[Annonce in de] Oprechte Haarlemsche courant, 30 mei en 6 juni 1793.
By j. allart, Boekverkooper te Amsterdam, is van de Pers gekomen: 1. Het lijden van den jonge werther, op nieuw uit het Hoogduitsch vertaald, en door den Vertaaler met een uitvoerige en belangryke Voorreeden voorzien, zeer keurige Editie met Plaaten, door Buis, Vinkeles en Vrydag, in gr. 8vo, op zeer fraai Papier gedrukt, á  Æ’3.
1793-4 Maandelijksche Naamlijst

[Opgave in] Maandelijksche naamlijst van Nederduitsche boeken […]
[p. 96]
in ons vaderland uitgekomen, juni 1793.

Het Lijden van den Jongen Werther, op nieuw uit het Hoogd. Vertaald en door den Vertaaler met een uitvoerige en belangrijke Voorreden voorzien. gr. 8vo, met Plaaten, door Buys, Vinkeles en Vrydag. te Amst. bij J. Allart. Æ’3–.
1793-5 Het lijden, van den jongen Werther

Het lijden, van den jongen Werther. Uit het Hoogduitsch. Amsterdam, Johannes Allart, 1793.
Voorrede des vertaalers van deeze uitgaave.

Het Lijden van den Jongen Werther verdiende in eene betere gedaante en vertaaling te verschijnen, dan de twee voorige uitgaaven, welke onze Nederlanders reeds daarvan bezitten. Hoe verre aan dit oogmerk voldaan is, mogen Leezers van smaak, die het oirsprongkelijke verstaan, die weeten wat tot eene goede vertaaling verëischt wordt, en die zich de moeite van eene naauwkeurige vergelijking willen geeven, beöordeelen.
Was ‘er ooit in het vak der Romannen een werk, waaröver men verschillende, en, niet zelden verkeerdelijk, heeft gevonnisd, het was zekerlijk dit. Sommigen hebben het geheele opstel in eene andere klasse geplaatst, dan het eigenlijk behoorde. Sommigen hebben het onderwerp zelve afgekeurd, als, naar hunne gedachten, niet gepast voor een Roman. Weder anderen meenden de zedeleer te mogen wraaken, die zij ‘er uit afleiden. Over de wijze van behandeling en uitvoering, is men het meerder eens geweest, en heeft dezelve geen’ lof geweigerd. Laat ons het een en ander wat breeder onderzoeken.
Het Lijden van den Jongen Werther, heeft men gezegd, is eene dier Schriften, welke mede den toon gegeeven hebben van het zogenaamde Sentimenteele; van dat geweldig aandoenlijke, waardoor men de harten van alle tedere en ligtgetroffene menschen tot zekere weemoedigheid vermurwt, die het oná¤angenaamste nagevoel overlaat, die de zielen der jeugd inzonderheid stemt tot eene heerschende gemoedsneiging, waarïn men behagen schept, waarïn men iets verdienstelijks stelt, die ondertusschen alleen een fijner zinnelijkheid koestert, de veêrkracht van den geest verslapt, en, onbetwistbaar, een’ valschen smaak in onze werken van vernuft ten gevolge moet hebben. Zonder ons intelaaten tot een onderzoek over den aart van het Sentimenteele in denken en schrijven, of optehaalen, wat men ‘er al voor en tegen heeft ingebragt,
[p. 97]

[p. 98]
is zekerlijk het nuttelooze en nadeelige van dat Sentimenteele, ’t welk wij boven opgaven, zo beslissend uitgemaakt, dat het niet der moeite waardig is daaröver een pen meer in den inkt te doopen. sterne bij de Engelschen, d’arnaud bij de Franschen, de Schrijver van Siegwart bij de Duitschers, en verscheide anderen, hebben zo wel groote verwonderaars als armzalige navolgers gehad. Maar, dat men toch niet onder deeze klasse brenge, alles wat met vuur, met aandoening geschreven is; alles wat, uit hoofde van het onderwerp, bij voorbeeld van de sterkwerkende hartstocht der Liefde, niet dan met vuur, met aandoening kan behandeld worden. Als alles wat met warmte over liefde en verliefdheid is geschreven, daarom in dien rang behoort, waren anacreon, catullus, tibullus, petrarcha, racine, onze poot, en honderd anderen, Sentimenteele Schrijvers, in den hoogsten graad. Doch dit bedoelt men ‘er niet mede. Men passe dit toe op het Lijden van den Jongen Werther. De werking der Liefde wordt in deeze Roman krachtig en aandoenlijk geschilderd: dit eischte het onderwerp, wilde men aan de natuur en waarheid recht doen: maar dit is immers geheel iets anders, dan dat Sentimenteele, door ’t gezond verstand, met zo veel reden, afgekeurd.
Anderen hebben de keuze van het onderwerp zelf hooglijk gelaakt. ʻHoe kan men, (zeggen zij) behaagen scheppen in een Roman, waarvan de Held zich verloopt in eene strafbaare liefde, die hem eindelijk zo duur te staan komt? Dat men ons een voorbeeld van deugd, ter navolging, in een’ Grandison, schildert, heeft een zedelijke nuttigheid; maar wat worden wij beter, wat leeren wij van een’ Jongen Werther?ʼ Hieröp was veel te antwoorden; doch, het geen hier voornaamelijk in aanmerking komt, dat men althans zijn oog vestige op het eigenlijk doel des Schrijvers: billijk, immers, kan hij vorderen dat men hem daarnaar beoordeele. Dit kan gewisselijk niet zijn, om ons Werther als een voorwerp ter navolging afteschetsen. Misschien dan, om hem als een baak, ter vermijding van een diergelijk gedrag, aan allen die in de mogelijkheid van zijn geval kunnen komen, voortestellen? Dit is althans waarschijnlijker. Doch zou de bijzondere bedoeling des Schrijvers niet nog iets anders kunnen weezen? Dat wij het ons eens dus verbeelden. Het is algemeen bekend, welke waare gebeurtenis de stoffe tot dit verdichtsel heeft opgeleverd. Een jong mensch, van verdienste en verstand, blaakt in een ongelukkige liefde tot een voorwerp, dat dezelve nimmer kan bevredigen; wordt, naar zijn denkbeelden, in zijn eer gekrenkt; wordt over het een en ander mistroostig, in zo verre, dat hij eindelijk zich, in koelen bloede, van het leven
[p. 99]
berooft. Dit schijnen de grondlijnen der historische waarheid. Wat is nu natuurlijker, dan deeze vraag: Hoe is het toch mogelijk dat een Jongeling, die anders goede gevoelens heeft, op wiens zedelijken wandel niets te zeggen is, zich zó verre kan verlopen, dat hij zich in zulk eene strafbaare liefde toegeeft? hoe is het mogelijk dat hij in zo
[p. 100]
verre alle beginselen van deugd en pligt uit het oog kan verliezen, om, eindelijk, het waardigste van alles wat hij bezit, zijn leven naamelijk, aan zijn hartstocht opteofferen, en zich, in allen gevalle, aan een daadelijk misdrijf schuldig te maaken? De Wijsgeer en onderzoeker van ’s menschen hart en hartstochten, tracht dit op deeze wijze te verklaaren. Wij menschen, zegt hij, hangen, in ons denken en doen, verbaazend af van onze bijzondere geaartheid, en de omstandigheden die ons omringen. Werther kan, bij een’ schat van kundigheden, bij de beste beginselen en het edelste hart, een’ zwaarmoedigen inborst, een neiging tot het droefgeestige gehad hebben. Misschien had hij, bij eene levendige verbeelding, veel aandoenlijkheid van ziel, een levendigheid en aandoenlijkheid die veel afhingen van uiterlijke omstandigheden, van zijn gezondheid, van den gezelligen kring waarïn hij verkeerde, van het weêr, van het jaarsaizoen, van honderd andere dingen, die op ons werken. Hij kan, inzonderheid teêrgevoelig geweest zijn op het punt van eer. Voor zulke karakters heeft hoogmoed en verachting iets zeer beledigends; voorá¤l wanneer men die ondervinden moet van menschen, die zelf hoogstverachtelijk zijn. Die belediging kan weder, door een menigte van toevalligheden, gegrond in zijn bijzondere betrekkingen, een vermeerderde kracht ontvangen hebben. Werther zag, mogelijk, Charlotte de eerste maal in een tijdstip en onder een voorkomen, die te samen den sterksten indruk op hem maakten, een indruk, dien hij naderhand, toen hij hoorde dat zij verloofd was, wel gevoelde dat hem te sterk getroffen had, doch die hij meende te kunnen vermeesteren. In vervolg van tijd, toen hem dit mislukte, wierd hij meer en meer verlegen met zichzelven. Voorige uitwerksels van zijn zwaarmoedigheid, worden nu weder oirzaaken van anderen. Nu wordt hij radeloos, wordt wanhoopig, wil zichzelven diets maaken dat hij zekere kalmte bezit, die hij meer wenscht dan gevoelt, en komt, eindelijk, door dit alles, in eene omstandigheid, die hem tot het medelijdenswaardig slachtöffer maakt van eene onbevredigde en in allen gevalle strafwaardige liefde. Zó redeneert de Wijsgeer. Maar wat doet nu de wijsgeerige Dichter of Romanschrijver? Hij oordeelt het wel der moeite waardig, deeze denkbeelden te ontwikkelen; wel der moeite waardig, aantetoonen, hoe bij een’ mensch van zulk een gegeeven karakter, van stap tot stap, de omstandigheden zich hebben kunnen verëenigen, dat ‘er zulk een aanëenschakeling van lotgevallen, en zulk een eindelijke uitkomst, natuurlijkerwijze, plaats moest hebben. Welá¤an, zegt hij, zulk een Werther zij mijn dichterlijk Ideaal! dit zal ik mij bevlijtigen uittewerken, en, zo veel mogelijk, tot een
[p. 101]
bevallig geheel te brengen. Wat dunkt u, Leezer, zou dit bij den Schrijver van deeze Roman ook plaats gehad hebben? en zo hij dit bedoelde, kunt gij dan een oogenblik weigeren hem, wegens zyn behandeling, wegens zijn schildering van dit Ideaal, den hoogsten lof te geeven? ʻJa maar, zult gij zeggen, ʻwaarom het zedelijke zo verre uit
[p. 102]
het oog verloren, of ons zulk een uitvoerig schilderij gegeeven van een karakter, waarïn zo veel is aftekeuren? Waaröm ons niet een navolgingswaardig karakter voorgesteld, dat immers de zaak der deugd ongelijk meer zou bevorderen?ʼ Begrijpt men dan niet, dat het ongerijmd is, een man van genie te willen voorschrijven welke stoffe hij zal bearbeiden? den Dichter of Romanschrijver aan de soort van Ideaal te bepaalen, welke hij zal uitwerken? Blijft het niet alleen de vraag, of hij zekere hartstochten, deugden of gebreken, naar waarheid, als een meester in zijn kunst, schetst, en niet zo zeer welke hartstochten of deugden en gebreken hij daartoe verkiest? Is richardson, als Romanschrijver, niet even groot en verdienstelijk in zijn karakter van Lovelace, als in dat van Grandison? Mag wouwerman niet zo wel veldslagen en plunderingen schilderen, als van huysum bloemen en vruchten?
ʻEvenwel het Lijden van den Jongen Werther is een Apologie voor den zelfmoord.ʼ Deeze beschuldiging is vrij algemeen; maar op welk een’ grond? De held van het stuk is een zelfmoorder, en bijgevolg… Men kan niet nalaaten zich, bij zulk een besluit, te herïnneren aan het geen verhaald wordt van zeker Fransch Abbé, dien men zijn oordeel vraagde over de Anti-Lucrece van den Kardinaal de polignac. De man kende het boek niet, en wilde ‘er toch iets van zeggen; dus maakte hij het vonnis op uit den tijtel. ʻSlecht genoeg, (zei hij) dat aanzienelijke mannen zulke snoode ondeugden als de onkuischheid in bescherming neemen.ʼ Hij dagt op dat pas alleen aan de Romeinsche Lucretia, of wist misschien niet eens, dat ‘er ooit een Lucretius Carus geweest was. Is dan, om tot onze Roman weder te keeren, het deerlijk einde van Werther niet veel geschikter om ‘er ons afkeer tegen inteboezemen, dan om het ons aanteprijzen? ʻDat evenwel (zegt men) de Schrijver iets diergelijks bedoeld hebbe, schijnt daaruit te blijken, dat hij Werther den zelfmoord laat verdedigen; en wat is dat verdedigen anders, dan de zaak rechtvaardigen?ʼ Men heeft reeds voorlang aangemerkt, dat zelfmoord niet kan gerechtvaardigd worden, om dat alle rechtvaardiging, zal ze toets houden, het werk moet zijn van echt, gezond, bedaard verstand; en dit heeft nog nooit iemand tot een zelfmoorder gemaakt. Het is waar, Werther brengt ‘er zijn redenen voor bij, en wederlegt, op zijne wijze, de gronden van Aelbert: maar, dat men het een en ander slechts van nabij beschouwe, en men zal bevinden, dat zijn redenen zo zwak en gebrekkig zijn, als zijn geheele wederlegging slechts in verre gezochte uitvluchten of valsche gevolgtrekkingen bestaat. Waarlijk, een Schrijver, die deeze leer in ernst had willen
[p. 103]
verkondigen, en met de schritten van een hume, montesquieu, rousseau en anderen niet onbekend kon weezen, zou wel andere redenen te berde gebragt hebben, en de Emilia Galotti niet tot het leesboek van zijn’ held gemaakt hebben.
Wij gelooven dat door diergelijke bedenkingen, het zogenoemde ge-
[p. 104]
vaarlijke van deeze Roman merkelijk zal verminderen, en onze Schrijver, wanneer men hem uit het rechte oogpunt beschouwt, zich ten dien opzichte wel laat verdedigen. Nooit heeft hij bedoeld den ongelukkigen Werther vrij te spreeken; en dit kan ook voor den rechterstoel der gezonde reden nooit geschieden. Zijn waare bedoeling vertrouwen wij genoegzaam ontwikkeld te hebben. Behalven het meesterlijke in de behandeling, waarvan Schrijvers en Dichters niet weinig kunnen leeren, gevoelt men bij de doorleezing, en voorá¤l bij het einde van dit opstel, deeze dubbelde les; eerst, hoe allergevaarlijkst het, ook voor het edelste hart is, eenig het minste voedsel te geeven aan de hartstocht der liefde omtrent een gehuuwd voorwerp, dewijl dit, uit zijn’ eigen aart, niet dan de ijsselijkste gevolgen kan na zich sleepen: een leer, die onze zogenoemde groote waereld wel eens met luider stemme mag worden gepredikt: – ten tweeden, hoe het een grondbeginsel en voorschrift van alle zedelijke deugd is, zorgvuldig naar ons geweten te luisteren; en wanneer dit spreekt, wanneer dit ons waarschouwt, niet alleen geen’ stap verder voort te treeden, maar, onmiddelijk, tot ons waarachtig zelfbehoud, omtekeeren, en ons door een wijze vlucht te redden.

De exemplaren met op de titelpagina het jaartal 1793 zijn verder identiek aan die welke 1792 gedateerd zijn (cf. 1792-7).
Ofschoon in het voorbericht gepretendeerd wordt dat het hier een nieuwe vertaling betreft, komt de tekst tot op zeer grote hoogte overeen met die van de eerste tot en met de derde druk. Niettemin treft men – uitsluitend in het eerste deel – enkele sporen van de zweite Fassung van Werther aan; klaarblijkelijk heeft de vertaler ook een recente Duitse editie bij de hand gehad. Zie verder de Bijlage p. 227-228.
Het Gesprek van Riebe is in Allarts uitgave niet opgenomen. De mottoverzen zijn overgenomen, zij het dat het eerste gereduceerd is tot: ʻMoest dan de liefde – een bron van zo veel jammers zijnʼ. Merkwaardigerwijze ontbreken in de tekst de inleidende woorden: ʻWas ich von der Geschichte des armen Werthers nur habe auffinden könnenʼ etc.
Uiterlijk is het boek veel royaler verzorgd dan zijn voorgangers. De prijs was navenant: Æ’3,-, tegenover 18 stuivers voor de eerste druk en één gulden 18 stuivers voor de tweede druk met illustraties.
Men heeft reeds voorlang aangemerkt, dat zelfmoord niet kan gerechtvaar-
[p. 105]
digd worden, om dat alle rechtvaardiging, zal ze toets houden, het werk moet zijn van echt, gezond, bedaard verstand; en dit heeft nog nooit iemand tot een zelfmoorder gemaakt: Vergelijk Garve (1778-2): ʻEn dit is een nieuwe grond tegen den zelfmoord. De toestand der ziel, in welken men er toe bekwaem is, is altoos een ontstelde, verdorven toestandʼ etc. (p. 20).
[p. 106]
de Anti-Lucrece van den Kardinaal De Polignac: Melchior, cardinal de Polignac, Anti-Lucretius, sive de Deo et natura, 1745, in het Frans vertaald 1749. Felle bestrijding van het epicurisme dat Lucretius voorstaat in zijn De rerum naturae.
de schriften van een’ Hume, Montesquieu, Rousseau en anderen: David Hume verdedigt het recht op zelfdoding in het eerste van zijn Two essays. [On suicide, and on the immortality of the soul], 1777. Montesquieu laat Usbek hetzelfde doen in de 76e brief van de Lettres persanes (1721). In Rousseaus Julie ou la nouvelle Héloïse (1761) verdedigt Saint-Preux de zelfmoord in de 21e brief van het derde deel; hij wordt evenwel scherp terechtgewezen in het onmiddellijk volgende antwoord van Milord Edouard.
Hoe overvloedig in de 18e eeuw de beschouwingen over suïcide waren, komt (voor Frankrijk) naar voren in Bayet, Le suicide et la morale p. 617-686.
de Emilia Galotti […] het leesboek van zijn’ held: Emilia Galotti (1772), treurspel van Lessing, Bij de beschrijving van Werthers dood wordt gemeld: ʻEmilia Galotti lag auf dem Pulte aufgeschlagenʼ. In het stuk dreigt Emilia door een vorst verkracht te worden; op haar eigen verzoek doodt haar vader haar om deze schande te voorkomen.

uit J. J. Kloek, Over Werther geschreven… HES Uitgevers, Utrecht 1985 (2 delen), via: DBNL: link: http://www.digitalebibliotheek.org/tekst/kloe003over01_01/

Leave a Reply