Volgende pagina »

Hume in Holland
Voorstel voor een masterscriptie

Willem Prins
Studentnummer: 0237337
Universiteit van Amsterdam
Opleiding Geschiedenis
Colloquium Master Geschiedenis
Docenten: Dr. J. C. van Zanten en Dr. J. Turpijn
Scriptiebegeleider: Dr. W. R. E. Velema

30 juni 2009
Inhoud

Inhoud 2
Inleiding 3
1: State of the art 8
1.1: Receptiegeschiedenis 8
1.2: Hume-receptie 14
1.3: De Verlichting(en) in Nederland 18
2: Operationalisering 24
2.1: Afbakening 25
2.3: Methodologie I: (re)productie, distributie en consumptie 27
2.4: Methodologie II: receptie 31
3: Voorlopige resultaten 37
3.1: Een werkblog 37
3.2: Een tijdbalk 37
Bijlage: voorlopige literatuurlijst 39
Bijlage: voorlopige bronnenlijst 46

“een van de schranderste koppen in Engeland† 1
Vaderlandsche Letteroefeningen (1764)
†œEen schrijver van dat vernuft, van die geleertheid, eischt alle onze oplettendheid† 2
Willem Anthony Ockerse in zijn ʻOntwerp tot eene algemeene characterkundeʼ (3 delen, 1788-1797)
“na het lezen van Hume zou je jezelf willen ophangen† 3
Frans Hemsterhuis (volgens tenminste één Verlichtingshistoricus de enige achttiende-eeuwse Nederlander die het predikaat ʻfilosoofʼ mag dragen),4 in een brief aan een leerling van hem (1779).

Inleiding
Het heeft ruim tweeënhalve eeuw geduurd, maar eind 2007 lag hij dan eindelijk in de boekhandel: een Nederlandse uitgave van A treatise of human nature van de Schotse denker David Hume (1711-1776). †œHet hoofdwerk van een van de belangrijkste empiristische filosofen uit de geschiedenis†, lezen we op het kaartje dat uitgeverij Boom ter promotie liet drukken.
Een belangrijk boek dus, van een belangrijk filosoof. Dat deze prijzende woorden van de uitgever niet slechts dienen om de verkoop van het boek te stimuleren, zien we wanneer we Humes naam invoeren bij Google of PiCarta: David Hume is zonder twijfel één van de Grote Namen uit de Westerse filosofie. Met de bulk aan academische literatuur die over hem is geschreven, is met gemak een kleine bibliotheek te vullen. En dit alles heeft de Schot te danken aan zijn driedelige Treatise, die voor het eerst verscheen in 1739. Hierin liet Hume zien dat zijn kenmerkende radicale scepticisme hem niet belemmerde †“ hem eerder juist in staat stelde †“ om de voorwaarden vast te leggen voor een positieve en constructieve science of man: een alomvattende menswetenschap.
Als we het kaartje van uitgeverij Boom mogen geloven, was het de hoogste tijd dat het traktaat †œvoor een groter publiek toegankelijk† werd. Met 268 jaar vertraging tussen origineel en vertaling dringt zich echter één simpele vraag op: als het traktaat zo belangrijk is, waarom is het dan nooit eerder vertaald? Uit een korte inventarisatie van de Nederlandse Hume-publicaties blijkt namelijk dat andere werken van Hume wél al in de achttiende eeuw in het Nederlands verkrijgbaar waren. De uitgevers in de Republiek zagen de Treatise blijkbaar niet als het ʻhoofdwerkʼ van Hume. Veel meer belangstelling was er voor Humes staatkundige essays, en later zijn kolossale History of England. Hoe kan het dat Hume als historicus en politiek denker alom werd geprezen, maar men schijnbaar geen brood zag in zijn theoretische werk?
Om deze én andere vragen rondom de vroege Hollandse receptie van Hume te beantwoorden, zal in deze scriptie de volgende vraag centraal staan:.Hoe werden de werken van David Hume verspreid en ontvangen in Holland in de tweede helft van de achttiende eeuw?
Er is ondertussen een flink aantal studies naar de ontvangst van Humes ideeën verschenen †“ met Peter Jonesʼ bundel The continental reception of David Hume, Marc G. Spencers David Hume and early eighteenth-century America en James Fiesers tiendelige bronnenuitgave Early responses to Hume (alledrie uit 2005) als laatste veelomvattende wapenfeiten †“ maar over de ontvangst van Humes werken in Nederland is nog nauwelijks iets bekend. Dat is merkwaardig, al is het alleen maar omdat over het algemeen wordt aangenomen dat de eerste reacties op Humes Treatise in de Republiek zijn gedrukt.5 Het gaat hierbij echter om besprekingen in Franstalige tijdschriften, die grotendeels werden samengesteld door Franse Hugenoten. Daarnaast waren deze bladen hoofdzakelijk bedoeld voor de Franse markt, die onder strenge koninklijke censuur gebukt ging. Het is dus maar de vraag in hoeverre deze artikelen ook het Nederlandse lezerspubliek bereikten. Behalve de bronnen rondom de productie en distributie van Humes werken in Nederland worden in deze scriptie de reacties op deze werken in Nederlandstalige tijdschriften onderzocht. Hiermee wordt niet alleen een hiaat in de bestaande literatuur over de Hume-receptie gevuld; ook de achttiende-eeuwse Republiek wordt vanuit een nog onbekende kant belicht.

De verspreiding en ontvangst van Humes ideeën door Hollanders is ten eerste interessant omdat hun ontvankelijkheid voor deze ideeën ons een indruk kan geven van de intellectuele openheid en wendbaarheid van het Nederlandse publiek. Net als andere verlichte denkers was Hume een veelschrijver: hij schreef veel over veel verschillende onderwerpen. De veelzijdigheid van Humes oeuvre heeft geleid tot reacties die het hele spectrum tussen bejubelen en verguizen bestrijken. Dit wordt geïllustreerd door de drie citaten bovenaan dit voorstel. Tussen Humes dubieuze reputatie als vrijdenker enerzijds en het respect dat hij afdwong met zijn staatkundige en historische werken anderzijds ligt een spanningsveld. Dit maakt het onderzoek lastiger, omdat er rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat ideeën van Hume niet vanwege de inhoud, maar vanwege zijn reputatie werden verworpen of genegeerd. De beloning is echter des te groter, omdat onderzoek naar de omgang met deze ʻdubbeleʼ David Hume ons kan helpen om de grenzen te bepalen van het grijze gebied tussen behoudendheid (op religieus óf politiek gebied) en openheid (voor nieuwe, verlichte ideeën).
Ten tweede wordt de recente historiografie rondom de Verlichting in Nederland sinds enkele jaren gedomineerd door een these die het verdient om getoetst en genuanceerd te worden. De Britse historicus Jonathan Israel heeft met enkele vuistdikke boeken een zware stempel weten te drukken op het historische debat over de Verlichting. De invloed van Israels werk gaat verder dan de huidige Spinoza-hype: het is inmiddels voor historici haast onmogelijk geworden om voorbij te gaan aan het schema ʻradicaal-vs-gematigdʼ.6 In dit schema wordt iedereen die conservatief was op politiek of religieus vlak ingedeeld bij de gematigde Verlichting. Ondanks zijn fundamenteel empiristische houding valt Hume in de ʻgematigdeʼ categorie, omdat hij veel waarde hechtte aan traditie †“ en dus politiek behoudend was. Voor Israel is Humes bijdrage aan de Verlichting daarom niet interessant.7 Een dergelijk zwart-wit schema doet echter geen recht aan originele denkers die zich niet laten indelen in één van deze twee categorieën. Een bekend voorbeeld is de Leidse uitgever en politiek denker Elie Luzac, wiens bijzondere positie in de Verlichting in Nederland uitgebreid is beschreven door Wyger Velema.8 Het verlichte conservatisme waartoe Luzac kan worden gerekend, vinden we ook terug bij David Hume.
Ten derde is de Hume-receptie nog maar een klein deel van een veel groter gebied dat nog in kaart gebracht dient te worden: over de Nederlandse ontvangst van Schotse werken uit de tweede helft van de achttiende eeuw is namelijk in zijn geheel nog nauwelijks iets bekend. Al in 1995 wees Wijnand Mijnhardt op de relevantie van onderzoek naar de receptie van de Schotse sociale filosofen in de Republiek, om er bijvoorbeeld achter te komen wat de science of man betekende voor Nederlandse verlichte denkers.9 In deze periode kwam in Schotland de Verlichting tot bloei in de gezamenlijke krachtsinspanning om oplossingen te vinden voor de politieke en morele inrichting van het land. In de Republiek vond tegelijkertijd een verhit publiek debat plaats met een vergelijkbare inzet. Het is interessant om te weten welke buitenlandse ideeën werden ingezet of juist actief werden bestreden om de eigen standpunten in dit debat kracht bij te zetten. Maar waar de achttiende-eeuwse receptie van diverse philosophes ondertussen behoorlijk goed onderzocht is,10 beperkten eerdere studies over de omgang met Britse denkers zich tot eerdere periodes.11 En dat terwijl de anglomanie, die ook Voltaire goed te pakken had, wel degelijk ook in de Republiek heerste. De Hume-receptie is een logisch beginpunt van nieuw onderzoek, omdat Hume met zijn benadering van mens en maatschappij een inspiratiebron was voor zijn Schotse collega-denkers en vrienden, zoals Adam Smith.
Ten slotte vertelt een onderzoek naar de verspreiding van Humes werken in Holland ons niet alleen iets over de toegankelijkheid van de Hollandse markt, maar ook iets over de werking ervan: hoe vonden de ideeën van een Schots auteur hun weg naar de Nederlandse lezer? En welke rol speelden uitgevers, boekhandelaren, vertalers en tijdschriftauteurs in de Hume-receptie?

Naast het in kaart brengen van de verspreiding en een deel van de ontvangst van Humes werken in Holland heeft deze scriptie als doel om de mogelijkheden van receptieonderzoek voor de historiografie over de Verlichting in Nederland te verkennen. Er bestaan vooral methodologische bezwaren tegen de traditionele benadering van receptiegeschiedenis (zie hiervoor paragraaf 1.1) dus er zal vooral gekeken worden naar de diverse andere benaderingen, die reeds in andere studies zijn toegepast. Daarnaast zal er aandacht zijn voor de mogelijkheden die ontstaan dankzij de voortsnellende digitale ontsluiting van bronnen. De Verlichting is pas sinds enkele decennia onderwerp van serieus historisch onderzoek, en er liggen nog talloze mogelijkheden voor de Verlichtingshistoricus. Receptieonderzoek is zeker niet de enige manier om deze bronnen te benaderen, maar de sterke focus op het oeuvre van één auteur stelt de onderzoeker in staat tot het schrijven van zeer gerichte ideeëngeschiedenis. Door de receptie van Hume en andere buitenlandse auteurs te onderzoeken, kunnen we de bovendien de positie bepalen van Nederlandse verlichte debatten binnen de ruimere context van de Verlichting in Europa.

Dit uitgewerkte onderzoeksvoorstel ziet er verder als volgt uit:
Eerst zal ik in het hoofdstuk State of the art kort ingaan op de huidige stand van zaken in de wetenschap rondom de Hume-receptie en de Verlichting in Nederland. Ook recente trends en debatten over receptiegeschiedenis als ʻvak apartʼ zullen aan bod komen.
In het hoofdstuk Operationalisering wordt kort de afbakening van het onderzoek besproken en zal aan de hand van een voorlopige hoofdstukindeling worden verteld langs welke lijnen het onderzoek is gestructureerd. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de gehanteerde methodologie.
Hierna zal in het hoofdstuk Voorlopige resultaten een korte uitleg worden gegeven bij het online werkblog en de bronnentijdbalk behorende bij deze scriptie.
Een tweetal bijlagen zal ten slotte worden gevormd door een voorlopige literatuurlijst, gesorteerd op thema, en een voorlopige bronnenlijst, gesorteerd op type.
1: State of the art
Al meer dan 250 jaar wordt er geschreven over Humes ideeën en zelfs nu verschijnen er nog met enige regelmaat nieuwe visies op zijn historische en filosofische betekenis.12 De voortdurende nieuwe aanwas van wetenschappelijke literatuur over Hume zegt iets over het belang dat ook binnen de academische wereld nog altijd wordt gehecht aan zijn werk. Een nadeel van deze aanhoudende belangstelling voor de aspirant-onderzoeker is dat de enorme hoeveelheid literatuur, die de afgelopen driekwart eeuw over hem is geproduceerd, nogal desoriënterend en intimiderend kan werken. Het overgrote deel van de literatuur bestaat echter uit filosofische bespiegelingen op Humes theoretische werk, die voor deze scriptie nauwelijks relevant zijn. Het receptieonderzoek is absoluut gebaat bij gedegen kennis van Humes ideeën, maar het is niet gericht op het verkrijgen van nieuwe inzichten over de denker zelf. Het zijn zijn teksten, maar de hoofdrol is weggelegd voor zijn lezers en hun ideeën.
In dit hoofdstuk zal eerst worden ingegaan op de vraag wat receptiegeschiedenis precies is en worden getoond hoe verschillende stromingen in de ideeëngeschiedenis de voor receptieonderzoek gangbare methodes hebben beïnvloed. Hierna zal worden gekeken naar de bijzondere wordingsgeschiedenis van Hume als Grote Naam binnen de Westerse filosofie en de recente literatuur over Hume-receptie. Hieruit blijkt hoezeer Humes naamsbekendheid het werk is van historians of philosophy aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Als laatste worden de recente ontwikkelingen in de historiografie over de Verlichting in Nederland besproken, waarbij ook enkele studies naar de receptie van andere denkers in de Republiek aan bod komen.
1.1: Receptiegeschiedenis
Als gezegd kan worden dat elke vorm van historisch onderzoek zich voor een deel bezighoudt met ideeëngeschiedenis,13 dan lijkt het gerechtvaardigd om te zeggen dat elke vorm van ideeëngeschiedenis zich voor een belangrijk deel bezighoudt met receptiegeschiedenis. Wanneer de ideeëngeschiedenis zich richt op het registreren van de ontwikkeling van ideeën door de eeuwen heen, ká¡n dit zelfs niet zonder in te gaan op de overdracht van ideeën. Want waar een idee wordt overgedragen is er een ʻzenderʼ en een ʻontvangerʼ, en is er dus sprake van receptie. Toch houden we ons meestal aan de smallere definitie, die de receptiegeschiedenis als ‘vak apart’ binnen de ideeëngeschiedenis beschouwt. Ze wordt over het algemeen gezien als het resultaat van het ontstaan van een canon van belangrijke denkers. Een vergelijkbare ontwikkeling binnen de literatuur- en mediawetenschappen heeft geleid tot het onderzoek naar de receptie van cultuuruitingen.14 Deze trend inspireerde op haar beurt weer talloze cultuurhistorische receptieonderzoeken naar diverse trends door de eeuwen heen †“ zo is het zeer waarschijnlijk dat de eerste boeken over de opkomst van de iPhone als cultureel fenomeen al in de maak zijn. De bijdrage van de receptiegeschiedenis als specialisme aan de ideeëngeschiedenis is meer bescheiden. Veel vaker is receptieonderzoek geïntegreerd in ideeënhistorisch onderzoek. Er zijn echter grote verschillen in de vorm en mate waarin receptieonderzoek wordt ingezet voor het bestuderen van de ideeëngeschiedenis.
De filosofische geschiedschrijvers van de generatie-Hume, de eerste historici die nadrukkelijk aandacht besteedden aan ideeën, waren niet op zoek naar tastbare bewijzen voor de overdracht van het idee. Voor hen maakte niet uit of concept Y daadwerkelijk bij denker B was ontstaan nadat deze in aanraking was gekomen met het vergelijkbare concept X, tien jaar eerder opgeschreven door denker A. Veel belangrijker was namelijk de verspreiding van dat ene vaststaande idee †“ zoals de menselijke drang naar vrijheid, of het geloof in bovennatuurlijke verschijnselen †“ dat voor de historicus zo belangrijk was (ofwel in positieve, of in negatieve zin) dat de ontwikkeling ervan moest worden getraceerd door de eeuwen heen.
Het verwaarlozen van de ontvangst van ideeën bij historisch onderzoek kan leiden tot discutabele historische verklaringen. Historische gebeurtenissen kunnen dan namelijk worden toegeschreven aan de aanwezigheid van bepaalde ideeën in een bepaalde regio op een bepaald moment †“ zonder tastbaar bewijs voor het verband tussen de ideeën enerzijds, en de gebeurtenis anderzijds. Een berucht voorbeeld is de Franse Revolutie. De Bastille was nog niet bestormd of de eerste beschuldigende vingers van de geschokte conservatieven wezen al in de richting van Rousseau en andere vooraanstaande verlichte denkers. Het vermoede verband tussen de Verlichting en de democratische revoluties uit de tweede helft van de achttiende eeuw bleef tot in de twintigste eeuw berusten op onjuiste aannames over de verspreiding van de werken van deze vooraanstaande denkers. In 1910 liet Daniel Mornet zien dat er iets moest veranderen: onder de ruim 20.000 boeken die hij telde in de persoonlijke bibliotheken van Parijzenaren aan de vooravond van de Revolutie, bevond zich slechts één exemplaar van Rousseauʼs Contrat social.15 In de visie van Mornet waren het wel ideeën die de Revolutie hadden veroorzaakt, maar niet de ideeën waarvan zolang werd gedacht dat ze aan de basis hadden gestaan van de Revolutie. Dat Mornet door een aantal missers had verzuimd om het overgrote deel van de receptie van Rousseauʼs werk te registreren,16 deed weinig af aan de invloed van Mornets nieuwe methode.
De kwantitatieve benadering van Mornet was het eerste geloofwaardige alternatief voor het traditionele receptieonderzoek van de historians of philosophy. Het onderzoek naar het collectieve lezen had nog een lange weg te gaan: hoewel de aanwezigheid van boeken in persoonlijke bibliotheken een indicatie kan geven van de reikwijdte van bepaalde werken, kunnen we uit deze gegevens niet afleiden in hoeverre het boek daadwerkelijk werd gelezen †“ laat staan in hoeverre het werd gewaardeerd. De onbereikbaarheid van de ʻgemiddeldeʼ leeservaring vormt een aanzienlijk probleem, waarmee zowel literatuurwetenschappers, historisch letterkundigen als ideeënhistorici worden geconfronteerd. Zodoende is vanuit deze drie vakgebieden veel nagedacht over de mogelijkheid om wetenschappelijke uitspraken te doen over de receptie van ideeën.
Een belangrijke bijdrage aan de theorievorming rond dit probleem is geleverd door de Duitse literatuurwetenschapper Hans Robert Jauss. Hij verwierp in een rede uit 1967 de wijze waarop er binnen de literatuurwetenschappen tot dan toe om was gegaan met de literatuur uit het verleden. In plaats daarvan stelde hij een ʻliteraire geschiedenis van de literatuurʼ voor, die zowel recht zou doen aan het historische als aan het literaire karakter van de teksten.17 Om deze geschiedenis te kunnen schrijven, moest volgens Jauss een hypothetische ʻverwachtingshorizonʼ van de lezer worden gecreëerd. Deze zou het mogelijk maken om in te schatten in hoeverre het gelezen werk in overeenstemming was met de verwachtingen van de lezer. Boeken die deze horizon doorbraken, vielen waarschijnlijk in eerste instantie niet erg goed bij de lezer. Wél zou het verschijnen van het werk kunnen bijdragen aan een geleidelijke verschuiving van de verwachtingshorizon, die een zeer gunstige receptie door een latere generatie mogelijk zou maken †“ vergelijkbaar met de paradigmawisselingen van Kuhn.18 J. J. Kloek stelde zichzelf in een artikel de vraag of receptiegeschiedenis mogelijk is aan de hand van het programma van Jauss. Na een proef met de Nederlandse receptie van Goetheʼs Werther noemt hij de hypothetische aanpak zinvol, omdat er doorgaans simpelweg te weinig bronnen voorhanden zijn om het achterhalen van de reële receptie mogelijk te maken. Wel merkt hij op dat het hoge hypothetische gehalte van deze methode de onderzoeker ertoe dwingt om zijn resultaten uiterst voorzichtig te formuleren.19
Historisch receptieonderzoek is sinds de jaren ʻ60 aan veranderingen onderhevig geweest, door het ontstaan van meerdere kampen in de ideeëngeschiedenis. Met hun kritiek op de Grote-Namen-benadering van de ʻoudeʼ ideeëngeschiedenis hebben deze kampen veel invloed gehad op de wijze waarop de intellectuele geschiedschrijving tegenwoordig wordt beoefend. Wanneer we de lijn van Mornet volgen, komen we uit bij de Franse ʻdiffusionistischeʼ school. In de jaren ’60 ontstond in Cambridge de ʻcontextualistischeʼ school en als laatste in Duitsland de Begriffsgeschichte-school.20 We zullen ons hier richten op de Cambridge-school en de boekgeschiedenis †“ waarvan de sociaal-culturele variant, zoals deze wordt gepropageerd door Robert Darnton, veel elementen van de Franse school bevat. Dit doen we aan de hand van enkele recente uitspraken van Quentin Skinner, Robert Darnton en Jonathan Israel. Hoewel er nog altijd veel waarde wordt toegekend aan de Duitse benadering, staat de focus op de langdurige ontwikkeling van individuele concepten van de Begriffsgeschichte het verst verwijderd van een onderzoek naar de verspreiding en ontvangst van Humes werken. Tenzij het woord ʻHumeʼ als concept an sich zou worden beschouwd, dat door de jaren heen van betekenis verandert. Helemaal ondenkbaar is dit overigens niet, maar of deze werkwijze bruikbare resultaten oplevert, is de vraag.
Quentin Skinner en Robert Darnton worden al tientallen jaren gezien als trendsetters binnen de ideeëngeschiedenis. Skinner is er in geslaagd de geschiedenis van het politiek denken een nieuwe impuls te geven met zijn pleidooi voor een historistische benadering van de betekenis van politieke concepten. Hij staat aan de basis van de succesvolle reeks Ideas in context, waarin de eigentijdse betekenis van concepten wordt geëvalueerd door hun plaats en gebruik in het toenmalige discours te bepalen. Deze methode om de interpretatie van een tekst af te laten hangen van de context waarin zij gelezen wordt, is te vergelijken met de rol van de hypothetische verwachtingshorizon in het werk van Jauss. Sinds Pococks invloedrijke The Machiavellian moment (1975) is het onderscheiden van verschillende politieke ʻtalenʼ bovendien een centraal onderdeel geworden van de Cambridge-methode.21 Een interculturele versie van dit onderzoek vinden we bij Fania Oz-Salzberger, die de complicaties bij de overdracht van concepten van een Schots naar een Duits verlicht politiek discours bestudeerde in Translating the Enlightenment (1995).
Daartegenover staat Robert Darnton, die zich heeft ontwikkeld van buitenbeentje tot autoriteit met zijn eigenzinnige aanval op de ʻoudeʼ intellectuele geschiedenis, en zijn betoog voor een sociale ideeëngeschiedenis. Zijn Forbidden bestsellers of pre-revolutionary France (1996) keerde Mornets onderzoek om: in plaats van te zoeken naar de boeken van één auteur, bestudeerde hij de orders die clandestiene boekhandelaren kregen.22 Hierdoor kon hij een lijst opstellen van de populairste titels in Parijs in de voorjaren van de Franse Revolutie. In de jaren ʻ60 hadden de Amerikaanse cultuurhistoricus Peter Gay en historici van de Franse Annales-school onafhankelijk van elkaar geprobeerd om een ʻsocial history of ideasʼ van de grond te krijgen,23 maar pas bij Darnton kreeg deze de bij ons bekende vorm, waarin de lees- en denkpatronen van de maatschappelijke onderlaag centraal staan. Hoewel zijn aanpak dicht bij die van de Annales-school staat, is er een groot verschil in vertrouwen wat betreft de historische zeggingskracht van statistische gegevens.
In het openingsnummer van Contributions, een tijdschrift dat in 2005 werd opgericht om ruimte te bieden aan ʻconceptual historyʼ, vinden we de weerslag van een discussie tussen de twee trendsetters. Onderwerp van debat zijn de mogelijkheden om de disciplines van de intellectuele geschiedenis en de boekgeschiedenis bij elkaar te brengen. Aangezien de moderne receptiegeschiedenis van beide vakgebieden gebruik hoopt te kunnen maken, hinkt ze als ʻvak apartʼ op twee benen. De mogelijkheden voor een methodologische mengvorm zijn dus ook voor de receptiegeschiedenis interessant. Robert Darnton is positief: ondanks de grote verschillen tussen beide ziet hij kansen, maar alleen wanneer het boek als medium voor expressie wordt gezien, het lezen als interpretatieve bezigheid, en het drukken van een boek als een antwoord op de vraag van het lezend publiek.24
Skinner ziet van het methodologische huwelijk vooral het nut niet in, omdat de twee disciplines andere prioriteiten hebben. De intellectuele geschiedenis streeft in Skinners ogen niet naar een ʻdemocratischeʼ geschiedschrijving, die het meeste waarde hecht aan de geschiedenis van de meerderheid. Wanneer de Cambridge-school blijk geeft van een voorkeur voor de elite, is deze gerechtvaardigd omdat ze een hoger doel nastreeft †“ ze zoekt naar de vorming en ontwikkeling van de concepten en theorieën die het hedendaagse maatschappelijk leven vorm geven.25 Een cruciaal aspect is volgens Skinner de boekhistorische interesse voor de verspreiding van werken (zowel de wijze waarop als de mate waarin dit gebeurt). Hierin zijn nog maar weinig intellectuele historici geïnteresseerd, aldus Skinner:
†œIt is true that some intellectual historians used to be interested in what came to be known in the German tradition as Reception-history. This kind of study is not much undertaken nowadays, for what seem to me excellent methodological reasons, but in its heyday it gave rise to books with titles like Spinoza in eighteenth-century France, Machiavelli in Modern Germany and so on.†26
Skinner voegt hieraan toe dat de methode van John Pocock naar zijn mening als alternatief veel betere historiografie oplevert. Wat de genoemde ʻexcellent methodological reasonsʼ zijn om geen traditionele receptiegeschiedenis te schrijven, werd in de oriënterende fase van deze scriptie al snel duidelijk: van oplage- en verkoopcijfers ontbreekt vaak ieder spoor, en het aantal bronnen waarin de reacties van de lezers vastgelegd is altijd te klein om écht representatief te zijn. Daar komt nog bij dat alleen bij expliciete verwijzingen of citaten met zekerheid kan worden vastgesteld dat er sprake is van receptie.
Het recente werk van Jonathan Israel richt zich op de verspreiding van Spinozistische filosofie in de Westerse verlichte wereld, en heeft dus een hoog receptiehistorisch gehalte. Zijn houding in dit debat zou ons moeten kunnen helpen om de mogelijkheden te bepalen voor de receptiegeschiedenis. De Brit bekritiseert zowel de Franse school als de Cambridge-school in zijn pleidooi voor zijn eigen ʻcontroversialistischeʼ benadering. Zijn verwerping van de Franse school van onder andere Roger Chartier is het sterkst: deze heeft, met haar voorkeur voor laag-bij-de-grondse literatuur en haar ʻMarxistischeʼ afkeur jegens de intellectuele geschiedenis, een blinde vlek ontwikkeld ten aanzien van de †“ in Israels visie †“ belangrijkste verlichte controverses.27 Deze zijn in Israels ogen onmisbaar voor een goed begrip van de Verlichting: deze controverses speelden zich op verschillende sociale niveaus af, maar hadden wel degelijk een sterk filosofisch karakter. Een ander bezwaar van Israel is dat de Franse nadruk op het vinden van mentaliteitsveranderingen noodzakelijkerwijs leidt tot vage conclusies, omdat het vinden van concrete bewijzen hiervoor per definitie is uitgesloten. Israels kritiek op de Cambridge-school moet in het historiografische overzicht in de inleiding van Enlightenment contested vooral worden afgeleid uit zijn herhaling van de kritiek afkomstig van de andere scholen. Deze kritiek houdt kortweg in dat de historici die Pocock en Skinner volgen te veel gericht zijn op het discours in haar politieke context en hierdoor te weinig oog hebben voor sociale ontwikkelingen.28
In veel opzichten volgt Israel het oordeel van Robert Darnton. Daarom is het interessant om te zien dat Robert Darntons poging, om de Franse school en de Cambridge-school te verenigen, door Israel weinig kans wordt gegeven.29 Met zijn eigen ʻcontroversialistischeʼ benadering van de door hem voorgestelde ʻnew intellectal historyʼ maakt hij namelijk een dubbelslag van vergelijkbare (of zelfs nog grotere) orde: Israel zegt de sterke punten van beide scholen te kunnen samenvoegen, en deze aan te vullen met de diachrone gevoeligheid voor de verschuivende betekenis van concepten die het handelsmerk vormt van de Duitse Begriffsgeschichte.
In de derde paragraaf van dit hoofdstuk lezen we hoeveel succes de methode-Israel heeft gehad in de historiografie over de Verlichting. Eerst lezen we echter over de wijze waarop de bekritiseerde ʻoudeʼ ideeëngeschiedenis Hume een prominente plaats heeft bezorgd in de Westerse filosofie.
1.2: Hume-receptie
Met Hume is iets bijzonders aan de hand. Wanneer we zijn bekendheid op lange termijn beschouwen, zien we dat deze uiteenvalt in een historisch en een filosofisch deel. In de achttiende eeuw en de eerste helft van de negentiende eeuw werd zijn filosofische werk overschaduwd door het enorme succes van zijn History of England. Zo komt het dat Hume in de catalogus van de British Museum Library nog altijd †œhistoricus† achter zijn naam heeft staan.30 Pas aan het eind van de negentiende eeuw begon de aandacht langzaam te verschuiven naar zijn theoretische werk, en Hume werd door de historians of philosophy alsnog ʻontdektʼ als sleutelfiguur in de filosofie.
Bij deze herontdekking van Hume als filosoof is één uitspraak van de Duitse filosoof Immanuel Kant waarschijnlijk doorslaggevend geweest. Kant schreef dat Hume hem uit zijn †œdogmatische sluimer† had gewekt †“ een opmerking die ook nu nog veel academici bezighoudt. In eerste instantie kwam Kant met zijn kritiek op de rede terecht in het zelfde kamp als de sceptische Hume. Hierna zou echter al snel de opvatting ontstaan dat Kant juist tegenover Hume stond, en dat hij verder ging waar Hume was blijven steken †“ op het struikelblok tussen waarneming en waarheid, een positie die nu ook wel bekend staat als †œHumeʼs Problem†. Hume was dus wel belangrijk, maar slechts als een aangever van Kant, aldus de academici die zich bezighielden met de geschiedenis van de filosofie. Humes ondergeschikte positie blijkt wel uit het feit dat de eerste verzamelde uitgave van diens werken door samensteller T. H. Green werd aangegrepen om duidelijk te maken dat de Schot nog uitsluitend in historisch opzicht relevant was.31 Het zou echter niet lang duren voor enkele Oostenrijkse critici van Kant expliciet de voorkeur gaven aan Hume. Het empirisme en de fundamentele twijfel van Hume waren belangrijke invloeden op Karl Popper en de Wiener Kreis. Met deze belangstelling vanuit de hoek van de wetenschapsfilosofie was Humes naam definitief gevestigd.
In de jaren ʻ30 en ʻ40 verschenen de eerste monografieën over Hume van ideeënhistorici. In het begin van 1938 verscheen van de hand van T. E. Jessop een bibliografie, waarin veel van de eerste reacties op de werken van Hume waren ondergebracht.32 Norman Kemp Smith schreef vervolgens in 1941 het eerste overzichtswerk waarin Humes volledige filosofische oeuvre werd besproken.33 De Britse letterkundige Ernest C. Mossner heeft een belangrijke rol gespeeld in het bijeenbrengen van kennis over Hume en de Hume-receptie. Hij schreef in 1947 het artikel ʻThe continental reception of Humeʼs Treatise (1739-1741)ʼ,34 en werkte daarna lang aan zijn Hume-biografie †“ nog altijd de bron voor iedereen die meer wil weten over het leven van Hume.35 In deze biografie uit 1954 gaat Mossner niet alleen uitvoerig in op de totstandkoming van Humes werken, maar ook op de ontvangst ervan. Een mogelijke aanleiding voor Mossners interesse is de Hume-receptie is de waarde die Hume zélf hechtte aan de reacties van het publiek, waarover we later meer lezen.
De belangstelling voor Hume is daarna veruit het grootst geweest in Angelsaksische landen. In Groot-Brittannië was er altijd al veel aandacht voor de Schot, die ook op dit moment nog wordt beschouwd als de grootste filosoof die de Britse eilanden ooit hebben voortgebracht.36 In de jaren ʻ60 van de vorige eeuw nam echter vooral in Noord-Amerika snel toe. Zo schoof de historicus Peter Gay schoof Hume naar voren als Verlichtingsdenker bij uitstek in zijn The Enlightenment: an interpretation, dat lang het standaardwerk was over de Verlichting.37 In de jaren ʻ70 werd door Canadese Hume-adepten bovendien de Hume Society opgericht; kort daarop volgde het tijdschrift Hume Studies. De aandacht vanuit de Verenigde Staten was af en toe ideologisch gemotiveerd: het op en top Amerikaanse Liberty Fund financierde nieuwe uitgaven van Humes Essays en de History of England. Het feit dat Hume een goede vriend was van Benjamin Franklin, de filosoof-founding father, zal hieraan hebben bijgedragen.
In de twintigste eeuw is Humes werk vanuit allerlei hoeken opnieuw belicht. Enkele historici hebben in de afgelopen decennia zelfs de History of England weer afgestoft en bestudeerd, nadat dit werk meer dan een eeuw lang was verwaarloosd. De verantwoording voor deze terugkeer naar Humes oorspronkelijke ʻbestsellerʼ lag voor deze historici in de overtuiging dat Humes oeuvre beter tot zijn recht komt wanneer het als één geheel wordt beschouwd. Want waar de kern van Humes filosofie terugkomt in zijn historische werk, betoogt bijvoorbeeld David Fate Norton, bevat zijn filosofische werk net zo goed een sterke historische component.38 Als deze holistische benadering ons echter iets toont, dan is het wel hoe verdeeld de aandacht voor Hume in voorgaande eeuwen is geweest.

De recente literatuur over de receptie van Humes werk door zijn tijdgenoten en daarna is echter méér dan de zoveelste wetenschappelijke benadering van Hume. Waar het overgrote deel van het bestaande onderzoek op Hume zélf is gericht, en is geschreven met het doel om Humes werken beter te begrijpen †“ bijvoorbeeld binnen hun historische context, als uiting van diverse filosofische tradities, of als combinatie van deze twee †“ draait receptieonderzoek dit perspectief om: de literatuur over Hume-receptie zoekt juist naar de mogelijke weerslag die Hume heeft gehad op die context en die tradities.
Het is niet verwonderlijk dat de aandacht van historici het eerst uit is gegaan naar de receptie van Humes Treatise. Uiteraard omdat het wordt beschouwd als Humes hoofdwerk, maar zeker ook omdat één uitspraak van Hume over het traktaat uitnodigde tot nader onderzoek. In het autobiografische essay My own life, dat Hume schreef vlak voor zijn dood in 1776, stond dat zijn eersteling †œdoodgeboren van de drukpers† was gevallen.39 Na Mossners artikel uit 1948 volgden een twintigtal artikelen, enkele boeken en twee uitgebreide bronnenuitgaven over de receptie van Hume, veelal met de eerste reacties op de Treatise als vertrekpunt. Ondertussen weten we dat de Schot zich enigszins aanstelde: er was heus wel gereageerd op zijn traktaat. De eerste reacties op de Treatise werden zoals gezegd waarschijnlijk zelfs in de Republiek gedrukt.
De meeste aandacht is besteed aan de Hume-receptie in de landen die van oudsher worden gezien als brandpunten van de Verlichting: Engeland, Frankrijk en Duitsland. Naar de Britse ontvangst is uiteraard het meeste onderzoek gedaan, en in de bronnenuitgave van James Fieser is dan ook het meeste plek ingeruimd voor de reacties uit Humes thuisland. Ook is er relatief vroeg onderzoek gedaan naar de receptie van Humes werken in Frankrijk door Laurence Bongie. Hij bestudeerde de manieren waarop Humes interpretatie van de geschiedenis aansluiting vond bij de heersende overtuigingen in Franse reactionaire kringen na de Franse Revolutie.40 Opvallend is dat uitsluitend de Duitstalige studies naar Hume-receptie precies het soort titel hebben waar Skinner in het citaat uit de vorige paragraaf naar verwijst: †œHume in der Deutsche Aufklarung† en †œHume in Deutschland†.41 De relatie tussen Hume en Kant neemt in deze literatuur een belangrijke plaats in. Manfred Kuehn, die onder andere een biografie van Kant schreef, leverde ook een bijdrage aan Peter Jonesʼ recente bundel The reception of David Hume in Europe.
Marc G. Spencer heeft daarnaast onderzoek gedaan naar de Hume-receptie in Amerika, de andere grote afzetmarkt voor Engelstalige werken. Ook van zijn hand is een bronnenuitgave uitgegeven door Thoemmes †“ dezelfde uitgeverij als de uitgave van Fieser †“ waarin voornamelijk negentiende-eeuwse reacties op Hume zijn verzameld.42 Spencers gepubliceerde proefschrift David Hume and early eighteenth-century America (2005) gaat echter over de receptie van Hume in de decennia rondom de Amerikaanse revolutie.43 Zijn aanpak is zeer veelomvattend: zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek wordt door Spencer ingezet om uitspraken te kunnen doen over de invloed van Humes werk in het jonge Amerika. Zo bekeek hij 708 boek-catalogi (onder andere afkomstig van boekveilingen, voorraadlijsten van boekhandels en bibliotheken), en bestudeerde Spencer talloze bronnen zoals pamfletten, tijdschriftartikelen en brieven. Het doel van dit alles was het weerleggen van de heersende opvatting dat Hume veel te conservatief was geweest om invloed uit te oefenen op revolutionaire Amerikanen. Hoewel er lovende woorden zijn gekomen voor de enorme reikwijdte van Spencers onderzoek, was de kritiek dat zijn conclusies over de betekenis van Hume voor achttiende-eeuwse Amerikanen niet altijd overtuigen.44
De zestien artikelen in de bundel van Jones zijn logischerwijs minder uitgebreid, maar daarvoor krijgen we een aantal thematische en een groot aantal nationale receptiegeschiedenissen voor terug. Niet alleen de landen die we gemakkelijk in verband brengen met de Verlichting zijn in de bundel van Jones weer vertegenwoordigd †“ hoewel de bijdragen over de receptie in Duitsland en Frankrijk overigens wél veruit het omvangrijkste zijn. Ook landen die ver van het centrum van Europa verwijderd waren; landen waar van de Verlichting niet veel meer overbleef dan een zwak schijnsel (zoals Roemenië). Er zitten zelfs landen bij waarvan de eigen ʻverlichtheidʼ in de achttiende eeuw nog altijd niet zonder tegenstribbelen wordt erkend (zoals Zweden).45 In deze verzameling zou de Republiek tussen al deze landen dus ergens in het midden zijn terechtgekomen †“ de ʻverlichtheidʼ van Nederland was immers ook niet altijd vanzelfsprekend.
1.3: De Verlichting(en) in Nederland
Enigszins vergelijkbaar met de herontdekking van Hume als filosoof is de wijze waarop de Verlichting in Nederland ongeveer dertig jaar geleden een herwaardering ondervond. Er zijn twee redenen op te noemen voor het feit dat de verlichte filosofie in Nederland eerder amper aandacht kreeg. De eerste is dat de geschiedenis van de filosofie in Nederland in zijn geheel nauwelijks werd bestudeerd, in tegenstelling tot in andere landen. Ferdinand Sassen was lange tijd de enige die zich serieus met filosofie bezighield. Hij was er echter, net als de meeste historici, van mening dat de Verlichting grotendeels aan ons land voorbij was gegaan. Deze opvatting, de tweede reden voor de verwaarlozing van de Verlichting in Nederland, vond zijn oorsprong bij de Nederlandse verlichte geesten zélf: zij waren geobsedeerd door het ogenschijnlijke verval van de Republiek op politiek, economisch en cultureel gebied na de Gouden Eeuw.
Bijna twee eeuwen lang werd er nauwelijks aan deze negatieve voorstelling van zaken getwijfeld: vaderlandse historici Jan en Annie Romein meenden de verklaring voor de teleurstellende filosofische prestaties in de achttiende eeuw te hebben gevonden in de †œtoestand van staat van maatschappij†, die destijds †œin het algemeen het genie tot talent en het talent tot middelmatigheid heeft gedoemd.†46 Het effect van de Verlichting op de achttiende-eeuwse Republiek werd uiteindelijk pas serieus getoetst door H.H. Zwager, in Nederland en de Verlichting (1972). Maar zelfs Zwager, die de Nederlandse verlichte verrichtingen vergeleek met die van de Franse philosophes, zag slechts een †œbeperkt effect, zonder reden voor trots†.47
Twee boeken, beide gepubliceerd in 1981, hebben ervoor gezorgd dat er een verschuiving plaats kon vinden in de richting van een positiever beeld van de Verlichting in Nederland. Allereerst maakte de bundel Enlightenment in national context van Roy Porter het mogelijk om af te stappen van de notie van één Verlichting, gemodelleerd naar de Franse variant.48 Er ontstond ruimte voor meerdere nationale Verlichtingen, elk met zijn eigen karakter. Sassens idee dat Nederland een reformatorische Verlichting had gekend, kon dus opnieuw worden ingezet bij de karakterisering van de Nederlandse Verlichting.
Een tweede belangrijke aanzet voor de herwaardering van de Verlichting in Nederland werd gegeven door Margaret Jacob, die de radicale Verlichting introduceerde als thema binnen de historiografie.49 Haar studie The radical Enlightenment: pantheists, freemasons and republicans legde een deel van het voornamelijk ondergronds opererende netwerk van vrijdenkers bloot, dat sinds Spinoza in Engeland en de Republiek garant stond voor de meest extreme varianten van de Verlichting. Wat bijvoorbeeld begon met Spinozaʼs pantheïsme zou via de activiteiten van dit netwerk uitmonden in het atheïsme van DʼHolbach en De la Mettrie. Toch bleven er nog veel onduidelijkheden ontstaan over deze radicale verlichters, omdat Jacobs onderzoek werd bemoeilijkt door de geheimzinnigheid waarmee de vrijdenkers zich omhulden. Meestal deden de radicale denkers dit uit lijfsbehoud, maar soms ook uit eigen keuze, zoals wanneer ze verbonden waren aan een vrijmetselaarsloge. Toch slaagde Jacob er niet alleen in om aan te tonen dat er meerdere Verlichtingen vielen te identificeren, maar ook dat in de zeventiende eeuw een groep Nederlandse denkers vooraan liep in één van deze Verlichtingen.
In de ruimte die door bovenstaande titels was gecreëerd, zouden in daaropvolgende jaren studies verschijnen die het eigen karakter van de Verlichting in Nederland benadrukten of, zoals het werk van Wim Klever en Wiep van Bunge, Spinoza en zijn kring verder onderzochten.50 Nederlandse literatoren en spectatoren werden bestudeerd, maar ook de Nederlandse genootschappen, de Nederlandse leescultuur en het Nederlandse zelfbeeld. Daarnaast werd, twintig jaar na Zwager, de mate van ʻverlichtheidʼ in Nederland door J. W. Buisman opnieuw gemeten in zijn proefschrift Tussen vroomheid en verlichting.51 In 1992 zetten Wijnand Mijnhardt en Margaret Jacob in The Dutch Enlightenment het beeld van een in zichzelf gekeerde ʻNederlandseʼ Verlichting definitief op de voorgrond. Niet iedereen was even blij met deze benadering, waarin het kosmopolitische karakter van de Verlichting werd gereduceerd tot de internationale contacten van enkele figuren †“ zoals dat van Elie Luzac. Het sterkste verzet tegen deze ʻnationaleʼ benadering was echter afkomstig van Jonathan Israel.
Jonathan Israel heeft het stokje van Jacob overgenomen en maakte van de verspreiding van de ideeën van Spinoza en de radicale Verlichters een breekijzer om andere interpretaties van de Verlichting te ʻkrakenʼ. In Radical Enlightenment (2001) legde Israel uit dat hij af wilde van de notie van meerdere Verlichtingen en in plaats daarvan wilde hij de Europese Verlichting weer als één intellectuele en culturele beweging presenteren. De radicale Verlichting was echter de zeer hechte stroming binnen deze beweging die het meeste aandacht verdiende, omdat ze de basis vormt van moderne verworvenheden als democratie, tolerantie en vrijheid van meningsuiting.52
Hoewel enigszins met zichzelf in tegenspraak †“ Henri Krop merkte al op dat Israel hiermee in feite zelf óók twee Verlichtingen liet bestaan †“53 maakte Israels handzame these veel indruk. De manier waarop Israel deze these verdedigde was misschien nóg indrukwekkender: de Brit leek alle literatuur te hebben gelezen en alle bronnen te kennen. Na het recentere Enlightenment contested (2006), waarin Israel de interactie tussen de ʻsocio-politieke contextʼ en de intellectuele ontwikkelingen in kaart heeft willen brengen,54 is het wachten op een derde boek, waarin Israel de radicale Verlichting volgt tot haar hoogtepunt, de democratische revoluties van het eind van de achttiende eeuw. In zijn KB-lezing ʻFailed enlightenmentʼ (2007) gaf Israel alvast een voorproefje: de Republiek had de erfenis van Spinoza in de tweede helft van de achttiende eeuw grotendeels verkwanseld, en de inspanningen van Franse radicale Verlichters om de Patriottenbeweging te helpen haar democratische idealen te verwezenlijken bleken tevergeefs. Historici hebben bovendien in Israels ogen te lang verzuimd het belang in te zien van de Nederlandse radicale Verlichting, en niet in de laatste plaats waar het gaat om de fase na 1770.55
Zoals gezegd is Israels werk bepalend geweest voor ons huidige beeld van de Verlichting in Nederland. Dat dit ook zijn weerslag heeft gehad op de historiografie, blijkt bijvoorbeeld uit de wijzigingen die doorgevoerd werden bij de publicatie van het proefschrift van Marcel Wielema, over de relatie tussen de gereformeerde kerk en de Verlichting. In de gedrukte versie had Elizabeth Wolff, boegbeeld van de Nederlandse volksverlichters, plaats gemaakt voor Pontiaan van Hattem, één van de Spinozistische denkers uit de vroege Verlichting. Het oorspronkelijke oordeel dat de tweede helft van de achttiende eeuw minder interessant was in vergelijking met de zeventiende eeuw leek in dit geval opnieuw de kop op te hebben gestoken.
Zowel de belangstelling voor de vroege Verlichting als de door Israel bekritiseerde verwaarlozing van de fase zien we terug in de studie 1800: Blauwdrukken van een samenleving (2001) van Kloek en Mijnhardt. Niet alleen lieten zij dit boek, dat het ʻijkpuntʼ 1800 als uitgangspunt had, beginnen in 1650, maar ook leken zij weinig onder de indruk van de politieke onderneming van de Patriotten in de late achttiende eeuw.56 De politieke filosofie van de achttiende eeuw is overigens vrijwel het enige thema in de intellectuele geschiedenis van de achttiende eeuw dat ook vóór 1980 op substantiële aandacht kon rekenen, van (onder anderen) E. H. Kossmann, C. H. E. De Wit en I. L. Leeb.57 Recent onderzoek naar de verlichte politieke ideeën in Nederland is vooral gedaan door Van Sas, Velema en Van Eijnatten, waarvan de laatste met zijn onderzoek naar de Nederlandse tolerantie een veel aangehaald cliché heeft doorgelicht.58
Mede vanwege de enorme groei van de boek- en tijdschriftenproductie in de achttiende eeuw zijn veel nieuwe inzichten over de Verlichting in Nederland afkomstig uit de hoek van de boekgeschiedenis en de geschiedenis van het lezen. Deze literatuur is bovendien relevant voor deze scriptie omdat ze ons informatie verschaft over het veld waarin de werken van Hume verschenen. Het waren wederom Mijnhardt en Kloek die voorop liepen in het onderzoek naar de leescultuur, met een studie over de leescultuur in Middelburg †“ met als kanttekening dat hun studie vooral de vroege negentiende eeuw bestreek.59 Hierop volgden studies die Engelsings theorie van een leesrevolutie nuanceerden,60 zoals Hannie van Goingaʼs ʻAlom te bekomenʼ (1999) en José de Kruifs studie naar de leescultuur in Den Haag, Liefhebbers en gewoontelezers (1999). Ook het achttiende-eeuwse boekhandelsbedrijf bleek een dankbaar onderwerp voor historici. Zo onderzocht Han Brouwer de klantenboeken van boekhandel Tijl in Zwolle en werd er opnieuw naar Elie Luzac gekeken door Rietje van Vliet, die vooral zijn werk als uitgever en boekverkoper bestudeerde.61
Het onderzoek naar Nederlandstalige tijdschriften in de achttiende eeuw staat nog in zijn kinderschoenen. G. J. Johannes onderzocht of tijdschriften in deze periode juist als ʻspiegelʼ of als ʻmotorʼ van de Verlichting fungeerden.62 Slechts een aantal tijdschriften zijn uitvoeriger bestudeerd. Hierbij is veel aandacht uitgegaan naar Justus van Effen en diens Hollandsche Spectator, het eerste Nederlandse spectatoriale tijdschrift. P. J. Buijnsters schreef niet alleen over Van Effen, maar was tevens de eerste die de achttiende-eeuwse spectatoriale tijdschriften te inventariseren.63 Daarnaast wordt er op dit moment door een collectief rond André Hanou en Rietje van Vliet gewerkt aan een Encyclopedie van Nederlandstalige Tijdschriften tot 1815 (ENT).64 Ten slotte is de rol van tijdschriften in de receptie van buitenlandse filosofen verkend door Marcel Wielema. In 1991 maakte hij †“ na een eerste inspanning van Th.H.M.Verbeek uit 1972 †“ een ʻChronologische lijst van de recensies van filosofische werken in achttiende-eeuwse Nederlandse tijdschriftenʼ, waar ook in deze scriptie gebruik van wordt gemaakt.

Over de receptie van buitenlandse denkers in de Republiek is vooral geschreven binnen de kaders van breder onderzoek. Israels werk is wat schaal betreft uitzonderlijk: hij toont de lezer talloze recepties van Spinozistische ideeën, met betrekking tot een hele reeks onderwerpen. Bescheidener van formaat en opzet zijn de studies van Nederlandse historici, zoals De genoegzaamheid van het natuurlijk gezond verstand (2000) van De Quay. Hierin wordt veel verwezen naar de positieve receptie van de Schotse common sense-filosofen, die kritiek uitten op de sceptische werken van denkers als Hume.65 Het boek van De Quay maakt deel uit van de reeks behorende bij het NWO-programma Nederlandse cultuur in Europese context, dat ook aan de basis stond van het boek van Kloek en Mijnhardt over het ʻijkpuntʼ 1800. Bij dit onderzoeksprogramma was als vanzelfsprekend de overdracht van ideeën uit de rest van Europa naar Nederland een belangrijk onderdeel.
Toch zijn er ook een aantal ʻpureʼ receptie-onderzoeken gedaan naar de ontvangst van buitenlandse denkers in de verlichte Republiek. Uit de inleiding van dit voorstel bleek al dat naar de Franstalige philosophes meerdere studies zijn verschenen. Walter Gobbers deed dit het eerst, én het meest uitgebreid, met zijn ʻinvloedenstudieʼ naar de receptie van Rousseau in Holland. Hij is duidelijk beïnvloed door het Franse kwantitatieve receptieonderzoek, maar gaat ook in op de inhoudelijke kanten van Rousseauʼs receptie. Uiteindelijk is de zeer voorzichtige conclusie behoorlijk teleurstellend: †œde invloed van de †œburger van Genève† op de Republiek mocht †œals uiterst miniem worden beschouwd†, en anders bleef hij †œbeperkt tot enkele uitzonderlijke en individuele gevallen†.66
In latere studies komen andere benaderingen naar voren. Een voorbeeld is het essay van Wyger Velema, over de manieren waarop Nederlandse republikeinen Montesquieu interpreteerden in het debat over de vormgeving van de staat. Velema legt de nadruk op de diverse betekenissen die de diverse deelnemers aan dit debat verbonden aan de ideeën van Montesquieu. Velemaʼs werkwijze getuigt van de invloed van Pocock, en toont de ʻcontextualistischeʼ aanpak die eerder werd beschreven. Ten slotte geeft het essay dat Joris van Eijnatten geschreven heeft over de receptie van Voltaire in de Republiek weinig meer dan een impressie van de Voltaire-receptie. Wie geïnteresseerd is in de verspreiding van de ideeën van Voltaire moet dus waarschijnlijk wachten op Israels derde boek, waarin ook over de rol van Voltaire in de Verlichting in Nederland zal worden gesproken.
Ten besluit weten we inmiddels uit de bestaande literatuur dat de ideeën van de Duitse filosofen Leibniz en Wolff door veel denkers in de Republiek goed werden ontvangen. Maar ook over de Nederlandse houding ten opzichte van enkele Duitse tijdgenoten is inmiddels iets bekend. De achttiende-eeuwse (en dus vroege) receptie van Kant is dankzij diens reputatie zelfs in meerdere keren onderzocht, met als meest recente bijdrage het artikel van Ernst-Otto Onnasch.67 Wat opmerkelijk is dat Onnasch, ondanks de beperkte reikwijdte van zijn onderzoek, hoog opgeeft over de invloed van Kant: †œHet Nederlandse Kantianisme heeft [†¦] in het sociaal-culturele leven diepe sporen achtergelaten†,68 vertelt hij in de inleiding van het artikel. Maar uiteindelijk komt Onnasch tot de conclusie dat het nogal tegenviel met de †œalgemene acceptatie van Kants filosofie†, en ook †œneemt de discussie rond de filosofie van Kant in de eerste jaren van de negentiende eeuw sterk af†.69
Of Humes filosofie een vergelijkbaar lot onderging zal nog blijken. Dit onderzoek naar de receptie van Hume komt misschien tot voorzichtiger uitspraken, maar maakt zich in ieder geval geen illusies over de invloed van Hume op het Nederlandse sociaal-culturele leven †“ en leidt hierdoor hopelijk tot minder tegenstrijdige conclusies.
2: Operationalisering
Het scriptie-onderzoek is breed van opzet en heeft een verkennend karakter. Er is gekozen voor een tweedelige opzet: één deel over de verspreiding van Humes werk in Holland, en één deel over de ontvangst ervan in Nederlandstalige tijdschriften. Het verkennend karakter komt vooral naar voren in twee case-studies, die de twee hoofdlijnen van de scriptie ondersteunen, maar vooral dienen als verkenning van de mogelijkheden voor nader onderzoek.

Onderstaande hoofdstukindeling is onder voorbehoud: van een deel van het bronnenmateriaal is nog onduidelijk hoeveel informatie het oplevert, en het is goed denkbaar dat er bij het tweede deel wordt gekozen voor een andere ordening van de gegevens, zoals een chronologische of thematische indeling.

1. Productie, distributie en consumptie
1.Humes uitgevers
2.Humes vertalers
→ item: een Hume-vertaling
3.Humes verkopers
4.Humes lezers
→ item: Hume in Haarlemse veilingcatalogi
2a. Hume in tijdschriften: recensies
1.De Treatises en Enquiries?
2.ʼWijsgeerige en staatkundige verhandelingenʼ
3.ʼHistorie van Engelandʼ
4.ʼHet leeven van David Hume, Schildknaapʼ
2b. Hume in tijdschriften: verwijzingen
1.Algemeen-culturele tijdschriften
2.Specialistische tijdschriften
3.Spectatoren

In dit hoofdstuk zal eerst de afbakening van het onderzoek worden besproken. Voor het eerste en het tweede deel zullen een aantal verschillende soorten bronnen bestudeerd worden, elk met zijn eigen conventies en mogelijke problemen voor de onderzoeker. Daarom zal in de tweede paragraaf de methodologie worden besproken voor het eerste deel, over de verspreiding: productie, distributie en consumptie van Hume. Er wordt uitgelegd om welke bronnen het gaat, hoe er met eventuele problemen wordt omgegaan, en welke vragen er aan de bronnen worden gesteld. Ook zal het gebruik van secundaire literatuur worden toegelicht, én de manier waarop de gebruikte methodologie overeenkomt met de bestaande literatuur. In de derde paragraaf zal hetzelfde worden gedaan voor het tweede deel van de scriptie, over de ontvangst (en verspreiding) van Humes ideeën in tijdschriften. Ten slotte zal de keuze voor een ʻcontextualistischeʼ, een ʻdiffusionistischeʼ of een ʻcontroversialistischeʼ benadering worden
2.1: Afbakening
Bij het bronnenonderzoek wordt getracht om de grenzen van het gewest Holland aan te houden. Deze beslissing is voornamelijk ingegeven door de noodzaak om het onderzoek in te perken. Toch is de keuze voor Holland niet helemaal willekeurig: zonder de bijdragen van andere gewesten aan het politieke en culturele leven uit te willen vlakken, valt er nauwelijks te ontkomen aan het feit dat Holland op beide terreinen een brandpunt was binnen de Republiek. Met deze reden zijn de uitgevers, boekverkopers en tijdschriften die in deze scriptie voorkomen, uitsluitend gezocht in Holland. Toch houdt het onderzoek niet helemaal op buiten de provinciegrenzen: een uitzondering wordt gemaakt voor Nederlandse Hume-lezers die toevallig ergens anders woonden, maar onmiskenbaar invloedrijk waren in het publieke leven in Holland.
Het onderzoek is bovendien toegespitst op de tweede helft van de achttiende eeuw, met 1739 als vertrekpunt. In dat jaar verscheen Humes eerste werk op de Engelse markt, en was het dus in theorie mogelijk dat Hollanders in aanraking kwamen met de ideeën van Hume. De keuze om het onderzoek de rest van de eeuw te laten bestrijken is allereerst een keuze om ruimte te bieden aan de volledige reikwijdte van Humes ideeën en het gehele spectrum tussen het bejubelen en verguizen van deze ideeën zichtbaar te maken. In de scriptie is daarom niet alleen aandacht voor de rustige beginjaren na het verschijnen van zijn latere hoofdwerk, de Treatise en de succesvolle jaren van de Essays en de History of England, ook de turbulente jaren die volgden na zijn dood komen aan bod. Zijn meest controversiële werk, de Dialogues concerning natural religion, veroorzaakte in die tijd een grote schok onder het publiek, dat Hume vooral had leren kennen als begenadigd staatkundige en historicus.
Het feit dat het publieke debat over de politieke inrichting van de Republiek juist in de laatste decennia van deze eeuw tot een hoogtepunt kwam, is een extra motivatie om deze periode mee te nemen in een onderzoek naar de Hollandse omgang met Hume. Niet alleen was de Schot een toonaangevend staatkundig denker; met zijn verlichte conservatisme bevond hij zich op de grens tussen het behouden van traditionele machtsstructuren en het benadrukken van het belang van vrijheid †“ precies de terreinen waartussen de strijd in de Republiek zich afspeelde.
De keuze om de zoektocht naar Hume-verwijzingen te staken bij de eeuwwisseling is uiteindelijk wederom een keuze om het onderzoek niet te groot te laten worden. Na 1780 groeit bovendien de belangstelling voor Kant en dan verloopt een aanzienlijk deel van de Hume-receptie via de receptie van Kant. Hoewel dit fenomeen erg interessant is, zou een volledig beeld van deze ʻKantiaanseʼ Hume-receptie teveel ruimte in beslag nemen. Zoals duidelijk werd uit het vorige hoofdstuk is over de vroege Hollandse Kant-receptie bovendien al het één en ander bekend. Het loont daarom waarschijnlijk de moeite om voor deze periode juist de nadruk te leggen op andere debatten in Holland waarin Humes ideeën ingezet werden.
Met uitzondering van enkele in het Frans geschreven brieven zullen voor dit onderzoek hoofdzakelijk Nederlandstalige bronnen worden gebruikt. Deze beslissing ligt in het verlengde van de keuze voor de tweede helft van de achttiende eeuw. Dit was namelijk de periode waarin de Verlichting in de Republiek ʻvernederlandsteʼ. Terwijl de invloed van Franstalige tijdschriften in de Republiek begon af te nemen, werd het Nederlands steeds meer gezien als dé taal om verlichte ideeën over te brengen. Net als in Schotland begonnen ook de verlichters in Holland overtuigd te raken van de noodzaak om gewone burgers te laten profiteren van de nieuwe kennis over mens en maatschappij. Met de keuze voor Nederlandse bronnen kunnen we bovendien met zekerheid zeggen dat ze ook door het Hollandse publiek werden gelezen, iets dat bij de tijdschriften van de Hugenoten nauwelijks kon worden vastgesteld.70
De keuze om het tweede deel van het receptieonderzoek, waarin de ontvangst van de Hollandse lezers aan bod komt, te beperken tot tijdschriften is veruit de meest rigoureuze afbakening van het onderzoek. In de eerste plaats omdat bij het vooronderzoek meer dan vijftig afzonderlijke bronnen van een ander type (waaronder boeken, brieven en pamfletten) zijn opgedoken waarin naar Hume wordt verwezen. Een volledige van deze bronnen zal echter onderdeel uitmaken van de uiteindelijke scriptie, om nader onderzoek te vergemakkelijken. De bronnentijdbalk op mijn werkblog zal deze bronnen bovendien wél weergeven †“ een toelichting bij deze tijdbalk volgt in het laatste hoofdstuk.
Het offer dat gebracht wordt is echter niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief: in boeken was vanzelfsprekend meer ruimte om uitgebreid in te gaan op Humes ideeën dan in tijdschriften. Onderzoek naar de receptie van complexe themaʼs als de science of man worden hierdoor aanzienlijk beperkt. Dat betekent echter niet dat er uitsluitend oppervlakkige reacties op Hume tot onze beschikking staan: in de ʻverhandelingenʼ van geleerde genootschappen wordt bijvoorbeeld wel degelijk op hoger niveau gedebatteerd. Het voordeel is bovendien dat intensiever onderzoek kan worden gedaan naar de distributie van Humes werken en de ontvangst en verspreiding van zijn ideeën in tijdschriften. Tijdschriften waren daarnaast een toegankelijker †“ want goedkoper †“ medium dan boeken, en vertolkten in toenemende mate de volksverlichtende idealen van de makers. De vraag of Humes ideeën een rol hebben gespeeld bij het verlichtende project van de tijdschriften is op zich al interessant genoeg.
Ondanks de brede opzet van deze scriptie, betekent deze afbakening dat er nog veel vragen onbeantwoord blijven over de receptie van Hume in Holland. Voor een volledig beeld van de receptie van Hume in Holland dienen als vanzelfsprekend ook verwijzingen naar Hume in boeken, brieven en pamfletten te worden onderzocht. Een onderzoek naar de omgang met Humes ideeën in latere periodes, en dan met name de vroege negentiende eeuw, zou eveneens veel nieuwe inzichten kunnen verschaffen. De belangstelling voor Hume vanuit de Kantiaanse kring †“ in dit onderzoek nauwelijks behandeld †“ kan dan bijvoorbeeld wél volledig in kaart gebracht worden.
2.3: Methodologie I: (re)productie, distributie en consumptie
In de ideeëngeschiedenis is er steeds meer aandacht voor de praktijk van het schrijven en, minstens zo belangrijk wanneer we bezig zijn met receptieonderzoek, de praktijk van het lezen. Historici beperkten zich voorheen meestal tot een beschrijving van de politieke situatie, wanneer iets moest worden gezegd over de context waarin een boek werd geschreven of gelezen. De boekgeschiedenis en de geschiedenis van het lezen helpen de ideeënhistoricus door de processen rondom de productie, distributie en consumptie van cultuur (zoals Wijnand Mijnhardt het eens noemde) inzichtelijk te maken.
In hoofdstuk 1 wordt daarom getracht een antwoord te vinden op een aantal vragen over de (re)productie en distributie en consumptie van Humes werk. Hoe kwamen deze in de Republiek terecht en in welke vorm waren ze beschikbaar voor de Hollandse lezer? Welke rol speelden vertalers in de receptie van Humes ideeën? Hadden Humes werken te maken met censuur? En bij wie kwamen de werken terecht?
Het beantwoorden van deze vragen is echter , wat bronnen betreft, zeer problematisch. In de beginfase van het onderzoek was het hoofddoel van de scriptie om het netwerk van betrokken correspondenten, uitgevers, vertalers en boekverkopers met Darntonesque precisie bloot te leggen. Een dergelijke microscopische benadering bleek echter moeilijker dan gedacht: van veel boekhandelaren en uitgevers is namelijk zeer beperkt archiefmateriaal bewaard gebleven. Het archief van de firma Enschedé in Haarlem, en het Luchtmans-archief (met een haast volledige bedrijfsboekhouding op ruim 800 microfiches) zijn uitzonderlijk. Door de schaarste aan bronnen is een gericht onderzoek naar de distributie van de werken van één auteur erg moeilijk. Om toch stap voor stap te reconstrueren hoe Humes boeken werden geïntroduceerd op de Hollandse markt, wordt in dit hoofdstuk informatie uit de in Holland gedrukte Hume-uitgaven, veilingcatalogi, advertenties en brieven gecombineerd met informatie uit de reeds beschikbare secundaire literatuur..

Een belangrijke schakel in de keten tussen auteur en lezer is de uitgever, wiens sturende kracht in de verspreiding van ideeën relatief laat is ontdekt. De rol van de uitgever komt naar voren in The Enlightenment & the book van Richard B. Sher, over de totstandkoming en verspreiding van de publicaties van Schotse auteurs. Hierin laat Sher zien hoe ingewikkeld het achttiende-eeuwse uitgeversvak was, en toont hij de soms moeizame wisselwerking tussen de filosoof en zijn uitgever.71 Deze had soms grote invloed op de vorm waarin de ideeën bij de lezer terechtkwamen. Hume beklaagde zich bij zijn uitgever over de †œabominabele† eerste editie van de History of England, en over het feit dat er zo veel exemplaren waren gedrukt.72 De wijzigingen die hij wilde aanbrengen, konden namelijk pas bij een volgende druk geplaatst worden.
Het eerste deel onderzoekt dan ook de wijze waarop Humes uitgevers in Holland zijn boeken op de markt probeerden te zetten. Hierover is al het één en ander bekend, dankzij de correspondentie die Hume heeft achtergelaten. Veel informatie zal echter ook uit secundaire literatuur komen: belangrijke boeken waarin het netwerk van Hume wordt beschreven, zijn het al genoemde The Enlightenment & the book van Sher en Mossners biografie The life of David Hume. Informatie over de Hollandse uitgevers van Humes werk wordt voornamelijk gezocht in hun Hume-uitgaven zelf. Niet alleen zal naar de uiterlijke kenmerken van het boek worden gekeken, maar ook naar het voorwerk. Vaak werd een (vertaalde) uitgave voorafgegaan door een voorwoord, geschreven door de vertaler of de uitgever zelf. Ten slotte zal aan de hand van bestaande literatuur over censuur in de Republiek worden bepaald of er in Holland maatregelen zijn getroffen om de verspreiding van Humes werk tegen te gaan. Hierbij moet worden gedacht aan de boekenlijsten van Knuttel, en het recentere werk van T. Jongenelen over de censuur in Amsterdam.73

In het tweede deel zal de totstandkoming van de vertalingen van Humes werken aan bod komen. Deze vormen vaak het vertrekpunt voor receptieonderzoek: Gobbers deed dit voor Rousseau en Gawlick en Kreimendahl deden dit voor Hume in Duitsland. De bijdrage over van Emilio Mazza in Peter Jonesʼ bundel gaat zelfs uitsluitend over de beschikbare Italiaanse Hume-vertalingen.74 Eén vraag die gesteld kan worden is of Humes werken direct †œuit het Engelsch† weden vertaald, of dat er wellicht werd uitgegaan van een Franse of Duitse vertaling als brontekst? Er zal onder andere worden gekeken naar de opmerkingen van uitgevers en vertalers over de vertaling zelf, die soms in het voorwerk te vinden waren. Een ander fenomeen dat kan worden onderzocht is de gewoonte van sommige vertalers om de tekst van commentaar te voorzien in de vorm van noten. De correspondentie van Hume over vertalingen van zijn werk moet daarnaast een beeld geven van de zoektocht naar de juiste vertaler.
In de hieraan verbonden case-study wordt er dieper op het vertaalproces ingegaan dan gebruikelijk is bij receptieonderzoek: de vertaling van één essay van Hume wordt naast het origineel gelegd en nauwkeurig bestudeerd. Dit kan ons een aanwijzing geven over de vertaalbaarheid van Humes werken en een indruk te geven van de interpretatieve rol van Humes vertalers bij de verspreiding van zijn ideeën. Geïnspireerd door het werk van Fania Oz-Salzberger werd eerst beoogd om in deze scriptie tevens dieper in te gaan op de interpretatie van de door Hume gebruikte (maar lang niet altijd duidelijk gedefinieerde) concepten door vertalers. Oz-Salzberger, die met zich met haar aanpak op het ingewikkelde terrein van de cultuurtransfertheorie begeeft. Deze benadering vergt echter een intensieve bestudering van de diverse teksten en hun context †“ intensiever dan in de voor dit onderzoek gegeven tijd haalbaar is.

Met de gegevens uit intekenlijsten als uitgangspunt kan in het derde deel de rol van Humes boekverkopers worden beschreven. Intekenlijsten waren een belangrijk instrument van uitgevers om zichzelf te verzekeren van een bepaalde afzet bij relatief dure †“ en dus risicovolle †“ producties. Op een intekenlijst stonden de namen van personen vastgelegd die één of meerdere boeken zouden afnemen zodra het gereed was. Enig prestige kwam hierbij ook om de hoek kijken: de lijst met intekenaren werd ook opgenomen in het boek. Behalve de naam werd vaak ook het aantal exemplaren en soms zelfs het beroep van de intekenaren erbij vermeld. Aan de hand hiervan kunnen we afleiden of er boekverkopers op de lijst stonden, en een schatting maken van de aantallen boeken die bedoeld waren voor de verkoop. Het eerste deel van de Nederlandse vertaling van de History of England heeft een dergelijke intekenlijst; onduidelijk is nog of de intekenaren hiermee ook een toezegging deden voor de aanschaf volgende delen. Dit is echter eenvoudig te achterhalen door ook de andere delen van de Historie van Engeland open te slaan..
Zo kunnen we de veilingcatalogi van een aantal van de verkopers bestuderen, waarvan we weten dat ze Hume verkochten. Voor een duidelijker beeld van het soort boekhandelaar dat de werken van Hume verkocht zal ook de secundaire literatuur worden gebruikt. Van tenminste twee boekverkopers naar wie inmiddels onderzoek is verricht, weten we dat ze Hume in hun catalogus hadden. Over Hendrik Beman schreef Angélique de Meijer een artikel in de bundel Rotterdam bibliopolis (1997) en over het bedrijf van de familie Blussé schreef Arianne Baggerman het boek Een lot uit de loterij.75

In de laatste paragraaf zal een eerste poging worden gedaan om erachter te komen wie Humes lezers waren. Hiervoor zal wederom gebruik gemaakt worden van de intekenlijsten, waarop immers ook individuele kopers met hun naam én beroep te vinden waren. Voor de vertalingen van Humes essays beschikken we echter niet over dergelijke gegevens. De beschikbare secundaire literatuur over prominente Hollanders uit die periode zal daarnaast worden onderzocht om een overzicht van bekende Hume-lezers op te kunnen stellen. Over hun literaire voorkeur valt in enkele gevallen ook iets te zeggen, wanneer er informatie is overgebleven over hun persoonlijke boekenbezit. Dit is bijvoorbeeld het geval bij Elizabeth Wolff en Aagje Deken.76
Naar aanleiding van de gevonden verwijzingen naar leesgenootschappen op de intekenlijsten, zal ook kort ingegaan worden op de rol van gezelschappen in de verspreiding van Humes ideeën. Hiervoor worden bibliotheekcatologi van Felix Meritis (Amsterdam), Het Bataafsch Genootschap (Rotterdam) en de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (Leiden) bestudeerd. Van de Hollandsche Maatschappij der Weetenschappen en het Teylers Genootschap in Haarlem is geïnventariseerd of Humes ideeën een rol speelden bij de prijsvragen die zij uitschreven.
De bijbehorende case-study is een verkenning van de bijdrage die kwantitatief onderzoek naar boekveilingen kan leveren aan receptieonderzoek. Boekveilingen speelden een belangrijke rol in de circulatie van boeken in de achttiende eeuw. Vaak kreeg een boekverkoper de opdracht om de collectie van een overledene te veilen, of besloot hij zelf om zijn restanten op deze manier kwijt te raken. Dan stelde hij een catalogus op, zodat potentiële kopers alvast konden zien of er iets van hun gading bijzat. Het mooie van de veilingcatalogi als bron voor onderzoek is dat er relatief veel catalogi bewaard zijn gebleven. Het project Book sales catalogues of the Dutch Republic is het resultaat van een jarenlange inspanning om al deze catalogi op te speuren en te indexeren.77 De index zelf is inmiddels digitaal te doorzoeken op basis van gegevens over jaar, plaats en organisator van de veiling. Voor inzicht in de afzonderlijke titels in de catalogi moeten de microfiches worden bestudeerd.
Een onderzoek naar de aanwezigheid van werken van één auteur in persoonlijke bibliotheken †“ zoals Walter Gobbers deed voor zijn onderzoek naar de receptie van Rousseau in Holland en Marc G. Spencer voor de receptie van Hume in Amerika †“ is enorm arbeidsintensief. Gobbers bestudeerde destijds, uiteraard zonder digitale hulpmiddelen, 396 catalogi.78 Sinds 1954 is het aantal beschikbare catalogi bovendien aanzienlijk gegroeid, dankzij het Book sales catalogues-project. Een inventarisatie voor deze scriptie van de veilingen in de belangrijkste boekensteden van Holland leverde alleen al voor het decennium direct na de publicatie van de Treatise al 192 veilingcatalogi op (voor Amsterdam 77, voor Den Haag 88, en voor Leiden 37). Wie het Hume-bezit in Holland in kaart wil brengen heeft dus voldoende materiaal tot zijn of haar beschikking †“ met als kanttekening dat we het nog altijd hebben over boekenverzamelingen van een ongebruikelijke omvang. De gemiddelde lezer krijgen we met deze gegevens niet in beeld, maar wel het soort publiek voor wie dure uitgaven als de Historie van Engeland bedoeld was. In deze case-study wordt een inventarisatie gemaakt van de boekveilingen in Haarlem, om te onderzoeken of er ook sporen van Humes werken terug te vinden zijn buiten de grote boekensteden.
2.4: Methodologie II: receptie
In hoofdstuk 2a wordt gekeken naar aankondigingen en besprekingen van Humes werken in enkele achttiende-eeuwse tijdschriften. Het bestuderen van recensies is waarschijnlijk de meest voor de hand liggende methode om te achterhalen hoe er werd gereageerd op de werken van een auteur. In deze scriptie zal in de eerste plaats worden onderzocht wélke werken van Hume werden besproken, en wat de inhoud was van deze besprekingen. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat bepaalde werken niet zijn besproken, is het wellicht mogelijk enkele hypotheses op te stellen over de reden dat dit niet is gebeurd.
De belangrijkste bron is één van de succesvolste algemeen-culturele tijdschriften uit die tijd, de Vaderlandsche Letter-oefeningen. De besprekingen in de Letter-oefeningen waren indertijd vaak niet meer dan uittreksels, waarbij de auteur geheel naar wens de inhoud en citaten aanpaste aan de eigen agenda. Toch kunnen we uit de gemaakte selecties wel afleiden in hoeverre de nieuwe tekst in het referentiekader van de auteur paste, en kan er tussen de regels door vaak wel degelijk inhoudelijk commentaar worden ontdekt. Deze oppervlakkige beschouwingen waren bovendien voor de meeste lezers (die het zich doorgaans niet konden veroorloven om zomaar een boek te kopen) dé manier om in contact te komen met nieuwe ideeën; een onderzoek naar de ontvangst van Humes werk kan dan ook niet om dit type artikelen heen.
Daarnaast zal worden gekeken naar recensies van Humes werk in andere publicaties, geleerdentijdschriften. Hier zal Wielemaʼs chronologische lijst van recensies van filosofische werken worden gebruikt en, waar nodig, worden aangevuld. Het gaat om titels als Boekzaal der geleerde Waerelt en de Republyk der geleerden ,die net als de Vaderlandsche Letter-oefeningen een lange looptijd hadden. Het feit dat het hierbij om zogenoemde geleerdentijdschriften gaat, zegt overigens nog weinig over de kwaliteit van de geplaatste boekbesprekingen. Wel waren er andere lezersverwachtingen. De lezers van de Letter-oefeningen verwachtten in hoofdzakelijk licht verteerbaar proza. Het publiek van de Boekzaal hoopte op een aangename manier kennis te maken met nieuwtjes uit de geleerde wereld. We mogen dus verwachten dat de reacties in deze ʻgeleerdeʼ titels meer bepaald worden door de inhoud van het werk zelf, in plaats van door de auteur. In een Duits tijdschrift met een soortgelijke opzet, de Göttinger Zeitungen von gelehrten Sachen (enkele naamswijzigingen later de Göttingische Anzeigen geheten), verschenen tot 1800 ruim zestig recensies van Humes werken.79 Göttingen was één van de belangrijkste intellectuele centra van Europa, en het zou bijzonder zijn om te weten in hoeverre de belangstelling van een tijdschrift uit de Republiek hiermee overeenkwam.
De langlopende tijdschriften in dit deel zijn ook wat betreft hun bereik interessant. Van de Vaderlandsche Letter-oefeningen en de Boekzaal der geleerde Waerelt mogen we bijvoorbeeld aannemen dat ze konden rekenen op een grote groep vaste lezers †“ in elk geval groot genoeg om de tijdschriften tientallen jaren in leven te houden, wat een behoorlijke prestatie was in die tijd.

In hoofdstuk 2b worden andere reacties op Hume in tijdschriften behandeld. Hierbij zal in de eerste plaats worden gekeken naar de context waarin Hume door de verschillende auteurs wordt genoemd. Hierna kan worden geprobeerd om een inschatting te maken van de doeleinden waarmee dat gebeurde. Daarnaast is het wellicht mogelijk om een vergelijking te maken tussen de verschillende genres. Zo zal er in specialistische tijdschriften mogelijk worden verwezen naar specifieke werken van Hume, en zal Hume bij spectatoren mogelijk vooral om om zijn ideeën over moraliteit worden beoordeeld. Omdat de bestudeerde tijdschriften de volledige tweede helft van de achttiende eeuw bestrijken, kan ten slotte hopelijk iets gezegd worden over de ontwikkeling in de reacties op Hume. Waren er wellicht periodes waarin er beduidend meer naar Hume werd verwezen dan eerder? En is deze ontwikkeling te verklaren?
Behalve de tijdschriften uit het vorige hoofdstuk †“ die niet uitsluitend boekbesprekingen plaatsten †“ zullen ook andere bladen worden bestudeerd. Het is mogelijk een onderscheid te maken tussen algemeen-culturele bladen en gespecialiseerde bladen. In de eerste paragraaf zullen bladen uit de eerste categorie aan bod komen. Behalve de resterende Vaderlandsche Letter-oefeningen moet hierbij worden gedacht aan De algemene konst- en letterbode en het Algemeen magazyn van wetenschap, konst en smaak. G. J. Johannes heeft aangetoond dat er voor de tweede categorie tijdschriften nog nauwelijks een markt was. Veel gespecialiseerde bladen, zoals natuurwetenschap of over de filosofie, zagen zich al snel genoodzaakt om ook populairder onderwerpen te behandelen.80 Het is de vraag of deze ontwikkeling van invloed is geweest op de verspreiding van de ideeën van Hume, die behalve theoretische ook toegankelijke literatuur hebben geschreven. Een uitzondering op deze ontwikkeling wordt misschien wel gevormd door de bladen die werden uitgegeven door de wetenschappelijke genootschappen. De genootschappen waren namelijk in financieel opzicht niet afhankelijk van de verkoop van hun eigen tijdschrift.
Een bijzondere plaats wordt ingenomen door de spectatoriale geschriften. Dit genre was in de eerste helft van de achttiende eeuw overgewaaid uit Engeland, en met name in de tweede helft van diezelfde eeuw zouden tientallen verschillende titels verschijnen in de Republiek. De eerder genoemde obsessie van de achttiende-eeuwse denkers met het verval van de Republiek vormde een belangrijke drijfveer: de ʻzedenmeestersʼ van de Republiek gingen het verval te lijf door zich op te werpen als de hoeders van de publieke moraal. Met behulp van gefingeerde briefschrijvers werden de lezers herinnerd aan de normen en waarden van de Republiek. Een steekproef, waarbij de nadruk ligt op spectatoren met een ʻgeleerdeʼ uitstraling, zal moeten uitwijzen of deze ʻzedenmeestersʼ van Holland hierbij ook oog hadden voor de teksten van Hume.
Waar van de spectatoren grotendeels is achterhaald wie er precies schuilde achter aliassen als De Denker, De Philosooph, De Koopman of De Hollandsche Wijsgeer, is de identiteit van de schrijvers van reguliere tijdschriften onbekend.81 Onderzoek naar de achtergrond van deze teksten is hierdoor beperkt mogelijk. Bij de meeste korte verwijzingen zal de houding van de auteurs ten opzichte van Hume en zijn ideeën echter belangrijker zijn. Pas op het moment dat de auteurs dieper ingaan op de inhoud van Humes werk, wordt het de moeite waard om uit te vinden met wie we precies te maken hebben. Het speurwerk dat door andere historici is verricht zal hierbij goed van pas komen.
Als er sprake is van een positieve verwijzing, wordt dan duidelijk gemaakt welke specifieke aspecten van Humes werk waardering verdienen? En omgekeerd: is de kritiek bij negatieve verwijzingen gericht op een bepaald aspect van Humes ideeën? Wyger Velema heeft laten zien dat er bij het beoordelen van directe verwijzingen op een aantal verraderlijke patronen moet worden gelet.82 Allereerst zijn dat rijtjes van namen van bekende denkers, die regelmatig opduiken in tijdschriftartikelen, boeken en brieven. Soms was dit voor de auteur namelijk niet veel meer dan een middel om blijk te geven van zijn (of haar) eigen belezenheid. Soms was deze ʻbelezenheidʼ bluf. De ʻcontextʼ waarin Hume werd genoemd, is in die gevallen gereduceerd tot een literaire kaartenbak van Grote Namen, waaruit naar hartenlust kon worden gegrabbeld. Hoewel ze ons over de inhoudelijke receptie van Hume niets kunnen vertellen, zeggen deze rijtjes iets over de reputatie van Hume, omdat er patronen zijn te herkennen in de opsommingen van zowel bewonderde als verafschuwde denkers. Er waren namen die ʻbij elkaar hoordenʼ, vanwege hun geboorteland, hun schrijfstijl of hun houding ten opzichte van godsdienstige onderwerpen. De diverse categorieën waarin Hume wordt ingedeeld door auteurs vormen een belangrijk deel van zijn receptie, omdat ze het enige houvast vormden voor lezers (en, zoals gezegd, voor sommige schrijvers) die niet zélf met Humes werk in aanraking waren gekomen.
Ten tweede waarschuwt Velema voor de ʻritueleʼ lovende woorden die auteurs gebruiken, wanneer ze verwijzen naar Grote Namen.83 Over het algemeen bestond er in de Republiek der Letteren een neiging om waarde-oordelen zo dik mogelijk aan te zetten. Ook Hume was daar bijzonder bedreven in, getuige deze observatie over Holland in een reisverslag:
†œ..as the Snows were then melted, after the most violent Frost in the World, we discoverʼd Holland in all its native Deformity. Nothing can be more disagreeable than that heap of Dirt & Mud & Ditches & Reeds, which they here call a Country†¦†84
We moeten rekening houden met deze literaire overdrijvingen. Ook bij Nederlandse auteurs was het goed gebruik om denkers de hemel in te prijzen of hun afkeuring uitvoerig te laten blijken. Het is goed om hier constant bewust van te zijn, wanneer we de beoordelingen van Humes werk op juiste waarde willen schatten.

Hoe dan te werk te gaan bij het interpreteren van de reacties van Hume in de diverse tijdschriften? Hoe verhoudt deze scriptie zich op methodologisch vlak tot andere werken in de receptiegeschiedenis, en tot de verschillende benaderingen van de ideeëngeschiedenis in het algemeen?
Géén van de in deze scriptie behandelde aspecten is echt nieuw in de historiografie over de Hume-receptie: In Mark G. Spencers veelomvattende studie werden al een groot aantal boekhistorische bronnen ingezet. Zijn brede aanpak komt overeen met de door Darnton geformuleerde tussenoplossing voor de sociale ideeëngeschiedenis:
†œthe social history of ideas is searching for a methodology. It will probably fall back on ad hoc combinations of Cassirer and Mornet until it develops a discipline of its own. If those two masters cannot yet be brought together in a new definition of the Enlightenment, they cannot be left alone. And seen through the work of their successors, their achievement looms larger than ever†85
Deze scriptie moet ook worden gezien als een dergelijke ʻad hocʼ combinatie. Tijdens het onderzoek wordt, waar mogelijk, gehoor gegeven aan de cultuurhistorische aanbevelingen (zoals uitgesproken door Darnton uit het vorige hoofdstuk) over het beschouwen van het boek als medium voor expressie, het lezen als interpretatieve bezigheid, en het drukken van een boek als een antwoord op de vraag van het lezend publiek.
Eerder bleek al dat een Dartonesque reconstructie van het traject tussen Humeʼs uitgevers in Groot-Brittannië en de leestafels de Hollandse Hume-lezers niet mogelijk was. Het zou fantastisch zijn om te onderzoeken of er na het Haarlemse verbod op Hume in 1789 een clandestiene Hume-handel op gang komt, maar het is de vraag of de bronnen dit toelaten. Bovendien is er nog zoveel onbekend over de ʻofficiëleʼ Hume-receptie, dat het redelijk lijkt om eerst dá¡á¡r aandacht aan te besteden. Daarnaast wordt er in deze scriptie wél geprobeerd om een aantal ʻtussenstationsʼ op het publicatie- en distributietraject uit te lichten. Alvorens in te gaan op de reacties in tijdschriften is er dus aandacht voor de praktijk van het uitgeven, het vertalen, het verkopen en het verzamelen van boeken. Al deze praktijken hebben invloed gehad op de ontvangst en interpretatie van Humes werken.
Voor een begrip van deze ontvangst en interpretatie is als vanzelfsprekend ook het ideeënhistorische deel van belang. Hoewel de tijdschriften een relatief groot publiek aanspraken, is er in deze scriptie van een échte ʻsocial history of ideasʼ geen sprake. Dat neemt echter niet weg dat de reacties op Hume in tijdschriften het bestuderen waard zijn †“ alleen al om het feit dat er nog zo weinig onderzoek gedaan is naar de tijdschriften in de late achttiende eeuw.
Bij het bestuderen van de reacties op Hume zal daarnaast geen volwaardige discours-analyse mogelijk zijn, omdat daarvoor te weinig andere relevante bronnen zijn bestudeerd. Wel is het, gebruikmakend van de bronnen én de secundaire literatuur, mogelijk om de reacties te voorzien van een context. Dankzij het eerste hoofdstuk weten we hoe Humes werken tot stand zijn gekomen, en deze informatie kan een rol spelen bij het verklaren van de reacties op Hume. Met behulp van secundaire literatuur kan bovendien de sociaal-culturele en politieke achtergrond, waartegen de Hume-receptie zich afspeelde, worden geschetst. Hieronder kunnen we eigentijdse debatten over allerlei themaʼs verstaan, maar ook de door Israel zo belangrijk geachte controverses. Of hij op politiek vlak nu behoudend was of niet, Humes werk was zo veelzijdig dat al vanaf het begin de meningen erover sterk uiteenliepen. Nu de receptie van Hume al voor heel Europa grotendeels is uitgezocht, is het de hoogste tijd dat deze uiteenlopende reacties ook voor Holland in kaart worden gebracht. Dit biedt bovendien de kans om de mogelijkheden voor de integratie van boekgeschiedenis en ideeëngeschiedenis in receptieonderzoek als ʻvak apartʼ verder te onderzoeken.
3: Voorlopige resultaten
Voor een overzicht van de voorlopige resultaten van het huidige onderzoek kan worden gekeken op het online ʻwerkblogʼ en de interactieve bronnentijdbalk. Hoewel deze twee digitale bronnen op dit moment vooral bestaan uit een groot aantal ruwe aantekeningen, bieden ze een up-to-date inzicht in de voortgang van het onderzoek.
De twee websites zijn afzonderlijk te bereiken via:
http://http://hume.doesntexist.org/ †“ voor het werkblog
http://http://hume.doesntexist.org/tijdbalk/tijdbalk.html †“ voor de bronnentijdbalk
3.1: Een werkblog
Tijdens de lange opstartfase van deze scriptie is besloten om alle aantekeningen, gemaakt bij het bestuderen van bronnen en literatuur, te verwerken in een werkblog. Dit maakte het mogelijk deze aantekeningen om op elk moment, vanaf elke locatie (met een internetaansluiting) op te zoeken of aan te vullen. De mogelijkheden van het werkblog gaan echter verder. Door middel van categorieën en zogeheten tags kunnen de aantekeningen geordend worden. Mits het taggen op een consequente manier gebeurt, bundelt een tag als ʻVertalingenʼ bijvoorbeeld alle aantekeningen die relevant zijn voor het beschrijven van de totstandkoming van de vertalingen van Humes werk. Omdat alle aantekeningen volledig opgenomen zijn in een database, is het ook mogelijk om met behulp van zoekwoorden relevante informatie te vinden. Dit voorkomt dat er eindeloos hoeft te worden gebladerd voor één bepaalde aantekening. Ook het plaatsen van links naar internet-bronnen en het plaatsen van afbeeldingen (bijvoorbeeld van gefotografeerde bronnen) vergemakkelijkt het onderzoek.
3.2: Een tijdbalk
De experimentele bronnentijdbalk toont twee geschiedenissen boven elkaar: de publicatiegeschiedenis en de receptiegeschiedenis van Hume in Holland. Het eerste deel is momenteel gebaseerd op alle verschillende Hume-edities die te vinden zijn in Nederlandse bibliotheken. Hierin zijn, naast de originele Engelstalige publicaties en de Nederlandse vertalingen, ook Franse en Duitse vertalingen opgenomen. Het tweede deel, waarin de receptiegeschiedenis wordt weergegeven toont de diverse bronnen waarin wordt verwezen naar Hume. Momenteel worden alleen de bronnen die gevonden zijn via Google Books, en via e-Laborate (voor de verwijzingen in Vaderlandsche letter-oefeningen) weergegeven. Vooral de titels en beschrijvingen van de Letter-oefeningen zijn nog onvolledig. Toch geeft de balk een mooie indruk van de chronologie van de nuggets van het huidige onderzoek †“ een term die door Adam Potkay werd gebruikt om de ʻgoudenʼ vondsten van Marc G. Spencer, in zijn zoektocht naar Hume-verwijzingen in vroege Amerikaanse bronnen.86 Om de inhoud van de tijdbalk dynamisch te maken, wordt er gewerkt aan een manier om on-line ontbrekende informatie toe te voegen. Uiteindelijk zou het dan dus mogelijk zijn voor buitenstaanders om hun eigen nuggets ook toe te voegen, iets dat tot op heden nauwelijks mogelijk is in de receptiegeschiedenis.87
Bijlage: voorlopige literatuurlijst
De verdeling hieronder is natuurlijk enigszins geforceerd: een boekhistorisch werk over de achttiende eeuw zegt natuurlijk ook iets over de Verlichting, en literatuur over de receptie van Hume is bij uitstek geschikt om inzicht te geven in boekhistorische aspecten hiervan, zoals blijkt uit de bundel van Peter Jones.

BMGN †“ Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden (1969-heden).
JNB †“ Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis (1994-heden).

Hume en de Schotse Verlichting
Broadie, Alexander ed., The Cambridge companion to the Scottish Enlightenment (Cambridge 2003).
Forbes, Duncan, Humeʼs philosophical politics (Cambridge: Cambridge University Press 1975).
Hall, Roland, Fifty years of Hume scholarship (Edinburgh 1978).
Holthoon, Frederic L. van, ʻHume and the 1763 edition of his History of England: His frame of mind as a revisionistʼ, Hume studies 23 (1997), 133-152.
Jessop, T.E., ʻThe misunderstood Humeʼ, in: William B. Todd ed., Hume and the Enlightenment: essays presented to Ernest Campbell Mossner (Edinburgh 1974), 1-13.
Mossner, E. C., The life of David Hume (Edinburgh, Thomas Nelson and Sons Ltd. 1954).
Norton, David Fate en Richard H. Popkin ed.,
Phillipson, Nicholas, Hume (Londen: Weidenfeld & Nicolson 1989).
Robertson, John, The case for the Enlightenment: Scotland and Naples 1680-1760 (Cambridge 2005).
Schmidt, Claudia M., David Hume: Reason in history (University Park, Pennsylvania: The Pennsylvania University Press 2003).
Stewart., M. A. en John P. Wright, Hume and Humeʼs connexions (Edinburgh: Edinburgh University Press 1994).
Wootton, David, ʻDavid Hume, †œthe historian†ʼ in: David Fate Norton ed., The Cambridge companion to David Hume (Cambridge: Cambridge University Press 1993), 281 †“ 312.

Receptiegeschiedenis: Hume
Bongie, Laurence L., David Hume: prophet of the Counter-revolution (2e druk; Indianapolis 2000, eerste druk 1965), geraadpleegd via: http://files.libertyfund.org/files/673/Bongie_0101_EBk_v4.pdf.
Brandt, Reinhard en Heiner F. Klemme, David Hume in Deutschland: Literatur zur Hume-Rezeption in Marburger Bibliotheken (Marburg 1989).
Fieser, James, Early responses to Hume (10 delen, Bristol 2005; afzonderlijke delen verschenen tussen 1999 en 2005).
Fresco, M. F., ʻHemsterhuis tussen Leibniz en Hume: of het probleem van de natuurlijke religieʼ, De geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland 5 (1994), 121-138.
Gawlick, Gunter en Lothar Kreimendahl, Hume in der deutschen Aufklarung (Stuttgart 1987).
Jessop, ʻThe Misunderstood Humeʼ, in: William B. Todd, ed., Hume and the Enlightenment: essays presented to Ernest Campbell Mossner (Edinburgh 1974), 1-13.
Jones, P. ed., The reception of David Hume in Europe (Londen 2005).
Kuehn, Manfred, ʻHume in the Göttingische Anzeigenʼ, Hume Studies 13 (1987), 46-73.
Mossner, Ernest C., ʻThe Continental Reception of Humeʼs Treatise, 1739-1741ʼ, Mind, New Series 56 (1947), 221, 31-43.
Popkin, R. H., ʻHume & Isaac de Pinto, II: five new lettersʼ, in: William B. Todd ed., Hume and the Enlightenment: essays presented to Ernest Campbell Mossner (Edinburgh 1974).
Popkin, R. H., ʻHume & Isaac de Pinto, IIʼ, Literature and language 12 (1971), 417-430.
Popkin, R. H., ʻIsaac de Pintoʼs criticism of Mandeville and Hume on Luxuryʼ, Studies on Voltaire and the Enlightenment 154; (1976), 1705-1714.
Spencer, Marc G., Humeʼs reception in early America (2 delen, Bristol 2002).
Spencer, Marc G., David Hume and Eighteenth-Century America (Rochester,NY 2005).

Receptiegeschiedenis: overige onderwerpen
Bots, J.A., ed., Circulation and reception of periodicals in the French language during the 17th and 18th centuries. Proceedings of the international congress, Nijmegen, June 3-5 (Amsterdam en Maarssen 1988).
Darnton, Robert, ʻDiscourse and diffusionʼ, Contributions 1 (2005) 1, 21-28.
Dijkstra-van Bakelen, R., ʻDe veilingcatalogus van maart 1789 van Betje Wolff en Aagje Dekenʼ, Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, 34/35 (1977), 123-148.
Eijnatten, Joris van, ʻVan opruier tot icoon. Het Nederlandse Voltaire-beeld in de 18de en 19de eeuwʼ, in: Jan Pieter van der Sterre ed., Voltaire en de Republiek. Teksten van Voltaire over Holland en Hollanders (Amsterdam en Antwerpen 2005), 455-464.
Gemert, Lia van, ʻDe verlichte lezer.ʼ In: W. de Moor en B. Vanheste ed., De lezer in ogenschouw. Een caleidoscoop van het lezen. (Den Haag 1999), 31-55, geraadpleegd via: http://www.dbnl.org/tekst/geme003verl01_01/.
Gobbers, W., Jean Jacques Rousseau in Holland. Een onderzoek naar de mens en het werk (ca 1760-ca1810) (Gent 1963).
Groenveld, S., ʻHet Mekka der schrijvers? Statencolleges en censuur in de zeventiende-eeuwse republiekʼ in: H. Duits e.a., ed., Eer is het Lof des Deuchts. Opstellen over renaissance en classicisme aangeboden aan Dr. Fokke Veenstra (Amsterdam 1986), 63-86.
Huussen jr., A.H., ʻFreedom of the press and censorship in the Netherlands, 1780-1810ʼ, in: A.C. Duke, Too mighty to be free. Censorship and the press in Britain and the Netherlands (Zutphen 1987).
Jongenelen, T., Van smaad tot erger. Amsterdamse boekverboden (Amsterdam 1998).
Kloek, J.J., ʻVielen de juffrouwen van ʻerzelven? Of: is receptiegeschiedenis mogelijk?ʼ in: R.T. Segers ed., Receptie-esthetika. Grondslagen, theorie en toepassing (Amsterdam 1980), 87-107, geraadpleegd via: http://www.dbnl.org/tekst/kloe003viel01_01/.
Kloek, J.J., Over Werther geschreven… Nederlandse reacties op Goetheʼs ʻWertherʼ1775-1800. Proeve van een historisch receptie-onderzoek (2 delen, Utrecht 1985).
Knuttel, W.P.C., Verboden boeken in de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Beredeneerde catalogus (Den Haag 1914).
Kuehn, Manfred, Scottish common sense in Germany, 1768-1800: a contribution to the history of critical philosophy (Kingston 1987).
Onnasch, Ernst-Otto, ʻReceptieonderzoek: de eerste receptie van Kants ilosofie in Nederlandʼ, Tijdschrift voor filosofie 68 (2006), 133-156.
Oz-Salzberger, Fania, Translating the Enlightenment: Scottish civic discourse in eighteenth-century Germany (Oxford 1995).
Skinner, Quentin, ʻOn intellectual history and the history of booksʼ, Contributions 1 (2005) 1, 29-36.
Thompson, Martyn P. , ʻReception theory and the interpretation of historical meaningʼ, History and theory, 32 (1993) 3, 248-272.
Velema, Wyger R.E., ʻRepublican readings of Montesquieu: the Esprit des Lois in the Dutch Republic ʻ, in: idem, Republicans (2007), 93-114.
Verbeek, Th.H.M., ʻVoorlopige bibliografie van 18e-eeuwse vertalingen in het Nederlands van wijgerige werkenʼ, in: Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, 22 (1972), 3-40.
Weekhout, I., Boekencensuur in de Noordelijke Nederlanden. De vrijheid van drukpers in de zeventiende eeuw (Den Haag 1998)
M.R. Wielema, ʻDie erste niederlá¤ndische Kant-Rezeption 1786-1850ʼ, Kant-Studien 79 (1988), 450-466.
Wielema, M., ʻChronologische lijst van recensies van filosofische werken in achttiende-eeuwse Nederlandse tijdschriftenʼ, in: Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland, 2 (1991), 181-212.

Boekgeschiedenis
Baggerman, Arianne, Een lot uit de loterij. Familiebelangen en uitgeverspolitiek in de Dordtse firma A. Blusse en Zoon 1745-1823 (Den Haag 2000).
Barber, G., ʻAspects of the book trade between England and the Low Countries in the eighteenth centuryʼ, Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw 34/35 (1977), 47-63.
Beek, J.E.F. ter, Bibliografie van gedrukte catalogi betrekking hebbend op het bezit van de Universiteitsbibliotheek te Leiden en de daarin opgenomen bruiklenen (Leiden 1989).
Berckvens-Stevelinck, C., ʻLʼédition franá§aise en Hollandeʼ in: R. Chartier, H.-J. Martin eds., Histoire de lʼédition franá§aise, vol. II,Le livre trimphant 1660-1830 (Parijs 1984, paperbackeditie 1990), 316-325; 403-411 in de paperbackeditie.
Berckvens-Stevelinck, C., Le magasin de lʼunivers. The Dutch Republic as the centre of the European book trade. Papers presented at the international colloquium, held at Wassenaar, 5-7 July 1990 (Leiden 1992).
Blauw, H.M. de, C.W.M. Van Hout, ʻDe 18e eeuwse leesbibliotheekcatologieʼ, in: J. Fontein e.a., eds., Populaire literatuur (Amsterdam 1974), 107-120.
Brouwer, H. ʻRondom het boek. Historisch onderzoek naar leescultuur, in het bijzonder in de achttiende eeuw. Een overzicht van bronnen en benaderingen, resultaten en problemenʼ, Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, 20 (1988), 51-120.
Brouwer, Han, Lezen en schrijven in de provincie : de boeken van Zwolse boekverkopers, 1777-1849 (Leiden 1995).
Darnton, Robert, ʻThe forbidden bestsellers of pre-revolutionary Franceʼ, in: Colin Lucas, ed., Rewriting the French Revolution (Oxford 1991) 1-32.
Eeghen, I.H. van, ʻDe Amsterdamsche Courant in de 18de eeuwʼ, in: Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, 44 (1950), 31-58.
Goinga, Hannie van, ʻAlom te bekomenʼ. Veranderingen in de boekdistributie in de Republiek 1720-1800 (Amsterdam 1999).
Goinga, Hannie van, ʻBoeken in beweging. Publieke boekenveilingen in de Republiek 1711-1805 voornamelijk in Amsterdam, Groningen, Den Haag en Leidenʼ, JNB 11 (2004), 99-126.
Haitsma Mulier, E.O.G., G.A.C. van der Lem en P. Knevel, Repertorium van geschiedschrijvers in Nederland 1500-1800 (Den Haag 1980).
Hazewinkel, H.C., ʻRotterdamse boekverkopers uit de Patriottentijdʼ, in: Opstellen door vrienden en collegaʼs aangeboden aan dr. F.K.H. Kossmann ter gelegenheid van zijn vijf en zestigste verjaardag en van zijn afscheid als Bibliothecaris der Gemeente Rotterdam (Den Haag 1958), 35-58.
Heersink, W. ʻOnder druk van de censuur. Boekverboden te Amsterdam, 1746-1750ʼ, JNB 2 (1995), 56-76.
Hoftijzer, P.G. en L.F. Lankhorst, Drukkers, boekverkopers en lezers in de Republiek: een historiografische en bibiliografische handleiding (2e druk; Den Haag 2000).
Hoftijzer, P.G., ʻHet Nederlandse boekenbedrijf en de verspreiding van Engelse wetenschap in de zeventiende en vroege achttiende eeuwʼ, JNB 5 (1998), 59-71.
Jansen, D., ʻUitgerekend op intekening. De kwantitatieve ontwikkeling van het leesgezelschap in Nederland, 1781-1850ʼ, in: De negentiende eeuw, 14 (1990), 181-188.
Janssens-Knorsch, U., ʻA remarkable collection of English books in the Netherlands: the Bibliotheca Scheurleeriana, 1750-1763ʼ, in: Lias, 20 (1993), 287-320.
Johannes, G.J., ʻInfrastructuur en Verlichtingscultuur. Het Nederlandse tijdschrift: ʻspiegel der Verlichting?ʼ, BMGN 111-2 (1996), 149-166.
Johannes, G.J., De barometer van de smaak: tijdschriften in Nederland 1770-1830 (Den Haag 1995).
Kloek, J.J., en W.W. Mijnhardt ʻThe eighteenth-century revolution in reading: A myth?ʼ, in: Transactions of the Seventh International Congress on the Enlightenment, deel II, (Oxford 1989), 645-651.
Kloek, J.J. en W.W. Mijnhardt ed., Balans en perspectief van de Nederlandse cultuurgeschiedenis. De produktie, distributie en consumptie van cultuur (Amsterdam 1991).
Kloek, J.J. en W.W. Mijnhardt, Leescultuur in Middelburg aan het begin van de negentiende eeuw (Middelburg 1988).
Kooker, Henk W. en Bertus van Selm, Boekcultuur in de Lage Landen, 1500-1800. Bibliografie van publikaties over particulier boekenbezit in Noord- en Zuid-Nederland, verschenen voor 1991 (Utrecht 1993).
Koopmans, Joop W., ʻOm de lieve vrede? Buitenlandse invloeden op de Nederlandse censuur in de achttiende eeuwʼ, JNB 11 (2004), 83-97.
Kruif, José de, Liefhebbers en gewoontelezers. Leescultuur in Den Haag in de achttiende eeuw, proefschrift Universiteit van Utrecht (1999).
Leeb, I.L., The ideological origins of the Batavian revolution (Den Haag 1973).
Loonen, P.L.M., “For to learne to buye and sell”: Learning English in the Low Dutch Area between 1500 and 1800: A Critical Survey (Amsterdam 1991).
Angélique de Meijer, ʻJan Daniel Beman: boekverkoper te Rotterdam in de 18e eeuwʼ, in: H. Bots e.a. ed., Rotterdam bibliopolis: een rondgang langs boekverkopers uit de zeventiende en achttiende eeuw (Rotterdam 1997), 413-461.
Peeperkorn, David, Jean-Jacques Rousseau en zijn uitgever Marc-Michel Rey (Zutphen 2009).
Popkin, J.D., ʻPrint culture in the Netherlands on the eve of the revolutionʼ, in: M. C. Jacob, W. W. Mijnhardt, ed., The Dutch Republic in the eighteenth century. Decline, enlightenment, and revolution (Ithaca en Londen 1992), 273-291.
Selm, Bertus van, Hannie van Goinga en Paul Hoftijzer, Inzichten en vergezichten. Zes beschouwingen over het onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse boekhandel (Amsterdam 1992).
Sher, Richard B. The Enlightenment & the book: Scottish authors & their publishers in Eighteenth-Century Britain, Ireland, & America (Chicago en Londen 2006).
Vercruysse, J. ʻMarc-Michel Rey imprimeur philosophe ou philosophiqueʼ, Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, 34/35 (1977), 93-121.
Vliet, Rietje van, ʻDe Bibliothèque Impartiale (1750-1758): Geleerdentijdschrift en boekhandelstijdschriftʼ, De Achttiende Eeuw 31 (1999) 1, 35-63.
Vliet, Rietje van, ʻDe poliep en de luis. Geleerden en boekverkopers in het midden van de achttiende eeuwʼ, JNB 11 (2004), 145-161.
Vliet, Rietje van, Elie Luzac (1721-1796): boekverkoper van de Verlichting (Nijmegen 2005).

De Verlichting(en) in Nederland en elders
De geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland 5, themanummer ʻDe Verlichting in Nederlandʼ, met bijdragen van o.a. W.W. Mijnhardt, Margaret Jacob, M.R. Wielema, Wyger R.E Velema, Marcel F. Fresco (1994).
Buisman, J.W., Tussen vroomheid en verlichting. Een cultuurhistorisch en †“sociologisch onderzoek naar enkele aspecten van de Verlichting in Nederland (1755-1810), proefschrift Universiteit Leiden, 2 delen (1992).
Buijnsters, P.J., Hiëronymus van Alphen (1746-1803) (Assen 1973).
Buijnsters, P.J., ʻNederlandse leesgezelschappen uit de 18e eeuwʼ, in: P. J. Buijnsters, Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw. Veertien verkenningen (Utrecht 1984), 183-198.
Buijnsters, P.J., Spectatoriale geschriften (Utrecht 1991).
Darnton, Robert, ʻIn search of the Enlightenment: recent attempts to create a social history of ideasʼ, Journal of modern history, 43 (1971) 1, 113-132.
Eijnatten, Joris van, Liberty and concord in the United Provinces. Religious toleration and the public in the 18th century Netherlands (Leiden 2002).
Frijhoff, Willem en Maarten Prak eds., Geschiedenis van Amsterdam. Deel 2.2: Zelfbewuste stadstaat, 1650-1813 (Amsterdam 2005).
Gay, Peter, The Enlightenment: An interpretation (2 delen, New York 1967-1969).
Israel, Jonathan I., Radical Enlightenment: Philosophy and the making of modernity 1650-1750 (Oxford 2001).
Israel, Jonathan I., Enlightenment Contested: Philosophy, modernity, and the emancipation of man 1670-1752 (Oxford 2006).
Israel, Jonathan I., ʻEnlightenment! Which Enlightenment?ʼ, Journal of the history of ideas 67 (2006) 3, 523-545.
Israel, Jonathan I., ʻFailed enlightenmentʼ: Spinozaʼs legacy and the Netherlands (1670-1800) (Amsterdam 2007).
Jacob, Margaret C., The radical Enlightenment: Pantheïsts, Freemasons and republicans (Londen 1981).
Jacob, Margaret C. en W.W. Mijnhardt ed., The Dutch Republic in the eighteenth century (Ithaca, NY, 1992).
Kloek, J. J. en W.W. Mijnhardt, IJkpunt 1800. Blauwdrukken voor een samenleving (Den Haag 2001).
Krop, Henri, ʻEenheid in verscheidenheid: nieuwe visies op de (Nederlandse) Verlichtingʼ, De achttiende eeuw 37(2005) 1, 53-68.
Mijnhardt, W.W., Over de consumptie van cultuur, oratie Rijksuniversiteit Utrecht (Utrecht 1992).
Mijnhardt, W.W., Tot heil van ʻt menschdom : culturele genootschappen in Nederland, 1750-1815 (Amsterdam 1987).
Porter, Roy en Mikulá¡Å¡ Teich eds., The Enlightenment in national context (Cambridge 1981).
Quay, P.P. De, De genoegzaamheid van het natuurlijk gezond verstand. Prijsverhandelingen over godsdienst, zedenkunde en burgerlijke maatschappij in Nederland aan het einde der 18e eeuw (Den Haag 2000).
Romein, Jan, en Annie Romein-Verschoor, ʻFrans Hemsterhuis: filosoof van de zielʼ, in: idem, Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen, III, (4de druk; Amsterdam 1941), 68-97.
Sas, N. C. F. van, De metamorfose van Nederland: van oude orde naar moderniteit, 1750-1900 (Amsterdam 2004).
Velema, Wyger R.E., Enlightenment and conservatism in the Dutch Republic: The political thought of Elie Luzac (Assen 1993).
Vries, Marleen de, Beschaven!: Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800 (Amsterdam 2001).
Wille, J., De literator R.M. Van Goens en zijn kring. Studiën over de achttiende eeuw. Tweede deel (Amsterdam 1993).
Zwager, H. H. Nederland en de Verlichting (Bussum 1972).
Bijlage: voorlopige bronnenlijst
Ook deze lijst is voorlopig: het is bijvoorbeeld goed mogelijk dat er nog andere tijdschriften opduiken waarin naar Hume werd verwezen. Ook ontbreken de precieze gegevens van de verschillende veilingcatalogi die zullen worden bestudeerd.
Brieven:
The letters of David Hume, J.Y.T. Greig ed. (Intelex online editie, beschikbaar via: http://library.nlx.com).
New Letters of David Hume, Raymond Klibansky and Ernest Mossner ed. (Intelex online editie, beschikbaar via: http://library.nlx.com).

Catalogi:
Catalogus der bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. (3 delen, Leiden 1829).
Catalogus der bibliotheek van de Maatschappij: Felix Meritis (Amsterdam 1821).
Catalogus der bibliotheek van het Bataafsch Genootschap van proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam (Rotterdam 1870).

Nederlandstalige Hume-uitgaven:
Hume, David, Wysgeerige en staatkundige verhandelingen; van den heere David Hume ; uit het Engelsch vertaald …(Amsterdam: Kornelis van Tongerlo, 1764).
Hume, David, Wysgeerige en staatkundige verhandelingen; van den heere David Hume ; uit het Engelsch vertaald …(Rotterdam: Abraham Bothall e.a.,1766).
Hume, David, Historie van Engeland, van den inval van Julius Cá¦sar tot de staetsverandering in ʻt jaer 1688, of komste van Willem III. op den troon; In agt deelen. / Door David Hume … ; Uit het Engelsch vertaelt (8 delen; Rotterdam: Smithof e.a., 1769-1774).
Hume, David, Het leeven van David Hume, Schildknaap; beschreeven door hemzelven, en versierd met zyn portrait (Amsterdam: Van Esveldt en Holtrop, 1777).

Algemeen-culturele en specialistische tijdschriften:
Vaderlandsche letter-oefeningen (Amsterdam: Van der Kroe e.a. 1761 tot 1876), de eerste veertig jaargangen zijn geraadpleegd via: http://vlo.e-laborate.nl/nl/new_1/.
Algemene konst- en letter-bode en Nieuwe algemene konst- en letter-bode (Haarlem: Loosjes, 1788-1800)
Uitgezogte verhandelingen uit de nieuwste werken van de societeiten der wetenschappen in Europa en van anderere geleerde mannen (Amsterdam: Houttuyn, 1757-65).
Maandelyksche uittreksels, of Boekzaal der geleerde waerelt (Amsterdam: Gerard onder de Linden, 1715-1811).
Nieuwe bijdragen tot opbouw der vaderlandsche letterkunde (Leiden: Van der Eyck, 1766)
Werken van de Maetschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leyden (Leiden: Van der Eyck, 1772-1788)
Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappye der Weetenschappen, te Haarlem (o.a. Haarlem: Jan Bosch e.a., 1754-1793).
Republyk der geleerden, of Boekzaal van Europa, (onbekend, 1718-1774).

Spectatoriale tijdschriften
De algemeene spectator (Amsterdam: Pieter Hendrik Charlois, 1742-1743).
De philantrope (Amsterdam: Houttuyn en Tongerlo, 1756-62).
De Hollandsche wysgeer (Amsterdam: Dirk onder de Linden, 1759-1761).
De denker (Amsterdam: De erven F. Houttuyn, 1763-1775).
De philosooph (Amsterdam: P. Meyer en de weduwe K. van Tongerlo, 1766-1769).
De onderzoeker (o.a. Amsterdam: Gerrit de Groot e.a., 1768-1772).
De opmerker (o.a. Amsterdam: weduwe Gerrit de Groot e.a., 1772-1778).
De koopman (Amsterdam: Mr. Jan Boon?, 1766-1776).
De rhapsodist (Amsterdam: J. Lublink den Jongen, 1771-1783).
De vaderlander (Amsterdam: de erven Houttuyn, 1775-1778).

Voortgang
De afgelopen weken heb ik me op een aantal dingen gericht, maar de meeste nadruk is – wat mijn scriptie betreft – komen te liggen op het werken aan de bronnentijdbalk. Inhoudelijk ben ik er niet zoveel mee opgeschoten, maar leerzaam was het zeker (al ligt het geleerde meer in het vlak van het programmeren dan ergens anders). Ik hoop dan ook dat het me lukt om op 8 april bij mijn presentatie deze tijdbalk als visueel hulpmiddel kan gebruiken.
Minstens twee middagen heb ik besteed aan het voltooien van mijn ‘oriëntatie’ op de spectatoriale geschriften: in De Denker is in elk geval nauwelijks geschreven over Hume. De enige interessante vondst was een stuk over een werk van Ferguson, een andere Schotse denker, die een hoofdrol speelt in het boek Translating the Enlightenment van Fania Salzberger-Oz. Het is misschien goed om, waar mogelijk, ook digitaal te zoeken naar enkele andere Schotse denkers (in de databases van VLO, en DBNL), om een gevoel te krijgen voor de verhoudingen: was Hume echt het belangrijkste exportproduct van de ‘Schotse Verlichting’, of was hij één van de velen?
Behalve het boek van Salzberger-Oz heb ik ook eindelijk de bundel van mijnheer Velema verder kunnen bestuderen, waardoor ik nu iets beter bekend ben met het soort onderzoek dat zich voornamelijk richt op het blootleggen en ontleden van ‘political languages’. In haar boek over de receptie van Schotse werken in Duitsland legt Salzberger-Oz de nadruk op de moeilijkheden die ontstaan bij het vertalen van specifieke termen van het ene ‘regionale’ discours naar het andere. Hiermee laat ze zien dat het voor genuanceerd receptieonderzoek nodig is om stil te staan bij de betekeniswisselingen die optreden bij het maken van vertalingen, en om te zien dat de onderlinge verschillen in (politiek) discours van invloed kunnen zijn op de receptie van werken uit een ander land.
Nu zal het voor mij onmogelijk zijn om uitspraken te doen over het discours in de Republiek, wanneer ik alleen van mijn eigen bronnen uitga, maar met behulp van secundaire literatuur kan ik hopelijk een beetje feeling krijgen voor de mate waarin de taal van Hume aansluit bij de taal van zijn Nederlandse publiek. En door de vertalingen van zijn werk naast de oorspronkelijke teksten te leggen – zowel die in tijdschriften als later van hele boeken – komen er misschien regelmatigheden aan het licht die ons iets kunnen vertellen over de ontvankelijkheid van het Neder-Duitsch voor de beleefde Engelse concepten van Hume.

Een schrijfplan
Daarmee kom ik aan bij het meest concrete plan dat ik tot nu toe heb gehad voor mijn scriptie: een hoofdstukindeling, onderbouwd met bronnen.
Uitgeven/Verkopen, Vertalen, Recenseren en Gebruiken. Dat zijn de vier terreinen, vier manieren waarop in Holland en elders in de Republiek om werd gegaan met de teksten van Hume, waarover ik zou willen schrijven. Ondertussen heb ik ook eindelijk het idee dat ik in de afgelopen jaren(!) voor elk van deze thema’s behoorlijk veel bruikbare bronnen en informatie heb gevonden – waarschijnlijk te veel om vier hoofdstukken te vullen. Het gaat natuurlijk ook om een mooie verhouding tussen deze thema’s, maar dat merk ik bij het schrijven vanzelf.
Omdat ik de eerste ben die de receptie van de ideeën van Hume in Nederlandstalige bronnen onderzoek, hoef ik geen hoofdstuk te wijden aan mijn positionering in het historiografische debat. Maar wanneer mijn onderzoeksresultaten niet binnen de huidige opvattingen en theorieën passen, zal ik dat natuurlijk duidelijk aangeven. Daarnaast kan ik, wat betreft mijn theoretische en methodologische kader, hopelijk volstaan met een overzicht van het reeds voltooide receptie-onderzoek naar Hume elders, en anderen in Holland – en een verklaring van de wijze waarop mijn onderzoek hiervan afwijkt.
Het liefst schrijf ik ook geen hoofdstuk waarin ik een historisch kader neerzet. Dat is niet alleen omdat ik in deze onderneming, gezien de complexiteit van mijn onderwerp, waarschijnlijk hopeloos zou verzuipen. Een andere reden is namelijk dat ik meer geloof in het gaandeweg blootleggen van de achterliggende ontwikkelingen – dan hoef je als lezer ook niet terug te bladeren naar iets dat al twee hoofdstukken eerder ergens staat geschreven.

De komende twee weken
Zal ik mijn voorstel uitwerken en mijn presentatie voorbereiden. Na 8 april zal ik in elk geval nog één grote verzameling bronnen aanboren, namelijk de Maandelyke Uittreksels, of Boekzaal der Geleerde Waerelt. Dit is, na de Vaderlandsche Letteroefeningen het langst lopende recensietijdschrift van de achttiende eeuw, en daarnaast is het ‘geleerde’ aspect van dit blad voor mij erg interessant. Om te beginnen zal ik waarschijnlijk eerst de publicatiejaren van de Nederlandse vertalingen van Humes werk doornemen. Daarna – afhankelijk van het succes bij deze eerste peiling – zal ik ook andere jaargangen doorzoeken. Het is mogelijk dat de nadruk van mijn onderzoek hierdoor op het thema Recenseren komt te liggen. Dit zou echter alleen maar mooi zijn, want dat zou betekenen dat er in de recensies niet slechts werd samengevat, maar ook inhoudelijk werd ingegaan op de ideeën van Hume.

Vorige week was ik onverwacht veel tijd kwijt aan ‘niet-academische werkzaamheden’, met als gevolg dat de kleine update die ik heb kunnen schreven nauwelijks het vermelden waard was. Gelukkig heb ik deze week weer iets meer kunnen doen, met gemengd resultaat:

Tijdbalk: een stukje technisch vernuft in de maak
Er moet nog het één en ander gebeuren voordat het werkt, maar ik ben erg onder de indruk van de mogelijkheden van de Timeline-widget van de SIMILE-werkgroep op het MIT. Er is zelfs een plugin die het mogelijk maakt om posts in WordPress (de weblog-omgeving waarin dit werkblog is gemaakt) direct op de tijdbalk te zetten, maar zolang de server-software (nog) niet goed omgaat met data van voor 1970 is dit helaas onbruikbaar voor mij.
In de tijdbalk zou ik zichtbaar willen maken welke bron wanneer verscheen. Dat zou gaan in verschilende categorieën:

  1. oorspronkelijke uitgaven
  2. vertalingen
  3. recensies
  4. andere verwijzingen

Eventueel zouden belangrijke politieke gebeurtenissen of ontwikkelingen ook nog een plekje kunnen krijgen, voor mijn eigen overzicht. En dan bijvoorbeeld nog werken van de concurrentie. Het mooie van de tijdbalk is dat het mogelijk is om een link toe te voegen naar een pagina waarop meer informatie over de bron staat. Op de homepage van het Timeline-project staat een tijdbalk van de gebeurtenissen na de Kennedy-moord als voorbeeld, maar er zijn ook al tijdbalken gemaakt voor de Joodse en Christelijke geschiedenis, en één van het totale reisschema van de middeleeuwse Engelse Koning John.

Niet twee, maar vier keer beet!
Eén van de weinige ontdekkingen van vorige week heb ik vandaag onverwacht kunnen uitbreiden: in de vijfde band van De Philanthrope stonden namelijk nog twee vertalingen van essays van Hume vertaald, dat me in eerste instantie niet was opgevallen.

[singlepic id=1173 w=360 h=480 float=left]

Afleveringen 265 en 266, waarin de vertaling van Of National Characters werd gegeven, werden gevolgd door Vertoog 267, over de “buitensporigheid van gierigheid.” Dit vertoog was gebaseerd op Of avarice, dat Hume uit latere edities van de Essays zou schrappen. Daarna kwam vertoog 268, over de AANDOENLYKHEID VAN SMAAK, blijkt een vertaling te zijn van Of the delicacy of taste and passion. Na een korte onderbreking voor een lofrede op de slaap kwam de tweedelige vertaling van Of Superstition and Enthusiasm.
Dat betekent dat de Philanthrope ruim anderhalve maand in het teken heeft gestaan van de essays van David Hume. Dat zou een aantal dingen kunnen betekenen – zo uit de losse pols, erg lang heb ik er nog niet over nagedacht:

  1. er kwamen positieve reacties op de stukjes, waardoor er werd besloten om nog een aantal andere vertalingen te plaatsen
  2. er waren misschien weinig andere goede stukjes binnengekomen bij de Philanthrope, terwijl het de vertaler relatief weinig moeite hebben gekost om snel een paar andere essays van Hume te leveren.
  3. de Philanthrope vond het zelf uiterst noodzakelijk om deze stukjes te plaatsen, omdat hij de boodschap uit Humes essays – waarvan de vertalingen immers nog niet in boekvorm waren verschenen – persé aan zijn publiek kenbaar wilde maken. Het kwam volgens mij niet heel vaak voor dat er zoveel ruimte beschikbaar kwam voor de werken van één auteur in een spectator – iets om te onderzoeken!

Alle vertalingen zijn ondertekend met “A.A.” - geen spoor dus van de naam van Hume. Ondanks een berg ‘gratis’ publiciteit voor zijn ideeën, zullen maar weinig lezers hebben geweten dat de gepubliceerde vertogen afkomstig waren van de tot dan toe weinig bekende Schotse filosoof. En zijn de ideeën van Hume tijdens de vertaling in tact gebleven?

Teleurstellend vervolg

Na de gouden vondsten in De Philanthrope, waren de verwachtingen hoog gespannen voor zijn opvolger, De Denker. Ik had in Week 3 al een verwijzing gevonden naar Hume, maar nu waren de ongedigitaliseerde banden aan de beurt. Zoals ik al hoopte was het twaalfde en laatste deel voorzien van een “Bladwijzer”.

Twee keer beet
Het hele zoeken in spectatoriale tijdschriften is bij mij op gang gekomen door een toevallige vondst van mijnheer Velema (voor iedereen die er nog over twijfelde: van je scriptiebegeleider moet je het hebben!), nu alweer maanden geleden. In een proefschrift was hij een vertaling van een essay van Hume tegengekomen. Een vertaling van “Of Superstition and Enthusiasm” moest te vinden zijn in de vijfde band van De Philanthrope, de voorloper van De Denker (vorige week schreef ik al hoe ik in dit blad mijn eerste verwijzing naar Hume hier – zij het voor de tweede keer – had gevonden).

Bij het doorlezen van de index van de zesde band had ik ook al een verwijzing gevonden naar een stukje waarbij er haast geen twijfel over kon bestaan of dit was er één van Hume:

“Nationaale Karakters (De) van verschillende Volkeren, hangen weinig of niets van het Climaat, maar genoegzaam alleen van zedelyke oorzaken af. V N.265, 266.”

Dat betekende dat er niet één, maar twee essays van Hume waren vertaald in de vijfde jaargang van De Philanthrope. In het allerlaatste deeltje van dit blad werd ook al gesuggereerd dat het om meerdere stukjes van Hume ging, die waren vertaald:

“Behalve de gemelde Periodique Papieren, zyn er ook noch andere stukken van uitheemsche Schryveren in dit werk overgebragt. Dus is het Ontwerp van een Satyrisch Woordenboek in No.52.53.54. uit het Hoogduitsch van de heer RABENER nagevolgd. In de twee laatste Deelen zyn verscheidenen Vertaalingen uit HUME, VOLTAIRE, FONTENELLE, en zeker nieuw Werkje, Bigarrures Philosophiques genaamd, te vinden; welke allen medegedeeld zyn. De Vertaaler van die stukken heeft zich niet naauwkeurig aan het oorsprongkelyke gehouden; maar dezelven in tegendeel, naar den smaak en het Karakter van onzen Landaard geschikt; zo als men onder anderen uit de vergelyking van de Micromegas van VOLTAIRE met het 295ste en 296ste deezer Vertoogen kan bespeuren. In het overzetten der Engelsche Papieren, waar van ik straks gemeld heb, heeft men nu en dan dezelfde vryheid genomen; doch veelen van deezen zyn woordelyk vertaald.”

Vreemd genoeg is van dat “mededelen”, waarover hierboven wordt gesproken, weinig terechtgekomen. In ieder geval niet bij de stukjes van Hume: zijn naam valt in geen van de vier deeltjes die zijn gebruikt om de essays van Hume af te drukken (allebei de essays zijn gesplitst en over twee deeltjes verdeeld). Je moet als lezer dus echt weten dat het hier gaat om vertalingen.
Onder de twee vertalingen staan de initialen A.A., waarvan het nog niet helemaal duidelijk is of het gaat om een variant op de “Anglicanus” waarmee de oudere Philanthrope zijn stukken ondertekende, of het I.A., L.A. of O.A., waarmee de jongere Philanthrope zijn vertogen zei te ondertekenen.

Jammer genoeg heb ik deze week niet zoveel gedaan als ik hoopte, maar ik heb toch een aantal kleine vondsten gedaan en ingegevingen gekregen die me hoop geven op meer structuur.

Nieuw vergelijkbaar en bruikbaar receptionderzoek
Lange tijd had ik als vergelijkbaar receptie-onderzoek alleen literatuur over Hume-receptie in andere delen van de wereld. Meerdere stukken over de receptie van Hume in Duitsland en Frankrijk, een monografie over de mogelijke invloed van Humes werk op de Amerikaanse revolutie, en dan nog alle bijdragen in Peter Jones’ bundel The reception of David Hume in Europe – waar zo ongeveer alle landen worden behandeld, behalve de Republiek.
Er kleefde echter ook een probleem aan deze studies uit andere landen over andere landen. Enerzijds is een aantal basisvragen ten aanzien van dit soort onderzoek wel bruikbaar voor mijn onderzoeksopzet: welke bronnen worden er gebruikt, op welke werken van Hume ligt de nadruk, welke periode wordt bekeken, en hoeveel aandacht is er voor de boekhistorische kant van het verhaal? Anderzijds kun je je echter afvragen of de markten niet té veel van elkaar verschillen om ook de resultaten aan elkaar te spiegelen.
Het is daarom misschien wel interessanter om te weten hoe de andere Verlichte denkers het deden in Holland in deze periode. In één van mijn opzetten voor mijn onderzoeksvoorstel had ik al eens geschreven dat dat van de Grote (Franse) Drie – Voltaire, Rousseau en Montesquieu – al onderzocht was, maar de literatuur had ik nog nooit gezien. Daarom was ik erg blij toen ik in José de Kruif een verwijzing vond naar een boek van Gobbers over Rousseau in Holland. In de bundel essays van mijnheer Velema vond ik bovendien een heel essay over de receptie van Montesquieus Esprit des Lois in de Republiek, met daarbij de opmerking dat eerder onderzoek naar de receptie van Montesquieus werk ‘unsatisfactory’ was geweest.

  1. Voltaire: De bijdrage van Joris van Eijnatten in Jan Pieter van der Sterres Voltaire en de Republiek. Teksten van Voltaire over Holland en Hollanders (Amsterdam 2006)
  2. Rousseau: W. Gobbers, Jean Jacques Rousseau in Holland. Een onderzoek naar de mens en het werk (ca 1760-ca 60-ca 1810) (Gent 1963).
  3. Montesquieu: Wyger R. E. Velema, “Republican readings of Montesquieu: the Esprit des Lois in the Dutch Republic”, in: idem, Republicans (2007)

Nog mooier zou het zijn als er nu ergens ook nog studies opduiken waarin de ontvangst van andere Engelse of zelfs Schotse denkers centraal staat.
Als deze er nog niet zijn, zou de Anglofilie van de Nederlandse letterliefhebber wel eens mogen worden onderzocht. In de Algemeene Spectator vond ik geen spoor van Hume – daarvoor was het blijkbaar echt nog te vroeg – maar wel een flink aantal artikelen dat met een Engels motto werd ingeleid, waarbij Pope de absolute favoriet lijkt te zijn.

Spectators
Vijf spectatoriale tijdschriften heb ik nu doorzocht, waarvan twee nog niet helemaal; dat alles kostte me bij elkaar ongeveer een volle werkdag. Op volgorde van verschijnen:

De Algemeene Spectator (1742-1746, dit is waarschijnlijk echt nog te vroeg)

IMG_4085.jpg

De Philanthrope (Amsterdam 1756-1762)

IMG_4322.jpg

De Hollandsche Wysgeer (1759-1763)

IMG_3694.jpg

De Denker (1763-1774, opvolger van De Philanthrope, nog altijd in Amsterdam)

IMG_4614.jpg

De Philosooph (1766-1769)

IMG_3931.jpg

De tijd die je kwijt bent met een jaargang varieert behoorlijk. Soms zijn de jaargangen uitgebreid met een index voor de belangrijkste trefwoorden en personennamen. Soms blijft het beperkt tot de korte samenvattingen van de stukjes die wekelijks verschenen – meestal op maandag.
Ook in het geval van De Denker, een relatief succesvol blad (wanneer je uitgaat van de lange looptijd van 1763 en 1774), bleef het bij een dergelijke index. Grappig is het om te zien dat precies de politieke onderwerpen – die we makkelijk met de Verlichting in verband brengen – waarover ook Hume heeft geschreven bij de Denker twee keer overgenomen waren uit een Engelse periodiek. Dat gold voor “Over de vrijheid van Denken en Schryven over godsdienstige onderwerpen” en “Over de bitterheid der Kerkelyke Twisten, en de Heeschzugt der Geestelyken. De redenen daarvan naargespoord.”
De enige directe verwijzing naar Hume van de dag vond ik echter niet in één deze stukken, maar in een stukje getiteld: “Het nut der Verkwisting aangetoond, Ontwerp van den DENKER, om het geld onder den man te brengen, en het algemeen belang der Maatschappy edelmoedig te bevorderen”, ook in De Denker. De auteur stelt hierin voor om alles wat Hume en Mandeville over de weelde hadden gepubliceerd gratis ter beschikking te stellen aan alle burgers.
Stom genoeg had ik juist deze verwijzing al eerder gevonden, ontdekte ik later. De Denker is namelijk voor de helft gedigitaliseerd voor de DBNL, en in mijn zoektocht aldaar had ik deze pagina al gevonden en opgeslagen.
Die mus waar ik zo blij mee was, was dus niet dood, ik had ‘em alleen al in mijn verzameling.

Andere inzichten en vooruitzichten:

  1. Voor mijn eigen inzicht is het wel goed om een tijdbalk te maken/tekenen/bouwen waarin alle publicaties van Hume en alle Nederlandse bronnen en waarin ik Hume tegenkom naast elkaar zet. Zo krijg ik waarschijnlijk een beter inzicht in de periodes. In de receptie-bundel van Peter Jones staat al een vergelijkbare tabel; deze zou ik als richtlijn kunnen houden
  2. Om er achter te kunnen komen of een bepaald type boekhandelaar Hume verkocht is het misschien de moeite waard om enkele namen die op de intekenlijst voor de vertaling voor Hume’s History of England staan te checken met de database met (veiling)catalogi die is gemaakt naar aanleiding van het werk van H.W. de Kooker te Leiden.
  3. Hoewel ik weet dat het waarschijnlijk te ver gaat, zou ik graag Mijnhardts Tot heil van ’t menschdom : culturele genootschappen in Nederland, 1750-1815 er nog eens op naslaan om de mogelijkheden te onderzoeken om een klein uitstapje te maken richting de gezelligheid.

Het plan voor de komende week:

  • Mijn eerste verkenning rondom de spectatoren afmaken, en me daarbij zo veel mogelijk laten sturen door de bronnen die zijn gebruikt door Gobbers, Van Eijnatten en Velema. De niet-gedigitaliseerde delen van De Denker komen in elk geval aan de beurt.
  • Bovengenoemde publicatie/bronnen-tijdbalk in elkaar sleutelen.
  • Leeb en Salzberg-Oz bestuderen

Volgende pagina »