyke Toestand, 61-66)

Over de Weelde, controleren op noemen van Hume heeft waarschijnlijk wel zin, omdat het uit 1791 komt. Bovendien kende Corneli(u)s van Engelen Hume in elk geval van zijn Historie van Engeland, getuige de verwijzing (op bladzijde 61) daarnaar in zijn ʻEene wysgeerige verhandeling over den schouwburg in ’t algemeenʼ. (1775), die al uit 1775 stamt.

– Luzac verwierp de drievoudige scheiding van regeringstypes, mede omdat Montesquieu in zijn ogen verderop in het boek een nuttiger onderscheid had ontworpen: dat tussen ‘arbitrary and limited government’ [101], deed dit in de jaren ’50 om zijn punt te maken in zijn dispuut met de staatsgezinden als Jan Wagenaar. Over dit dispuut schrijven Geyl en Leeb. Een republiek was volgens Luzac niet per sé een land zonder monarch of een land waar politieke deugdzaamheid het grootste goed was, maar werd gekenmerkt door de aanwezigheid van ‘a limited and balanced government guaranteeing the freedom of the individual inhabitants’ [102]

– Een andere, zij het mildere, criticus was F.W. Pestel in zijn Fundamenta Iurisprudentiae Naturalis uit 1772, dat ook in het Nederlands verscheen: De Gronden der Natuurlijke Rechtsgeleerdheid, II, 211-212.

uitzoeken hoeveel Hume heeft geschreven over natuurrecht om te kijken of dit soort studies mogelijk interessant zijn om te doorzoeken

– Dirk Hoola van Nooten vertaalde EdL naar De Geest der Wetten, door den Heere Baron de Montesquieu. Uit het Fransch vertaald door Mr. Dirk Hoola van Nooten, etc. Met Wijsgeerige en Staatkundige Aanmerkingen, zo van eenen Onbekenden, als van den Vertaaler (4 vols. and an index, Amsterdam, 1783-7). In dat commentaar schreef hij dat die deugdzaamheid waar Montesquieu de nadruk op legt bij republieken, noodzakelijk is voor alle soorten regeringsvormen.

– “meeste Nederlandse lezers waren verbaasd dat Montesquieu soms de antieke republieken leek te prefereren boven de moderne.
–

Een verzameling essays met als thema de verschillende verschijningsvormen van republicanisme in de Republiek.

  1. Inleiding: allemaal republikein!
  2. Pre-revolutionair Frankrijk als niet-zo-lichtend voorbeeld, Pruisen deed het beter
  3. De vergelijking met klassieke republieken
  4. De vergelijking met eigentijdse republieken
  5. Buitenlanders observeren
  6. Over de recente historiografie en evt. bruikbare bronnen

Inleiding: allemaal republikein!
In het eerste deel van de inleiding gaat Velema in op het feit dat zowel conservatieve als progressieve ingezetenen van de Republiek uit de late achttiende eeuw blij waren dat ze geen koning hadden. Zelfs stadhouder Adriaan Kluit was liever de ‘rijkste inwoner en stadhouder’ van de eerste Republiek van Europa dan ‘de armste regent en soeverein van één van de kleinste koninkrijken’. [1]
Ook hun voorgangers, de Orangisten en staatsgezinden hadden een overeenkomst gehad: beiden probeerden de ‘essentiële eigenschappen van de vrije republiek’ onder woorden te brengen. Volgens Velema was dit zelfs “the only common feature of all the various political languages spoken by the Dutch during the eighteenth century”.[2]

Pagina's: 1 2 3 4 5 6

Jammer genoeg heb ik deze week niet zoveel gedaan als ik hoopte, maar ik heb toch een aantal kleine vondsten gedaan en ingegevingen gekregen die me hoop geven op meer structuur.

Nieuw vergelijkbaar en bruikbaar receptionderzoek
Lange tijd had ik als vergelijkbaar receptie-onderzoek alleen literatuur over Hume-receptie in andere delen van de wereld. Meerdere stukken over de receptie van Hume in Duitsland en Frankrijk, een monografie over de mogelijke invloed van Humes werk op de Amerikaanse revolutie, en dan nog alle bijdragen in Peter Jones’ bundel The reception of David Hume in Europe – waar zo ongeveer alle landen worden behandeld, behalve de Republiek.
Er kleefde echter ook een probleem aan deze studies uit andere landen over andere landen. Enerzijds is een aantal basisvragen ten aanzien van dit soort onderzoek wel bruikbaar voor mijn onderzoeksopzet: welke bronnen worden er gebruikt, op welke werken van Hume ligt de nadruk, welke periode wordt bekeken, en hoeveel aandacht is er voor de boekhistorische kant van het verhaal? Anderzijds kun je je echter afvragen of de markten niet té veel van elkaar verschillen om ook de resultaten aan elkaar te spiegelen.
Het is daarom misschien wel interessanter om te weten hoe de andere Verlichte denkers het deden in Holland in deze periode. In één van mijn opzetten voor mijn onderzoeksvoorstel had ik al eens geschreven dat dat van de Grote (Franse) Drie – Voltaire, Rousseau en Montesquieu – al onderzocht was, maar de literatuur had ik nog nooit gezien. Daarom was ik erg blij toen ik in José de Kruif een verwijzing vond naar een boek van Gobbers over Rousseau in Holland. In de bundel essays van mijnheer Velema vond ik bovendien een heel essay over de receptie van Montesquieus Esprit des Lois in de Republiek, met daarbij de opmerking dat eerder onderzoek naar de receptie van Montesquieus werk ‘unsatisfactory’ was geweest.

  1. Voltaire: De bijdrage van Joris van Eijnatten in Jan Pieter van der Sterres Voltaire en de Republiek. Teksten van Voltaire over Holland en Hollanders (Amsterdam 2006)
  2. Rousseau: W. Gobbers, Jean Jacques Rousseau in Holland. Een onderzoek naar de mens en het werk (ca 1760-ca 60-ca 1810) (Gent 1963).
  3. Montesquieu: Wyger R. E. Velema, “Republican readings of Montesquieu: the Esprit des Lois in the Dutch Republic”, in: idem, Republicans (2007)

Nog mooier zou het zijn als er nu ergens ook nog studies opduiken waarin de ontvangst van andere Engelse of zelfs Schotse denkers centraal staat.
Als deze er nog niet zijn, zou de Anglofilie van de Nederlandse letterliefhebber wel eens mogen worden onderzocht. In de Algemeene Spectator vond ik geen spoor van Hume – daarvoor was het blijkbaar echt nog te vroeg – maar wel een flink aantal artikelen dat met een Engels motto werd ingeleid, waarbij Pope de absolute favoriet lijkt te zijn.

Spectators
Vijf spectatoriale tijdschriften heb ik nu doorzocht, waarvan twee nog niet helemaal; dat alles kostte me bij elkaar ongeveer een volle werkdag. Op volgorde van verschijnen:

De Algemeene Spectator (1742-1746, dit is waarschijnlijk echt nog te vroeg)

IMG_4085.jpg

De Philanthrope (Amsterdam 1756-1762)

IMG_4322.jpg

De Hollandsche Wysgeer (1759-1763)

IMG_3694.jpg

De Denker (1763-1774, opvolger van De Philanthrope, nog altijd in Amsterdam)

IMG_4614.jpg

De Philosooph (1766-1769)

IMG_3931.jpg

De tijd die je kwijt bent met een jaargang varieert behoorlijk. Soms zijn de jaargangen uitgebreid met een index voor de belangrijkste trefwoorden en personennamen. Soms blijft het beperkt tot de korte samenvattingen van de stukjes die wekelijks verschenen – meestal op maandag.
Ook in het geval van De Denker, een relatief succesvol blad (wanneer je uitgaat van de lange looptijd van 1763 en 1774), bleef het bij een dergelijke index. Grappig is het om te zien dat precies de politieke onderwerpen – die we makkelijk met de Verlichting in verband brengen – waarover ook Hume heeft geschreven bij de Denker twee keer overgenomen waren uit een Engelse periodiek. Dat gold voor “Over de vrijheid van Denken en Schryven over godsdienstige onderwerpen” en “Over de bitterheid der Kerkelyke Twisten, en de Heeschzugt der Geestelyken. De redenen daarvan naargespoord.”
De enige directe verwijzing naar Hume van de dag vond ik echter niet in één deze stukken, maar in een stukje getiteld: “Het nut der Verkwisting aangetoond, Ontwerp van den DENKER, om het geld onder den man te brengen, en het algemeen belang der Maatschappy edelmoedig te bevorderen”, ook in De Denker. De auteur stelt hierin voor om alles wat Hume en Mandeville over de weelde hadden gepubliceerd gratis ter beschikking te stellen aan alle burgers.
Stom genoeg had ik juist deze verwijzing al eerder gevonden, ontdekte ik later. De Denker is namelijk voor de helft gedigitaliseerd voor de DBNL, en in mijn zoektocht aldaar had ik deze pagina al gevonden en opgeslagen.
Die mus waar ik zo blij mee was, was dus niet dood, ik had ‘em alleen al in mijn verzameling.

Andere inzichten en vooruitzichten:

  1. Voor mijn eigen inzicht is het wel goed om een tijdbalk te maken/tekenen/bouwen waarin alle publicaties van Hume en alle Nederlandse bronnen en waarin ik Hume tegenkom naast elkaar zet. Zo krijg ik waarschijnlijk een beter inzicht in de periodes. In de receptie-bundel van Peter Jones staat al een vergelijkbare tabel; deze zou ik als richtlijn kunnen houden
  2. Om er achter te kunnen komen of een bepaald type boekhandelaar Hume verkocht is het misschien de moeite waard om enkele namen die op de intekenlijst voor de vertaling voor Hume’s History of England staan te checken met de database met (veiling)catalogi die is gemaakt naar aanleiding van het werk van H.W. de Kooker te Leiden.
  3. Hoewel ik weet dat het waarschijnlijk te ver gaat, zou ik graag Mijnhardts Tot heil van ’t menschdom : culturele genootschappen in Nederland, 1750-1815 er nog eens op naslaan om de mogelijkheden te onderzoeken om een klein uitstapje te maken richting de gezelligheid.

Het plan voor de komende week:

  • Mijn eerste verkenning rondom de spectatoren afmaken, en me daarbij zo veel mogelijk laten sturen door de bronnen die zijn gebruikt door Gobbers, Van Eijnatten en Velema. De niet-gedigitaliseerde delen van De Denker komen in elk geval aan de beurt.
  • Bovengenoemde publicatie/bronnen-tijdbalk in elkaar sleutelen.
  • Leeb en Salzberg-Oz bestuderen

Robertson recenseert Velema’s Enlightenment and Conservatism in BMGN (1994/95),
pleitend voor een “holistische” – tja – niet nominatieve kijk op de verlichting.

Luzac is als individu interessant genoeg, maar symboliseert ook de politieke en filosofische opvattingen die afwijken van de mainstream Verlichting – en toont ons zo de werkelijke breedte van die Verlichting.

Hoewel Elie Luzac het niet eens was met het materialisme van De La Mettrie, publiceerde hij toch diens L’Homme Machine – hij had zich als uitgever (en afkomstig uit de kringen van Franse Hugenoten, die van de Republiek het “intellectuele entrepot” hadden gemaakt) voorgenomen de persvrijheid in ere te houden, en uitgaven van L’Homme Machine werden door kerkelijke instanties tegengehouden.

Onder invloed van Jean Barbeyrac geloofden Luzac en Formey dat Christian Wolff de basis had gelegd voor een science des moeurs vanuit het natuurrecht. Luzac interpreteerde Wolffs principe van ‘perfectie’ zodanig dat er een door god bepaalde harmonie zou kunnen zijn op aarde, waarin de Rede de individuele rechten en plichten bepaalde voor de rest van de maatschappij.

Met behulp van Montesquieu’s Esprit des Lois zag Luzac de noodzaak om republicanisme te herdefniëren zodat ze bij deze tijd pasten: dus met vrijheid onder de wet, scheiding der machten, aanpassing van regeringsvormen aan de omstandigheden en de koophandel als vervanging voor veroveringen.

De Franse philosophes konden dan ook op Luzacs kritiek rekenen. Hij maakte zich druk om de Encyclopédie van D’Alembert en Rousseaus Discours, Du Contrat Social en Emile. Hij vond dat zij afweken van de weg van de Rede en zich teveel richtten op ‘sensations’, waarmee ze het natuurrecht en morele orde verwierpen. Rousseaus archaische republicanisme zou bovendien bij implementatie de vrede en vrijheid die de koophandel kende veroordelen.
De fouten werden in Luzacs ogen niet alleen gemaakt in Frankrijk, ook Engeland en Schotland deden ze mee aan het bejubelen van de ‘sentiments’.

Het grootste gevaar was echter het primitieve Rousseau-iaanse republicanisme van de Patriotten in de jaren ’80 – en werd na zelf klappen te hebben ghad hun sterkste en hardnekkigste criticus. Hij viel ze aan door hun ideeën over democratie, representatie en gewapend burgerschap misbruik van taal te noemen, en een ontkenning van de politieke en economische voorwaarden voor een maatschappij van vrije handel.

Luzac bewijst wat Robertson betreft perfect hoe de Verlichting niet kan worden gelijkgeschakeld aan de Franse philosophes.

Robertson is het niet eens met de switch van het nationale verlichtingsdiscours naar een Verlichtingsgeschiedenis die verschillende ‘smaken’; (mijn woorden) Verlichting kent, omdat zowel Moderate als conservative, twee termen die Velema gebruikte om Luzacs Verlichting mee aan te dudien, op verschillende plekken verschillende dingen betekenen. Hume was ook een politieke conservatief, maar anderzijds zo sceptisch dat Luzac hem op veel fronten absoluut niet zou hebben waarderen.

“‘Conservative’ is, if anything, a label still more difficult to apply generally. In many respects, Luzac’s politics resemble those of David Hume: hostile to an archaic republicanism, while not averse to reform that was adapted to the circumstances of commercial society. But Hume was also a sceptic, a critic of reason and natural law in ways that Luzac could only find deeply disturbing.Perhaps it would be better, to avoid such labels (with their implicit tendency to deconstruct the Enlightenment into a proliferation of supposedly distinct ‘Enlightenments’), and to acknowledge instead that fundamental Enlightenment concerns with liberty and secular human betterment could be expressed from many points on the spectrum of moral philosophies and political outlooks current in eighteenth-century Europe.”

[120]

Vernieuwing moest of van de bestaande instituties komen, of van revolutie. De patriotten, die voor optie 2 kozen, werden door Luzac met al zijn intellectuele energie bestreden. Door uit te leggen hoe Luzac, met al zijn moderne Verlichtingsidealen van vrijheid en economische vooruitgang toch tegen die radicale politieke oplossingen streed, heeft Velema een goed boek geschreven, aldus John Robertson.