Volgende pagina »

Niet vertaald? zegt STCN

Wel zeven andere boeken. zegt STCN

Titel: Twee verhandelingen: de eene van Johan Ulrich
König, over den goeden smaak in’t gemeen; de andere
van Johan Fredrik Jakobi […] over den goeden
smaak in zaken van godsdienst. / Translated from
the German
Impressum: Dordrecht, A. Blussé and zoon, 1771
Formaat: 8°
Collatie: *8 A-K8 L4
Vingerafdruk: 177108 – a1 *2 $b : a2 *5 un – b1 A2 e$ : b2 L2 t$G
Typografische informatie: x (typografische titelpagina), i (lettertype
romein), e (fondslijst)

Auteur: Johann Ulrich König (1688-1744)
Vertaler / Bewerker: Johann Friedrich Jacobi (1712-1791)
Jaar: 1771
Drukker / Uitgever: Blussé, Abraham Dordrecht, 1748-1806; Blussé,
Pieter Dordrecht, 1769-1806
Onderwerpstrefwoord: Philosophy; Theology (Christian doctrine)
Signatuur: Amsterdam, Vrije Universiteit: XM.00431:1
Leiden, UB: 1125 H 8 (lacks F2)
URL: Illustration:
http://racer.kb.nl/pregvn/STCN/STCN_301064113_01.
jpg
Titel: Reegelen en voorbeelden voor eerstbeginnende
geestlyken, ter heilzaame waarneeming van hunne
bediening. / By Johan Frederik Jakobi. ; Translated
after the 2nd German impression into Dutch and
annotated by L. Meijer
Impressum: Leeuwarden, P. Koumans, 1773
Formaat: 8°
Collatie: † 4 *-3*8 4*6 A-2D8 (2D8 blank)
Vingerafdruk: 177308 – 1a1 † 2 tig : 1a2 † 3 et – 2a1 * i : 2a2 4*5
n$von – b1 A el : b2 2D5 ns$
Typografische informatie: x (typografische titelpagina), i (lettertype
romein)

Auteur: Johann Friedrich Jacobi (1712-1791)
Vertaler / Bewerker: Laurentius Meijer (1727-1798)
Alternatieve titel: Beytrag zu der Pastoral-Theologie oder Regeln und
Muster fá¼r angehende Geistliche zu einer heilsamen
Fá¼hrung ihres Amtes. Dutch
Jaar: 1773
Drukker / Uitgever: Koumans, Pieter Leeuwarden, 1730-1777, 1779
Onderwerpstrefwoord: Theology (practical)
Signatuur: Amsterdam, Vrije Universiteit: XP.01688
URL: Illustration:
http://racer.kb.nl/pregvn/STCN/STCN_291306721_01.
jpg
Titel: Het Hooge-lied, door eene gemaklyke en eenvoudige
verklaaring, van de bezwaaren, tegen hetzelve
ingebragd, vrygesprooken. / By Joan Frederik
Jacobi. ; Preface by N. Barkey. Translated from the
German
Impressum: Leiden, J. Le Mair, 1774
Formaat: 8°
Collatie: *-2*8 3*4 A-E8 (E8 blank)
Vingerafdruk: 177408 – a1 *2 te$ : a2 3*3 irent$a – b1 A he : *b2
E4 rleen
Typografische informatie: x (typografische titelpagina), i (lettertype
romein), d (boekenlijst van auteur)

Auteur: Johann Friedrich Jacobi (1712-1791)
Vertaler / Bewerker: Nicolaus Barkey (1709-1788)
Alternatieve titel: Das durch eine leichte und ungeká¼nstelte Erklá¤rung
von seinen Vorwá¼rfen gerettete Hohelied. Dutch
Jaar: 1774
Drukker / Uitgever: Le Mair, Johannes Leiden, 1751-1782
Onderwerpstrefwoord: Theology (Bible and Bible interpretation)
Signatuur: Amsterdam, UB: Pfl. Q o 26
Den Haag, KB: 1113 D 49:1
Utrecht, UB: Br. *XVIII* 2
Titel: Bewijs van de waarheid des christlijken
godsdiensts, voor ongeleerden. / By Jan Frederik
Jacobi
Impressum: Utregt, J. Altheer, 1790
Formaat: 8°
Collatie: *8 A-Q8 R4 S1
Vingerafdruk: 179008 – a1 *2 USC : a2 *5 de$ – b1 A r : b2 S r
Typografische informatie: x (typografische titelpagina), i (lettertype
romein)

Auteur: Johann Friedrich Jacobi (1712-1791)
Alternatieve titel: Leichter und á¼berzeugender Beweis von Gott und von
der Wahrheit der christlichen Religion. Dutch
Jaar: 1790
Drukker / Uitgever: Altheer, Johannes Utrecht, 1787-1803
Onderwerpstrefwoord: Theology (Christian doctrine)
Signatuur: Leiden, UB: 596 D 19
URL: Illustration:
http://racer.kb.nl/pregvn/STCN/STCN_310199999_01.
jpg
Titel: Wat moet ik, ter geruststelling mijner ziel,
gelooven? Wat moet ik hopen, bij de menigvuldige
gevoelens der geleerden? / By Eene afgeleefde
grijsaard aan den rand van’t graf [= Johann
Friedrich Jacobi]. ; Translated after the second
corrected enlarged German edition
Editie: Annotated edition
Impressum: Amsterdam, M. de Bruijn, 1790
Formaat: 8°
Collatie: *8(-*1) A-I8
Vingerafdruk: 179008 – a1 *4 n’ : a2 *5 ze – b1 A . : b2 I5 t$t
Typografische informatie: x (typografische titelpagina), i (lettertype
romein)

Auteur: Johann Friedrich Jacobi (1712-1791)
Alternatieve titel: Was soll ich zu der Beruhigung meiner Seele
glauben? Dutch
Jaar: 1790
Drukker / Uitgever: Bruyn, Martinus de Amsterdam, 1769-1804
Onderwerpstrefwoord: Theology (Christian doctrine)
Signatuur: Leiden, UB: 596 D 20
Nijmegen, Universiteitsbibliotheek: OD 460 c 197
nr.4
URL: Illustration:
http://racer.kb.nl/pregvn/STCN/STCN_310196981_01.
jpg
Titel: Mijn geloof aan de leeringen der goddelijke
openbaring, gesterkt en bevestigd door […] de
nieuwste schriften der leeraars van den zuiveren
natuurlijken godsdienst. / (By Johann Friedrich
Jacobi). ; Translated from the German
Editie: Annotated edition
Impressum: Amsterdam, M. de Bruijn, 1791
Formaat: 8°
Collatie: *8 A-C8 D4
Vingerafdruk: 179108 – a1 *2 eer : a2 *5 Lu – b1 A n : b2 D3 and
Typografische informatie: x (typografische titelpagina), i (lettertype
romein)

Auteur: Johann Friedrich Jacobi (1712-1791)
Alternatieve titel: Mein Glaube an die Lehren der göttlichen
Offenbarung, gestá¤rket und befestiget. Dutch
Jaar: 1791
Drukker / Uitgever: Bruyn, Martinus de Amsterdam, 1769-1804
Onderwerpstrefwoord: Theology (Christian doctrine)
Signatuur: Amsterdam, Vrije Universiteit: XP.00806:3
URL: Illustration:
http://racer.kb.nl/pregvn/STCN/STCN_279902654_01.
jpg
Titel: De goeden smaak, of Twee verhandelingen over
dezelve, door […] Johan Ulrich König en Johan
Fredrik Jakobi
Impressum: [Amsterdam, W. Coertse junior, last quarter 18th
century]
Formaat: 8°
Collatie: A2
Vingerafdruk: 000008 – b1 A2 ,$b : b2 A2 oed
Typografische informatie: x (typografische titelpagina), i (lettertype
romein), g (boekenlijst diversen)

Vertaler / Bewerker: Johann Ulrich König (1688-1744)
Johann Friedrich Jacobi (1712-1791)
Jaar: 17XX
Drukker / Uitgever: Coertse, Willem Amsterdam, 1777-1799
Onderwerpstrefwoord: Documentary information; Philosophy; Theology
(Christian doctrine)
Signatuur: Amsterdam, UB: KVB CAHAIS 1780-1786:37
URL: Illustration:
http://racer.kb.nl/pregvn/STCN/STCN_31417933X_01.
jpg

[Annonce in de] Oprechte Haarlemsche courant, 30 mei en 6 juni 1793.
By j. allart, Boekverkooper te Amsterdam, is van de Pers gekomen: 1. Het lijden van den jonge werther, op nieuw uit het Hoogduitsch vertaald, en door den Vertaaler met een uitvoerige en belangryke Voorreeden voorzien, zeer keurige Editie met Plaaten, door Buis, Vinkeles en Vrydag, in gr. 8vo, op zeer fraai Papier gedrukt, á  Æ’3.
1793-4 Maandelijksche Naamlijst

[Opgave in] Maandelijksche naamlijst van Nederduitsche boeken […]
[p. 96]
in ons vaderland uitgekomen, juni 1793.

Het Lijden van den Jongen Werther, op nieuw uit het Hoogd. Vertaald en door den Vertaaler met een uitvoerige en belangrijke Voorreden voorzien. gr. 8vo, met Plaaten, door Buys, Vinkeles en Vrydag. te Amst. bij J. Allart. Æ’3–.
1793-5 Het lijden, van den jongen Werther

Het lijden, van den jongen Werther. Uit het Hoogduitsch. Amsterdam, Johannes Allart, 1793.
Voorrede des vertaalers van deeze uitgaave.

Het Lijden van den Jongen Werther verdiende in eene betere gedaante en vertaaling te verschijnen, dan de twee voorige uitgaaven, welke onze Nederlanders reeds daarvan bezitten. Hoe verre aan dit oogmerk voldaan is, mogen Leezers van smaak, die het oirsprongkelijke verstaan, die weeten wat tot eene goede vertaaling verëischt wordt, en die zich de moeite van eene naauwkeurige vergelijking willen geeven, beöordeelen.
Was ‘er ooit in het vak der Romannen een werk, waaröver men verschillende, en, niet zelden verkeerdelijk, heeft gevonnisd, het was zekerlijk dit. Sommigen hebben het geheele opstel in eene andere klasse geplaatst, dan het eigenlijk behoorde. Sommigen hebben het onderwerp zelve afgekeurd, als, naar hunne gedachten, niet gepast voor een Roman. Weder anderen meenden de zedeleer te mogen wraaken, die zij ‘er uit afleiden. Over de wijze van behandeling en uitvoering, is men het meerder eens geweest, en heeft dezelve geen’ lof geweigerd. Laat ons het een en ander wat breeder onderzoeken.
Het Lijden van den Jongen Werther, heeft men gezegd, is eene dier Schriften, welke mede den toon gegeeven hebben van het zogenaamde Sentimenteele; van dat geweldig aandoenlijke, waardoor men de harten van alle tedere en ligtgetroffene menschen tot zekere weemoedigheid vermurwt, die het oná¤angenaamste nagevoel overlaat, die de zielen der jeugd inzonderheid stemt tot eene heerschende gemoedsneiging, waarïn men behagen schept, waarïn men iets verdienstelijks stelt, die ondertusschen alleen een fijner zinnelijkheid koestert, de veêrkracht van den geest verslapt, en, onbetwistbaar, een’ valschen smaak in onze werken van vernuft ten gevolge moet hebben. Zonder ons intelaaten tot een onderzoek over den aart van het Sentimenteele in denken en schrijven, of optehaalen, wat men ‘er al voor en tegen heeft ingebragt,
[p. 97]

[p. 98]
is zekerlijk het nuttelooze en nadeelige van dat Sentimenteele, ’t welk wij boven opgaven, zo beslissend uitgemaakt, dat het niet der moeite waardig is daaröver een pen meer in den inkt te doopen. sterne bij de Engelschen, d’arnaud bij de Franschen, de Schrijver van Siegwart bij de Duitschers, en verscheide anderen, hebben zo wel groote verwonderaars als armzalige navolgers gehad. Maar, dat men toch niet onder deeze klasse brenge, alles wat met vuur, met aandoening geschreven is; alles wat, uit hoofde van het onderwerp, bij voorbeeld van de sterkwerkende hartstocht der Liefde, niet dan met vuur, met aandoening kan behandeld worden. Als alles wat met warmte over liefde en verliefdheid is geschreven, daarom in dien rang behoort, waren anacreon, catullus, tibullus, petrarcha, racine, onze poot, en honderd anderen, Sentimenteele Schrijvers, in den hoogsten graad. Doch dit bedoelt men ‘er niet mede. Men passe dit toe op het Lijden van den Jongen Werther. De werking der Liefde wordt in deeze Roman krachtig en aandoenlijk geschilderd: dit eischte het onderwerp, wilde men aan de natuur en waarheid recht doen: maar dit is immers geheel iets anders, dan dat Sentimenteele, door ’t gezond verstand, met zo veel reden, afgekeurd.
Anderen hebben de keuze van het onderwerp zelf hooglijk gelaakt. ʻHoe kan men, (zeggen zij) behaagen scheppen in een Roman, waarvan de Held zich verloopt in eene strafbaare liefde, die hem eindelijk zo duur te staan komt? Dat men ons een voorbeeld van deugd, ter navolging, in een’ Grandison, schildert, heeft een zedelijke nuttigheid; maar wat worden wij beter, wat leeren wij van een’ Jongen Werther?ʼ Hieröp was veel te antwoorden; doch, het geen hier voornaamelijk in aanmerking komt, dat men althans zijn oog vestige op het eigenlijk doel des Schrijvers: billijk, immers, kan hij vorderen dat men hem daarnaar beoordeele. Dit kan gewisselijk niet zijn, om ons Werther als een voorwerp ter navolging afteschetsen. Misschien dan, om hem als een baak, ter vermijding van een diergelijk gedrag, aan allen die in de mogelijkheid van zijn geval kunnen komen, voortestellen? Dit is althans waarschijnlijker. Doch zou de bijzondere bedoeling des Schrijvers niet nog iets anders kunnen weezen? Dat wij het ons eens dus verbeelden. Het is algemeen bekend, welke waare gebeurtenis de stoffe tot dit verdichtsel heeft opgeleverd. Een jong mensch, van verdienste en verstand, blaakt in een ongelukkige liefde tot een voorwerp, dat dezelve nimmer kan bevredigen; wordt, naar zijn denkbeelden, in zijn eer gekrenkt; wordt over het een en ander mistroostig, in zo verre, dat hij eindelijk zich, in koelen bloede, van het leven
[p. 99]
berooft. Dit schijnen de grondlijnen der historische waarheid. Wat is nu natuurlijker, dan deeze vraag: Hoe is het toch mogelijk dat een Jongeling, die anders goede gevoelens heeft, op wiens zedelijken wandel niets te zeggen is, zich zó verre kan verlopen, dat hij zich in zulk eene strafbaare liefde toegeeft? hoe is het mogelijk dat hij in zo
[p. 100]
verre alle beginselen van deugd en pligt uit het oog kan verliezen, om, eindelijk, het waardigste van alles wat hij bezit, zijn leven naamelijk, aan zijn hartstocht opteofferen, en zich, in allen gevalle, aan een daadelijk misdrijf schuldig te maaken? De Wijsgeer en onderzoeker van ’s menschen hart en hartstochten, tracht dit op deeze wijze te verklaaren. Wij menschen, zegt hij, hangen, in ons denken en doen, verbaazend af van onze bijzondere geaartheid, en de omstandigheden die ons omringen. Werther kan, bij een’ schat van kundigheden, bij de beste beginselen en het edelste hart, een’ zwaarmoedigen inborst, een neiging tot het droefgeestige gehad hebben. Misschien had hij, bij eene levendige verbeelding, veel aandoenlijkheid van ziel, een levendigheid en aandoenlijkheid die veel afhingen van uiterlijke omstandigheden, van zijn gezondheid, van den gezelligen kring waarïn hij verkeerde, van het weêr, van het jaarsaizoen, van honderd andere dingen, die op ons werken. Hij kan, inzonderheid teêrgevoelig geweest zijn op het punt van eer. Voor zulke karakters heeft hoogmoed en verachting iets zeer beledigends; voorá¤l wanneer men die ondervinden moet van menschen, die zelf hoogstverachtelijk zijn. Die belediging kan weder, door een menigte van toevalligheden, gegrond in zijn bijzondere betrekkingen, een vermeerderde kracht ontvangen hebben. Werther zag, mogelijk, Charlotte de eerste maal in een tijdstip en onder een voorkomen, die te samen den sterksten indruk op hem maakten, een indruk, dien hij naderhand, toen hij hoorde dat zij verloofd was, wel gevoelde dat hem te sterk getroffen had, doch die hij meende te kunnen vermeesteren. In vervolg van tijd, toen hem dit mislukte, wierd hij meer en meer verlegen met zichzelven. Voorige uitwerksels van zijn zwaarmoedigheid, worden nu weder oirzaaken van anderen. Nu wordt hij radeloos, wordt wanhoopig, wil zichzelven diets maaken dat hij zekere kalmte bezit, die hij meer wenscht dan gevoelt, en komt, eindelijk, door dit alles, in eene omstandigheid, die hem tot het medelijdenswaardig slachtöffer maakt van eene onbevredigde en in allen gevalle strafwaardige liefde. Zó redeneert de Wijsgeer. Maar wat doet nu de wijsgeerige Dichter of Romanschrijver? Hij oordeelt het wel der moeite waardig, deeze denkbeelden te ontwikkelen; wel der moeite waardig, aantetoonen, hoe bij een’ mensch van zulk een gegeeven karakter, van stap tot stap, de omstandigheden zich hebben kunnen verëenigen, dat ‘er zulk een aanëenschakeling van lotgevallen, en zulk een eindelijke uitkomst, natuurlijkerwijze, plaats moest hebben. Welá¤an, zegt hij, zulk een Werther zij mijn dichterlijk Ideaal! dit zal ik mij bevlijtigen uittewerken, en, zo veel mogelijk, tot een
[p. 101]
bevallig geheel te brengen. Wat dunkt u, Leezer, zou dit bij den Schrijver van deeze Roman ook plaats gehad hebben? en zo hij dit bedoelde, kunt gij dan een oogenblik weigeren hem, wegens zyn behandeling, wegens zijn schildering van dit Ideaal, den hoogsten lof te geeven? ʻJa maar, zult gij zeggen, ʻwaarom het zedelijke zo verre uit
[p. 102]
het oog verloren, of ons zulk een uitvoerig schilderij gegeeven van een karakter, waarïn zo veel is aftekeuren? Waaröm ons niet een navolgingswaardig karakter voorgesteld, dat immers de zaak der deugd ongelijk meer zou bevorderen?ʼ Begrijpt men dan niet, dat het ongerijmd is, een man van genie te willen voorschrijven welke stoffe hij zal bearbeiden? den Dichter of Romanschrijver aan de soort van Ideaal te bepaalen, welke hij zal uitwerken? Blijft het niet alleen de vraag, of hij zekere hartstochten, deugden of gebreken, naar waarheid, als een meester in zijn kunst, schetst, en niet zo zeer welke hartstochten of deugden en gebreken hij daartoe verkiest? Is richardson, als Romanschrijver, niet even groot en verdienstelijk in zijn karakter van Lovelace, als in dat van Grandison? Mag wouwerman niet zo wel veldslagen en plunderingen schilderen, als van huysum bloemen en vruchten?
ʻEvenwel het Lijden van den Jongen Werther is een Apologie voor den zelfmoord.ʼ Deeze beschuldiging is vrij algemeen; maar op welk een’ grond? De held van het stuk is een zelfmoorder, en bijgevolg… Men kan niet nalaaten zich, bij zulk een besluit, te herïnneren aan het geen verhaald wordt van zeker Fransch Abbé, dien men zijn oordeel vraagde over de Anti-Lucrece van den Kardinaal de polignac. De man kende het boek niet, en wilde ‘er toch iets van zeggen; dus maakte hij het vonnis op uit den tijtel. ʻSlecht genoeg, (zei hij) dat aanzienelijke mannen zulke snoode ondeugden als de onkuischheid in bescherming neemen.ʼ Hij dagt op dat pas alleen aan de Romeinsche Lucretia, of wist misschien niet eens, dat ‘er ooit een Lucretius Carus geweest was. Is dan, om tot onze Roman weder te keeren, het deerlijk einde van Werther niet veel geschikter om ‘er ons afkeer tegen inteboezemen, dan om het ons aanteprijzen? ʻDat evenwel (zegt men) de Schrijver iets diergelijks bedoeld hebbe, schijnt daaruit te blijken, dat hij Werther den zelfmoord laat verdedigen; en wat is dat verdedigen anders, dan de zaak rechtvaardigen?ʼ Men heeft reeds voorlang aangemerkt, dat zelfmoord niet kan gerechtvaardigd worden, om dat alle rechtvaardiging, zal ze toets houden, het werk moet zijn van echt, gezond, bedaard verstand; en dit heeft nog nooit iemand tot een zelfmoorder gemaakt. Het is waar, Werther brengt ‘er zijn redenen voor bij, en wederlegt, op zijne wijze, de gronden van Aelbert: maar, dat men het een en ander slechts van nabij beschouwe, en men zal bevinden, dat zijn redenen zo zwak en gebrekkig zijn, als zijn geheele wederlegging slechts in verre gezochte uitvluchten of valsche gevolgtrekkingen bestaat. Waarlijk, een Schrijver, die deeze leer in ernst had willen
[p. 103]
verkondigen, en met de schritten van een hume, montesquieu, rousseau en anderen niet onbekend kon weezen, zou wel andere redenen te berde gebragt hebben, en de Emilia Galotti niet tot het leesboek van zijn’ held gemaakt hebben.
Wij gelooven dat door diergelijke bedenkingen, het zogenoemde ge-
[p. 104]
vaarlijke van deeze Roman merkelijk zal verminderen, en onze Schrijver, wanneer men hem uit het rechte oogpunt beschouwt, zich ten dien opzichte wel laat verdedigen. Nooit heeft hij bedoeld den ongelukkigen Werther vrij te spreeken; en dit kan ook voor den rechterstoel der gezonde reden nooit geschieden. Zijn waare bedoeling vertrouwen wij genoegzaam ontwikkeld te hebben. Behalven het meesterlijke in de behandeling, waarvan Schrijvers en Dichters niet weinig kunnen leeren, gevoelt men bij de doorleezing, en voorá¤l bij het einde van dit opstel, deeze dubbelde les; eerst, hoe allergevaarlijkst het, ook voor het edelste hart is, eenig het minste voedsel te geeven aan de hartstocht der liefde omtrent een gehuuwd voorwerp, dewijl dit, uit zijn’ eigen aart, niet dan de ijsselijkste gevolgen kan na zich sleepen: een leer, die onze zogenoemde groote waereld wel eens met luider stemme mag worden gepredikt: – ten tweeden, hoe het een grondbeginsel en voorschrift van alle zedelijke deugd is, zorgvuldig naar ons geweten te luisteren; en wanneer dit spreekt, wanneer dit ons waarschouwt, niet alleen geen’ stap verder voort te treeden, maar, onmiddelijk, tot ons waarachtig zelfbehoud, omtekeeren, en ons door een wijze vlucht te redden.

De exemplaren met op de titelpagina het jaartal 1793 zijn verder identiek aan die welke 1792 gedateerd zijn (cf. 1792-7).
Ofschoon in het voorbericht gepretendeerd wordt dat het hier een nieuwe vertaling betreft, komt de tekst tot op zeer grote hoogte overeen met die van de eerste tot en met de derde druk. Niettemin treft men – uitsluitend in het eerste deel – enkele sporen van de zweite Fassung van Werther aan; klaarblijkelijk heeft de vertaler ook een recente Duitse editie bij de hand gehad. Zie verder de Bijlage p. 227-228.
Het Gesprek van Riebe is in Allarts uitgave niet opgenomen. De mottoverzen zijn overgenomen, zij het dat het eerste gereduceerd is tot: ʻMoest dan de liefde – een bron van zo veel jammers zijnʼ. Merkwaardigerwijze ontbreken in de tekst de inleidende woorden: ʻWas ich von der Geschichte des armen Werthers nur habe auffinden könnenʼ etc.
Uiterlijk is het boek veel royaler verzorgd dan zijn voorgangers. De prijs was navenant: Æ’3,-, tegenover 18 stuivers voor de eerste druk en één gulden 18 stuivers voor de tweede druk met illustraties.
Men heeft reeds voorlang aangemerkt, dat zelfmoord niet kan gerechtvaar-
[p. 105]
digd worden, om dat alle rechtvaardiging, zal ze toets houden, het werk moet zijn van echt, gezond, bedaard verstand; en dit heeft nog nooit iemand tot een zelfmoorder gemaakt: Vergelijk Garve (1778-2): ʻEn dit is een nieuwe grond tegen den zelfmoord. De toestand der ziel, in welken men er toe bekwaem is, is altoos een ontstelde, verdorven toestandʼ etc. (p. 20).
[p. 106]
de Anti-Lucrece van den Kardinaal De Polignac: Melchior, cardinal de Polignac, Anti-Lucretius, sive de Deo et natura, 1745, in het Frans vertaald 1749. Felle bestrijding van het epicurisme dat Lucretius voorstaat in zijn De rerum naturae.
de schriften van een’ Hume, Montesquieu, Rousseau en anderen: David Hume verdedigt het recht op zelfdoding in het eerste van zijn Two essays. [On suicide, and on the immortality of the soul], 1777. Montesquieu laat Usbek hetzelfde doen in de 76e brief van de Lettres persanes (1721). In Rousseaus Julie ou la nouvelle Héloïse (1761) verdedigt Saint-Preux de zelfmoord in de 21e brief van het derde deel; hij wordt evenwel scherp terechtgewezen in het onmiddellijk volgende antwoord van Milord Edouard.
Hoe overvloedig in de 18e eeuw de beschouwingen over suïcide waren, komt (voor Frankrijk) naar voren in Bayet, Le suicide et la morale p. 617-686.
de Emilia Galotti […] het leesboek van zijn’ held: Emilia Galotti (1772), treurspel van Lessing, Bij de beschrijving van Werthers dood wordt gemeld: ʻEmilia Galotti lag auf dem Pulte aufgeschlagenʼ. In het stuk dreigt Emilia door een vorst verkracht te worden; op haar eigen verzoek doodt haar vader haar om deze schande te voorkomen.

uit J. J. Kloek, Over Werther geschreven… HES Uitgevers, Utrecht 1985 (2 delen), via: DBNL: link: http://www.digitalebibliotheek.org/tekst/kloe003over01_01/

BRIEVEN OVER DE WEELDE; ALS HOGST NADEELIG VOOR ….

DOOR C. VAN ENGELEN, RUSTEND LLERAAR DER DOOPSGEZINDEN. EERSTE DEEL. Nieuwe uitgaave

bij J. van WALRé en comp.

1791

***** uit de voorreden:

iv: “Maar nu wat is Weelde? waar vangt zij aan? Wanneer wordt zij misdadig?”

vi: “Omdat ik toen al geen zin had om mij, onder de modische benaamingen van Etiquette, Bonton [schuin], en dergelijke, een partij lastige dwaasheden van kleine geesten als wetten te laten voorschrijven, noch besluiten konde om mijne penningen, in plaats van daar vermaak voor mij zelven anderen voor te kopen, enkel ter voldoening eener dorre verwaandheid te besteden.”

tegenstelling tussen de “zuiveren wellust van huisselijk vermaak” en de “kinderachtige voldoening” die “de meeste menschen, die werk van de Weelde maaken” halen uit het verkrijgen van spullen puur voor de status, zoals “vreemde, in plaats van inlandsche, met zijden of katoenen, in plaats van garen of wollen, stoffen” [vii]

“na mijn leven, mag ik bijna zeggen, doorgebragt te hebben met het geluk mijner Landgenooten, als individueele menschen en Christenen, naar mijne vermogens, te bevorderen, en hen, tot het betrachten hunner plichten, waar uit hun tijdelijk en eeuwig heil moet spruiten, aantesporen, hen nu als Nederlanders, gezamenlijk, of te maanen van eene dwaasheid, die ons, (zo wij tot den eersten oorsprong van het kwaad opklimmen,) in onzen tegenwoordigen beklaaglijken toestand gebragt heeft, en die, zo wij daarin blijven volharden, het geheel Gemeenebest in een volstrekt bederf zal storten” viii-ix

legt uit dat montesquieu al liet zien dat een republiek niet zonder deugd kan (zoals een monarchie niet zonder eerzucht, en een willekeurig despoot niet zonder angst)

de weelde is een ‘geslagen vijandin der Deugd” x

voorbeelden uit de klassieke oudheid van mensen die een ‘volstrekte heerschappij’ wilden bewerkstelligen over een vrij volk, die altijd geprobeerd hebben de weelde te bevorderen.

xii nogmaals beklag over het uit het buitenland halen van benodigdheden, wat nl extra kwetsbaar maakt is dat vooral Holland kan “uit eigen grond niet het vijftigste gedeelte der menschen, die daar thans leeven, voeden”, en dus kan het zichzelf niet redden als het wat slechter gaat. en ook de handel gaat achteruit

Grotendeels getrokken uit een werkje van “Abt Pluquet!: uitgegeven in 1786!!!

xiv besefte dat hij het korter moest maken, heeft er brieven van gemaakt: “ik heb zelfs die brieven kort gemaakt, omdat men menschen, die nog aan de Weelde gehecht, en dus, (eenige zeer weinige persoonen uitgezondert) van inspanning afkeerig, zijn, niet moet vergen lange stukken van een zedekundig onderzoek te lezen, veel min te overdenken.” xv

Behoed uw harte bovenal dat te bewaaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens. ’t is in het hart dat de Weelde huisvest, ’t is het hart, dat ons gedrga in dezen onberispelijk kan houden.”

Laat on shet geluk in de volmaaking, voor ’t allerminst in het gebruik, van onze verstandelijke vermogens, en in eene geregelde bestiering van onze zinlijke vermaaken, zoeken.; Laat ons, die met lle onze kostbaare, dikwils verveelende, gezelschappen, de waare, de plichtmaatige, gezelligheid veelal niet dan gebrekkig kennen, ons met die edele genieting leeren verlustigen, en gelukkig leeren worden, naar mate wij anderen gelukkig maaken; Dus gewapend zijn wij boven alle gevaar om ons in dwaaze Weelde te verlopen; Dus kunnen, mogen, moeten, wij zelfs, in verscheiden gelegenheden, en onder de noodige bepaalingen, de gemakken en aangenaamheden genieten, welke de beschaafde eeuw en gevorderde kunsten ons aanbieden; Wij mogen, wij moeten, onder de gemelde voorwaarden ons naar de aangenomen gebruiken schikken, en de Weelde voor een gedeelte volgen, om haar in haare grootere uitwijkingen te stuiten, [xvii] om onze achting, bij onze, nog zwakke medeburgeren op te houden, en ons voorbeeld van gemaatigheid of onthouding des te krachtiger te doen werken; maar wij moeten, ten dien einde, ik herhaal het, Redelijke Schepzels blijven; Wij moeten ons geluk in geene louter zinlijke geneugtens zoeken; gene Lastige beuzelingen met wezenlijke vermaaken verwarren, noch ons zelven hooger schatten naar maate wij menschen van minder middelen, en misschien meer verdiensten, laager vernederen.”

****EERSTE BRIEF**
o.a. door koophandel en handel in anere werelddelen europa nieuwe weelde, en “thans de macht en den bloei der Staaten, zowel als het geluk der menschen te bepaalen.” 8

“De Philosophen en Politieken, die de Weelde niet dan uit dit oogpunt beschouwden, oordeelden haar zeer nuttig, ja noodzaaklijk te zijn; en verbeeldden zig den welvaart des volks, en het geluk der afzonderlijke leden, te zien verdwijnen, zo de Weelde verbannen wierdt; Di was bijzonderlijk de samenhang van denkbeelden, waar door MANDEVILLE in zijne beruchte Fabel van de Bijën geleid wierdt tot zijn gevoelen over de noodzaaklijkheid der Weelde en Ondeugd, om een staat te dowerd het ook een staatkundig onderzoek.en bloeien.”

vooral engelse godgeleerden ijverden om de weelde als ondeugd te bewijzen en haar nadelen voor de maatshcappij., na Mandeville werd het staatkundig:

Ik zal de onderscheiden beschrijvingen, welken zij, die zig meerder of minder voor het laatste gevoelen verklaard, en hetzelfde rechtstreeks, of onder zekere bepaalingen, voorgestaan hebben, als van MANDEVILLE, MELON, MONTESQUIEU, HELVETIUS, HUME, den Schrijver van de ELEMENS DU COMMERCE, dien van dit Artikel in de DICTIONAIRE ENCYCLOPEDIQUE, dien van het ELOGE VAN COLBERT en anderen niet aanhalen of wederleggen” en gaat ook voorbij aan de tegenstrijdige gevoelens als van BLUET, WARBURTON en CONDILLAC .

omdat zij niet de ‘waaren aart der Weelde in hunne bepaalingen en ophelderingen heben voorgedragen’, – ze vinden haar wel onontbeerlijk en onvermijdelijk, maardoen het in ‘ongeregeegelde , wilde bewoordingen, en bieden geen ‘nette betekenis aan’

ze werken vanuit een bepaald idee, in plaats van vanuit de aard van de weelde. 12

******* vyfde brief 53

mensen zoals door de natuur gemaakt ebben ‘stellige behoeften, die zijn maakzel in de war brengen zoo zij niet voldaan worden; en die ophouden zorda de harmonie in de dierlijke huishouding hersteld is”. de mens zonder weelde is rustig, kan anderen helpen met hun vermaak en de natuur is de groote bron van zijn genoegen, net als erkentenis

“Maar geeft nu zulke menschen eene dartele levenswijze, zegt tot hun;’Vermeerdert uwe genietinge, zoo vergroot gij tevens het algemeen geluk; Neem de Weede aan, en de arbeider, de Konstenaar, derzelver vrouwen en kinderen, zullen daar de voordeelen van genieten, [blz54]; zij zullen met een blijde hoop werken, terwijl, zonder de Weelde, het geld in de Koffers der Rijken zou blijven liggen, of alleenlijk dienen om bedoelaars in hunnen luijheid te voeden (a).” [noot 54n: “9a) MELON, Essai sur le Commerce, c. 8 HUME, essai on luxe. [sic] Eloge de Colbert.”]

vanaf dat moment zullen de dingen waar hij eerst gelukkig mee was, niet meer voldoen. zijn hart is alleen nog maar bezig met het verkrijgen ervan en blijft gesloten voor gezellige neigingen, en haat zelfs zij die hem om ‘eene weldaad verzoekt’.

“Vreemde Wijsgeerte, die het beste edeelte van den mensch vernielt! Men belast hem, met grooten ophef, menschlievend en behulpzaam te zijn, terwijl men zaaden in zijn hart strooit, die deeze deugden beletten daar in te groeien. ” 54-55

******ZEVEnde brief 71

“”De Rijkdommen, zegt de Heer HUME, zijn in alle tijden, en voor alle menschen, wenschelijk, omdat het de middelen zijn, waardoor zij die vermaaken bekoomen kunnen, daar zij aan gewend zijn of naar verlangen. Niets kan derhalven de zucht naar geld stuiten dan een gevoel van Eer, dat, zoo het niet in alle tijden gelijk is, natuurlijker wijze gemeener zal zijn in de Eeeuewn der Weelde.” Ik heb zeer veel bedenkingen tegen die aanmerking van den Heer HUME in te brengen; ik zal slechts weinige daarvan voordragen.
“Daar is niets, dat de zucht naar geld kan stuiten, zegt die schrandere Schrijver, dan een gevoel van Eer, het welk gemeener moet zijn in de Eeuwen der Weelde“Wat is de grond van die verzeekering? Hoe kan de Weelde, die de zucht naar rijkdommen doet ontbranden; de Weelde, die zig niet dan met rijkdommen kan voeden, en die echter nooit genoeg heeft aan ’t geendezelfve haar verschaffen; hoe kan die de zucht tot rijkdommen verdooven?” 72

en hoe kan de eer – die je ertoe kan doen besluiten afstand te doen van (een gedeelte) van je rijkdom – groter zijn in een eeuw “waarin Eer, geluk, en alles, van rijkdommen afhangt” 72

het gevoel van eer wordt eerder zeldzamer en slapper, naar mate de weelde doorbreekt. (voorbeelden uit klassieken)

“De voorstanders der Weelde beweeren vervolgens, dat zij de oorlogen minder wreed maakt. “Op het slagtveld zelven, zegt de Heer HUME, alwaar de Eer en het belang der menschen hart tegen het medelijden, zoo wel als tegen de vrees verharden, leggen de strijdende Partijen, na den strijd, hunnen vijandschap neder, en worden weder menschen. Het veraad [sic] en de wreedheid heerschen vooral in de ruuwste Eeuwen; en de Grieken en Romeinen schrijven die hatelijke eigenschappen bijzonderlijk toe aan de baarbaarsche Natien, waarvan zij omringd waren enz.” [blz75]

auteur vindt bij weeldeloze naties juist geen wreedheid of verraderij, en juist veel bij volkeren MET weelde: pezen, Karthaginenseren, Athene na de tijd van Pericles 75

*****NEGENDE BRIEF 97

voorstanders menen dat alleen de weelde de mensch hem “voor een noodlottigen doodslaap” kan behoeden, en dat zij alleenlijk verantwoordelijk is voor kunsten, wetenschappen en ooral de letterkunde en werken van smaak heeft voorgebracht en dus de geest in alle zijne werkzaamheid doet te voorschijn komen.

“”In die tijden, waarin de nijverheid en kunsten bloeien, zegt de Heer HUME, worden de menschen in eene geduurige bezigheid gehouden. De Geest verkrijgt eene nieuwe kracht, en breidt zijne denkbeelden en vermogens uit; – Verban de kunsten uit de Maatschappij, en gij berooft de menschen zoo wel van werkzaamheid als vermaak. Een ander voordeel van de vermeerderde nijverheid, en van de verfraeijing der werktuiglijke kunsten, is, dat gemeenlijk dezelfde Eeuw, [blz98] die de groote Philosoofen en groote Staatkundigen, de bekwaame Legerhoofden en beroemde Dichters, voortbrengt, ook goede scheepsbouwers oplevert. Men kan niet verwachten, dat onder eene Natie, daar de starrekunde weinig of niet bekend is, en de zedekunde verwaarloosd wordt, werklieden gevonden worden, bekwaam om een stuk stoffe in dien trap van volmaaktheid te vervaardigen, daar het vatbaar voor is. De geest der Eeuw deelt zig aanalle kunsten gelijkelijk meede [!!]; alles is met malkanderen verbonden; en zo dra de mensch uit dien noodlottigen doodslaap, die hem tot een blok maakte, ontwaakt, begint alles in hem te gisten en te leeven; hij wendt zich naar alle kanten, en volmaakt alle de kunsten en alle de wetenschappen. De diepe onkunde, die te voren heerschte, wordt nu geheel verbannen, en de menschen genieten het voorrrecht van redelijke schepselen te zijn; van zoo wel te denken als te werken; en van de vermaaken van den geest zo wel als die van het lichaam te bevorderen (a).” [voetnoot 98n: “(a) HUME Discours. Polit. Tom. I. p. 46.” uit de tijd dat de pol discourses dus vermeerderd waren in frankrijk, duh]

vervolgens vraagt de auteur zich af of de geschetste relatie tussen de sterrekunde en het weven, of scheepsbouwers en pruikenmakers (die komt dus uit het niets) en het is niet de weelde, maar auteur denkt dat “behoeften van den mensch, dat het verlangen om kundiger te worden, dat het vermaak, ’t welk hem de vermeerdering zijner kundigheid verschaft” genoeg zijn om kunst+wetenschap te laten bloeien [blz99]

“De Heer Hume zegt, dat, zodra de mensch [blz 100] uit dien noodlottigen doodslaap, die hem tot een blok maakte, ontwaakt, alles in hem begint te gisten en te leeven; dat hij zich naar alle kanten wendt, en alle de kunsten, en alle de wetenscappen, volmaakt” – maar is de zucht en verlangen naar die kundigheden en de meerder achting het (vervolgt de auteur) niet genoeg?

pope op 109 essay sur la critique

voltaire op 113-114, lange citaten en het blijkt wel uit de bekentenis van voltaire dat de grote geesten, geleerden uit de geneeskunde en natuurkunde en wiskunde zich zonder weelde beter zouden kunnen bewijzen 116-117.

nog een keer pope op 125

rapin thoiras 127

pope bentley clarke

**********DERTIENDE BRIEF 158

“Zij, die ten haaren voordeele geschrevn hebben, schijnen zelfs niet te vermoeden, dat men aan dit laatste [dat de weelde als het waare middel van geluk wodt beschouwd] kan twijffelen; Men moet dit uit de uitdrukkingen van MANDEVILLE, MELON, HUME, enz. natuurlijk opmaaken.” 158

en op 177: “De voorstanders der Weelde zijn zelve verplicht deze beginzelen [dat de menselijke geest verveeld raakt van de verscheidenheid – in de hypothetische situatie dat iemand altijd in zijn lust naar nieuwigeheid kan voldoen, en in de reële situatie dat hij dat niet kan, dus zijn geluk af en toe moet onderbreken omdat hij er simpelweg niet aan ká¡n voldoen] te erkennen; “De zwakheid der menschelijke natuur, zegt de Heer HUME (d) [voetnoot 177n: “(d) Meermaals aangehaald Discours on Luxe.”] kan geen onafgebroken loop van bezigheden of vermaaken verdragen; Die vaardige voortgang der geesten, dien mensch aan zichzelven onttrekt, en zijne voldoening uitmaakt, vermoeit dezelve, en put hen uit; daar [blz 178] wordt dan eenige tusschentijd van rust vereischt, die, schoon aangenaam voor een oogenblik, eene kwijning en slaapziekte voortbrengt, zo zij te lang wordt gerekt, en waardoor dus alle onze genietingen verloren gaan”

eerste register van de inhoud der brieven komen we Humes naam het vaakst tegen (2x) [193-198]

16e brief gaat over mandeville en wederlegt de “winderige besluiten” van mandeville met behulp van mercier die colbert aanhaalt.

17e idem, weerlegging door het belang van godsdienst mbv Necker.

**********ACHTTIENDE BRIEF (245)

“Derhalven, indien de Weelde eene wijze van denken en leeven is, welke de Ingezetenen van den Burgerstaat gansch niet gelukkig maakt; indien daarentegen dat gewaand sijstema van geluk tot algemeen en duurzaam ongeluk leidt, moet de gezonde Staatkunde het afkeuren; en schoon het dus al waar mogt zijn, gelijk MANDEVILLE, HUME, en derzelver navolgers beweeren, “dat de Weelde het beginzel van den Rijkdom der Staaten ware, en dat men zonder haar geene vlooten of legers, om veroveringen te maaken, kan aanleggen of onderhouden”; dan nog zoude eene wijze en billijke Staatkunde dezelve poogen te weere, indien zij de menschen ongelukkig maakt; omdat de menschen zig in eene burgerlijke Maatschappij begeven hebben om daar in hun geluk te vinden, en niet om schatten op te stapelen, vlooten uitterusten, legeers op de been te brengen, en verwarringen [blz 246] te maaken, terwijl zij onder, en zelfs door, dit alles ongelukkig leeven.”

NEGENTIENDE BRIEF over de manier waarop alles duurder wordt in een land vol weelde, en de export dus daalt en de economie begint in te zakken -> met alle gevolgen van dien

[blz 264] “Deze uitwerkzelen der Weelde, (welken ik slechts zeer kort voorstel, omdat ik aan een kundig man schrijf,) zijn daar zo nauw mede verbonden, dat haare voorstanders zelve die volmondig erkennen. “De belastingen, zo wel als de rijkdom van een Staat, zegt de Heer HUME, wanneer zij te hoog lopen, verdelgen de nijverheid, door de Wanhoop te doen geboren worden. [blz 265] Zelfs, óór dat men tot dit uiterste komt, verhoogen zij alle de arbeidsloonen, en vermeerderen gevolgelijk den prijs van alle waaren en gerieflijkheden. Eene oplettende en belangelooze Regeeringen neemt het punt in opmerking, waar de winst ophoude, of het verlies beginne? Maar dewijl het tegenstrijdig karakter veel gemeener is, staat het te veezen dat de belastingen door geheel Europa, mettertijd, derwijze vermeerder zullen worden, dat zij alle nijverheid uitdooven en de kunsten verbannen; schoon haare eerste verhooging, in gunstige omstandigheden, misschien den aanwas dier zelfde voordeelen hebben kunnen bevorderen (a)” [noot 265a “(a) Zie het zevende van zijne Politieke Diskoursen.”] Zo de Heer HUME een et denkbeeld van de Weelde gehad, en haaren waaren aart wél gekend, hadt, zo hij haaren invloed op den geest, op het hart, en het karakter van den mensch, behoorlijk in aanmerking hadt genomen, zoude hij gezien hebben, dat het in een Staat, waar de Weelde heersct, onmogelijk is eene bestiering te hebben, die oplettende en kundig genoeg zij, om [blz266] de uitwerkzelen der belastingen nauwkeurig genoeg te volgen; en om in aanmerking te nemen, waar de lijn van afscheidingmoete getrokken werden, daar de belastingen schadelijk worden voor de nijverheid? en de kunsten, fabrieken, enz. beginen te verbannen? Omdat de Weelde den mensch, daaraan verslaafd, niet toelaat, zo veele oplettendheid, zo veel oordeel en goeden wil aan de gemeene belangen te besteeden. Te meer daar hij zelf reeds ingezien en aangemerkt heeft; “dat het voor eenen Souverein, die eenigzins neigt om dezen weg in te slaan, zo gemaklijk valt om geduurig nog een weinig, nog een weinig, bij de vorige elastingen te voegen, waardoor dezelve eindelijk niet kunnen missen het gemelde kwaad onfeilbaar voorttebrengen (b)” [noot 266n: “(b) Ibidem.”

twintigste brief mirabeau ’s voortreffelijk werk (population) (281)

******* EEN-EN-TWINTIGSTE BRIEF (297) over de mate waarin de weelde de huwelijks-liefsde en ouderlijke tederheid dooft en er dus wetten gemaakt moeten worden om hiermee om te gaan (erftechnisch enzo)

“De Heer HUME erkent, dat de oude Staaten eene groote meerderheid van macht boven de tegenwoordige hadden; en dat de reden daarvan in het grooter getal van Ingezetenen gezocht moet worden; wat hij erkent, dat het alleen in de meerdere ingezetenen was, dat de Ouden hunnen veiligheid deeden bestaan (i) [noot 297n: “HUME Discours sur le Commerce &c. des Nations anciennes.”] De verzwakking van de magt der Oude Staaten is dan door derzelver ontvolking en die ontvolking door de Weelde, voortgebragt; Naardien ér op gronden van den Heer HUME zelven, geene andere oorzaak van die meerderheid van magt is aantewijzen dan omdat ‘er geene Weelde was (k). [noot 297n2 “(k) Ibidem.”]

299dan “De Heer HUME erkent zelf, dat Londen, zonder dat het veel in getal van ingezetenen vermeerdere, een jaarlijkschen toevoer van vijf duizend menschen it de Provintien van nooden heeft (m). [noot 299n: “(m) Meermaal aangeh. Essaij on Luxe.”] Bijaldien nu de Weelde zo heilzaam was voor een Staat als die Schrijver beweert, waarom dan zoudeLonden, in paats van jaarlijks vijf duizend menschen uitde Provintiën te moeten trekken, niet in staat zijn om Volkplantingen it te zenden? – En waarom zoude Engeland, in dat onderstelde geval, in den laatsten oorlog tegen de Noord-Amerikasche Koloniën, bij gebrek van Engelsche manschap, zijne vlooten en legers met zo veele vreemdelingen hebben behoeven aan te vullen?” [blz 299]

helvetius de l’esprit, op 328 in brief 24 en 350 in brief 26L “het zijn de hartstochten alleen, die de hartstochten bestrijden kunnen”

montesquieu in 367 brief 27

“Zo de Rijken niet veel verspillen, zegt hij, zullen de Armen van honger sterven”. auteur snapthet verband niet.

en op 371 nogmaals verwezen naar het voorstaan van de noodzaakelijkheid der weelde in de monarchieen van de “groote Man”

naar De PINTO op 380 essay de circulation & du credit , 28ste brief en op 383, 389, 390

mandeville in tweede index [396-401]

C. van Engelen, Brieven over de Weelde, 1791 (recensie in Algemene konst- en letterbode 38 (23 september 1791) noemt Hume al)

De almanak “De lantaarn voor… ” van Pieter van Woensel kwam wellicht iedere twee jaar uit, met uitzondering van het laatste jaar, getuige de nog overgebleven jaargangen in de STCN en DBNL (’92, 96, 98, 1800 en 1801). Zeer klein formaat ook, 16o.

In het hoofdstuk V. Gronden van Misnoegen der Nederlanders. wordt Hume op bladzijde 49 genoemd:

En dit over de revolutionnaire geest gesteldheid der bewoners van ons waereld-deel in ’t algemeen gestelt hebbende, zal ’t niet onsaisoenlijk zijn, er noch bij te voegen ’t navolgende, betreffende ons Vaderland in ’t bijzonder. De groote Staatsman en Wijsgeer HUME zegt ergens, dat de vrije Staaten de bodem zijn, waarop partijschappen ’t weeligste groeijen: in hoe verre dit toepasselijk zij op deeze gewesten is eene questie, veel te hairig om op dit tijdstip te worden
uitgeploozen. Een andert heeft gezegt, dat voorspoed de luiden brooddronken maakt; en de welvaart was, voor 1780, hier tamelijk groot. Een derde heeft beweert, dat in stadhouderlooze tijden de regeering der stad Amsterdam , of eenig paus in die regeering, gaarne den stadhouder speelt, dat zij uit dien hoofde immer een voorstanderesse was der staats-regeeringen: Een vierde en vierduizendste is van gevoelens, dat ’t eigenlijk deeze stad is, welke de eer-[50]
ste zaaden heeft uitgeworpen, waaruit de volgende troebels gekiemt hebben; en zulks enkel in ’t vooruitzicht om WILLEM DEN Vden eerst bij den volke verdacht, gehaat, daarna steê-kind gemaakt hebbende, zich zelve in de stuur-stoel en aan de helm te plaatzen.

Het zou uit “of the parties in general” kunnen komen, maar er zijn ongetwijfeld meer stukken waar hij dit heeft opgeschreven.

over Van Woensel

Kalff schaart Van Woensel in zijn Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde onder de vertegenwoordigers van het Patriottisme en de Verlichting tijdens de Bataafse periode – in het gezelschap van Wolff en Deken. Feith. Kinker. Helmers. Wiselius.

Hier in de DBNL

Volgende pagina »