1. Ankersmit – Blauwdruk van Blauwdrukken (2002)
  2. R. de Schryver – Tussen literatuur en wetenschap (1972)
  3. Chris Lorenz – Het vergeefse zoeken naar zekerheid (1988)
  4. J. G. A. Pocock – Spinoza and Harrington: An Exercise in Comparison (1987)
  5. De Schryver over de nieuwe AGN (1986)
  6. Schwegman – Vrouwengeschiedenis en de ʻgevestigdeʼ geschiedwetenschap. Een ontmoeting (1994)
  7. Velema – Homo mercator in Holland. Elie Luzac en het achttiende-eeuwse debat over de koophandel (1985)

Ankersmit – Blauwdruk van Blauwdrukken

Maar in de loop van de achttiende eeuw brak die eenheid [de eenheid die de rationalisten, maar ook de Griekse Stoa probeerden te zoeken onder de veelheid van dingen] op talloze plaatsen uiteen: het empirisme erkende de veelvormigheid van de werkelijkheid, de achttiende-eeuwse psychologie loste de menselijke identiteit op in een veelheid van ervaringen en gevoelens, David Hume ging zelfs zover om daarom heel die notie van de menselijke identiteit als een illusie te bestempelen, dezelfde Hume schiep met zijn kritiek op het
natuurrecht een onoverbrugbare kloof tussen de menselijke natuur enerzijds en die van de samenleving anderzijds, ‘is’ en ‘ought’, ‘Sein und Sollen’ kwamen nu los van elkaar te staan, de Schotse Verlichting erkende die onderlinge onherleidbaarheid van de menswetenschappen en de sociale wetenschappen, het menselijke handelen en de (sociale) effecten daarvan werden voorgoed uit elkaar gehaald met Adam Fergusons befaamde dictum dat alles wat in de geschiedenis gebeurt wel het resultaat mag zijn
van ‘human action but not of human design’, de geschiedenis verzelfstandigde zich daarmee van de kennis van de mens en, in een laatste beweging, in de aanloop naar de Romantiek viel ook de menselijke natuur uiteen in het conflict tussen rede en gevoel en werd zelfs een eerste stap gezet naar de ontdekking van het onbewuste.

[486]

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7

Robertson recenseert Velema’s Enlightenment and Conservatism in BMGN (1994/95),
pleitend voor een “holistische” – tja – niet nominatieve kijk op de verlichting.

Luzac is als individu interessant genoeg, maar symboliseert ook de politieke en filosofische opvattingen die afwijken van de mainstream Verlichting – en toont ons zo de werkelijke breedte van die Verlichting.

Hoewel Elie Luzac het niet eens was met het materialisme van De La Mettrie, publiceerde hij toch diens L’Homme Machine – hij had zich als uitgever (en afkomstig uit de kringen van Franse Hugenoten, die van de Republiek het “intellectuele entrepot” hadden gemaakt) voorgenomen de persvrijheid in ere te houden, en uitgaven van L’Homme Machine werden door kerkelijke instanties tegengehouden.

Onder invloed van Jean Barbeyrac geloofden Luzac en Formey dat Christian Wolff de basis had gelegd voor een science des moeurs vanuit het natuurrecht. Luzac interpreteerde Wolffs principe van ‘perfectie’ zodanig dat er een door god bepaalde harmonie zou kunnen zijn op aarde, waarin de Rede de individuele rechten en plichten bepaalde voor de rest van de maatschappij.

Met behulp van Montesquieu’s Esprit des Lois zag Luzac de noodzaak om republicanisme te herdefniëren zodat ze bij deze tijd pasten: dus met vrijheid onder de wet, scheiding der machten, aanpassing van regeringsvormen aan de omstandigheden en de koophandel als vervanging voor veroveringen.

De Franse philosophes konden dan ook op Luzacs kritiek rekenen. Hij maakte zich druk om de Encyclopédie van D’Alembert en Rousseaus Discours, Du Contrat Social en Emile. Hij vond dat zij afweken van de weg van de Rede en zich teveel richtten op ‘sensations’, waarmee ze het natuurrecht en morele orde verwierpen. Rousseaus archaische republicanisme zou bovendien bij implementatie de vrede en vrijheid die de koophandel kende veroordelen.
De fouten werden in Luzacs ogen niet alleen gemaakt in Frankrijk, ook Engeland en Schotland deden ze mee aan het bejubelen van de ‘sentiments’.

Het grootste gevaar was echter het primitieve Rousseau-iaanse republicanisme van de Patriotten in de jaren ’80 – en werd na zelf klappen te hebben ghad hun sterkste en hardnekkigste criticus. Hij viel ze aan door hun ideeën over democratie, representatie en gewapend burgerschap misbruik van taal te noemen, en een ontkenning van de politieke en economische voorwaarden voor een maatschappij van vrije handel.

Luzac bewijst wat Robertson betreft perfect hoe de Verlichting niet kan worden gelijkgeschakeld aan de Franse philosophes.

Robertson is het niet eens met de switch van het nationale verlichtingsdiscours naar een Verlichtingsgeschiedenis die verschillende ‘smaken’; (mijn woorden) Verlichting kent, omdat zowel Moderate als conservative, twee termen die Velema gebruikte om Luzacs Verlichting mee aan te dudien, op verschillende plekken verschillende dingen betekenen. Hume was ook een politieke conservatief, maar anderzijds zo sceptisch dat Luzac hem op veel fronten absoluut niet zou hebben waarderen.

“‘Conservative’ is, if anything, a label still more difficult to apply generally. In many respects, Luzac’s politics resemble those of David Hume: hostile to an archaic republicanism, while not averse to reform that was adapted to the circumstances of commercial society. But Hume was also a sceptic, a critic of reason and natural law in ways that Luzac could only find deeply disturbing.Perhaps it would be better, to avoid such labels (with their implicit tendency to deconstruct the Enlightenment into a proliferation of supposedly distinct ‘Enlightenments’), and to acknowledge instead that fundamental Enlightenment concerns with liberty and secular human betterment could be expressed from many points on the spectrum of moral philosophies and political outlooks current in eighteenth-century Europe.”

[120]

Vernieuwing moest of van de bestaande instituties komen, of van revolutie. De patriotten, die voor optie 2 kozen, werden door Luzac met al zijn intellectuele energie bestreden. Door uit te leggen hoe Luzac, met al zijn moderne Verlichtingsidealen van vrijheid en economische vooruitgang toch tegen die radicale politieke oplossingen streed, heeft Velema een goed boek geschreven, aldus John Robertson.