Aantekeningen bij:
Fresco, M. F., ʻHemsterhuis tussen Leibniz en Hume: of het problem van de natuurlijke religieʼ, De geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland 5 (1994), 121-138.

natuurlijke religie/ natuurlijke theologie: gestoeld op het idee dat je ook zonder de openbaringen kon. Ook wel deïsme [125] In navolging van Descartes rees de overtuiging dat je ook met alleen de ratio de belangrijkste geloofswaarheden (het bestaan van god en de onsterfelijkheid van de menselijke ziel”- noodzakelijk om de mens moreel op het rechte pad te houden”) kon bewijzen.

godsbewijs a posteriori wil er bij Fresco niet in – de empirische premisse van een mooie, doelmatig ontworpen aarde

Herman Philipse: na Hume en Kant geen enkele deskundige filosoof die nog in dergelijke godsbewijzen gelooft. Dat gaat Fresco te ver.
Kant twijfelt ook niet aan god zelf, maar aan de godsbewijzen. Hume verschilt hierin van Kant. [124]

Plato voorstaat een zgn. ‘wereldziel’ [125]

Hemsterhuis’ boeken zijn geveild bij Scheurleer.

Hemsterhuis begrijpt de dialoogvorm van Hume niet helemaal en gaat ervanuit dat Hume gepersonificeerd is in Philo.

Fresco betwijfelt of de commentatoren wel gelijk hebben wanneer ze zeggen dat de Dialogues een imitatie zijn van Cicero’s De natura Deorum. (Ook een dialoog).

Hemsterhuis vindt Hume maar niets. Interessante stijl, want Ciceroisch, maar “weinig filosofie, weinig genie en enorm veel fantasie, maar die zwarte, sombere fantasie van hume. Ik heb nooit krassere kreten ten gunste van athe†¢sme en tegen alle religie gezien, maar het is zo zwart dat het pijn doet aan het hart: het is walgelijk. U weet best, Diotima, dat ik er de man naar ben om dergelijke auteurs koel en nuchter te lezen. Toch heb ik op het punt gestaan het boek in het vuur te gooien toen ik nog ŽŽn kwart moest lezen.” [137-138)
Noemt Hume verder nog de Voltaire van de Engelsen, zelfs minder oppervlakkig, maar “Voltaire bezat tenminste opgewektheid. Na het lezen van Voltaire lach je op de een of andere manier, maar na het lezen van Hume zou je je willen ophangen. Zolang deze man zich tot de geschiedenis van mensen enz. beperkt, ziet hij de dingen helder en duidelijk, maar wanneer hij de grote onderwerpen uit de filosofie wil bekijken, wordt zijn blik door een zwarte sluier bedekt, waardoorheen zijn blik niet alleen meer een groot geheel kan omvatten, maar zelfs de delen zich niet duidelijk aftekenen.

Bibliotheek van Hemsterhuis
Sluis, Jacob van, Bibliotheca Hemsterhusiana. Het boekenbezit van Tiberius en Frans Hemsterhuis, met genealogie en bibliografie (Budel/Leeuwarden 2001).

“Boekenbezit was in de 18e eeuw voornamelijk een particulier aangelegenheid. Universiteitsbibliotheken bezaten vaak een kleine collectie, alleen te raadplegen door docenten en studenten volgens zeer beperkte openingstijden. Stads-en openbare bibliotheken, toegankelijk voor een breed publiek, ontstonden pas in de 19de eeuw. Wie een boek wilde gebruiken moest het dus zelf aanschaffen en de bibliofiel die boekencollecties wilde bewonderen zocht particuliere verzamelaars op. Op deze wijze maakte de Zweedse geleerde Jacob Jonas Björnstá¥hl een rondreis door Europa, waarbij hij geleerden met een befaamde boekencollectie opzocht. In september 1774 deed hij Den Haag aan, waar hij o.a. Frans Hemsterhuis bezocht, waarvan hij stelt dat diens ‘boekverzameling’ weliswaar ‘zeer aanzienlijk is, schoon het grootste gedeelte der boekerij van zijnen vader, nevens all’de nagelaten handschriften van dzzen geleerden Grieksch en wiskundigen nog in kisten ligt’. (in kisten!)[13]

in 1766 sterft tiberius, en het was altijd zijn wens op het aan de bieb van de universiteit Ledien zou geschonken worden, maar Frans bedacht zich weinig.
BOekenveleing door J. van Cleef en B. Scheurleer, Boekverkoopers in s’Hage op 4 5 en 6 april 1791

“Allereerst geldt dat er inzicht geboden wordt over de collectie zoals die er is in 1791, geheel aan het einde van de collectievorming en op het moment dat ze weer uiteenvalt. Aanwezigheid van een boek in de collectie betekent nog niet of het boek werkelijk gelezen of benut is; evenmin wordt duidelijk wanneer dat boek verworven is. Voorts valt niet uit te sluiten dat vader en zoon nog andere, niet vermelde titels tot hun beschikking hebben gehad, in eigen bezit of via bruikleen van anderen. Geïllustreerd met een voorbeeld: uit de catalogus zou men kunnen opmaken dat Frans Hemsterhuis slechts één boek van David Hume bezat, de Dialogues concerning Natural Religion in een Franse vertaling uit 1779 (t.w. o120). Had hij die verworven dadelijk bij verschijning of pas veel later? Kende hij ander werk van Hume? – Op vragen als deze geeft de auctiecatologus geen uitsluitsel.

(noot: Toevallig weten wij uit zijn brief aan prinses Gallitzin gedateerd 8 november 1779 dat hij de Dialogues inderdaad onmiddelijk heeft gekregen en Hume als filosoof èn als historicus heeft gekend: Marcel F. Fresco, ‘Hemsterhuis tussen Leibniz en Hume, of het problem van de “natuurlijke religie”‘, in: Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland. Documentatieblad Werkgroep Sassen, 5 (1994), 121-138, m.n. 131-135.)

In een brief van Frans Pardicque (verre neef van Hem) aan Pieter van Damme (boekhandelaar en penningen-verzamelaar (net als Hem) lezen we dat Hemsterhuis al een tijd geen contact meer had met familie, dus dat de erfenis niet geheel toevallig naar zijn vriend Van der Hoop (collega als commies bij de Raad van State en toentertijd thesaurier-generaal van de Generaliteitsrekenkamer) ging. Ook belangrijk: “Men wist reeds lang, dat dat fraai en pretieus was, weggeschoonken of getransporteert was aan deeze en geene, en wel genoegsaam al het voornaamste aan zeekere voornaeme, geleerde Dame” ->

Adelheid Amalia prinses Gallitzin geboren gravin Von Schmettau (1748-1806), echtgenote van de Russiesche gezant te Den haag, die in 1779 zijn filosofie in Má¼nster introduceerde. [12] en bleef schrijven. denk ik.

“Toch kunnen we enkele behoedzame opmerking maken over de collectie als geheel zoals die in de catalogus en in de inventaris naar voren komt. In het vakgebied van de filosofie is Spinoza goed aanwezig. Zoals te verwachten viel bezat Frans Hemsterhuis veel werk van contemporaine Duitse filosofen zoals Herder en Jacobi. Echter, Kant ontbreekt geheel. De eigentijdse Franse filosofie is relatief goed vertegenwoordigd: Holbach, De Lamettrie, Voltaire, D’Alembert, Diderot – het aandeel van de Engelse wijsbegeerte is, anders dan men wellicht verwachten zou, beperkt: Lock, Shaftesbury, Hutchinson, Berkeley, Hume. Goed voorzien is de collectie van werken op vakgebieden die de bijzondere interesse van Frans Hemsterhuis genoten: de wiskunde, optica en astronomie.” [20]

**********************
Philos. & Med., Gr., Lat., Aliiq., in Quarto:

Oeuvres philosophiques van Leibnitz, par Raspe. Amst 1765. en veau. (3:15)
Essai philosophique sur l’entendement humain, par Lock. Amsterdam 1742. Semi lig.

Philos. & Med., Gr., Lat., Aliiq., in Octavo:

[blz 112]
voor de PRIJS van 1:6
120
Dialogues sur la Religion naturelle; Ouvrage de Hume. Edinb. 1779.

[blz 122]
355 – D. Hume á¼ber den glauben oder Idealismus und Realismus, ein gesprá¤ch von F. H. Jacobi. Breslau 1787.
PRIJS: 1: 7
(ook in de bieb.
Uber die lehre des Spinoza in briefen an den Hern Moses Mendelsohn, von Jacobi. Breslau 1789, maroquine band. bis broché PRIJS 2:4

Uber die lehre des Spinoza in briefen an den Hern Mendelohn. Breslau 1785.
Jacobi wider Mendelsohns beschuldigungen betreffen die briefe uber die lehre des Spinoza. Leipzig 1786. fr b. SAMEN PRIJS -;9

Fergusons Grundsá¤tze der Moral Philosophie. Leipzig 1772.) PRIJS -: 6

Discours sur ‘lorigine de l’inégalité parmi les hommes, par J. J. Rousseau. Amst. 1755

Metaphysique de l’ame ou Theorie des sentimens moraux, par A. Smith. Paris 1764. 2 vol.

****
Lettres de l’Abbé le Blanc. Amsterdam 1749. 3 vol.

Jacobi vertaalde werken van hemsterhuis, waaronder een “Beylage II Diokles an Diotime á¼ber den Atheismus’.de editie van 1789,

141 veel boeken over gs van engeland maar niet de history of england.

R.C. Bakhuizen van den Brink, Studiën en schetsen over vaderlandsche geschiedenis en letteren. Deel 2
115-116

(let op de geloofquote van Hume

“Maar van alle bestrijders des Christendoms won HUME het verreweg in scherpzinnigheid. Na beweerd te hebben dat de rede ons van de waarheid dier leer geénszins kon overtuigen, vervolgt hij: ʻwij trachten hiermede die gevaarlijke vrienden of verborgen vijanden des Christendoms te beschamen, welke ondernomen hebben het te verdedigen uit de beginselen der menschelijke rede. Onze allerheiligste Godsdienst is op geloof, niet op de rede gebouwd; wanneer men haar op eene proef stelt die zij niet kan doorstaan, ondermijnt men haar. – De rede alleen kan ons van hare waarachtigheid niet overtuigen; hij die door het geloof gedrongen wordt haar zijne toestemming te geven, heeft in zich zelven het bewustzijn van een voortdurend wonder, dat de grondbeginselen van zijn verstand omverre werpt, en hem dwingt; aan te nemen, hetgeen geheel en al met de gewoone ondervinding strijdt.ʼ(3)
Naast deze plaats van HUME, stellen wij eene andere. ʻHet geloof is het vermogen datgene te gelooven, ’t welk niet gelooflijk is; of te willen gelooven hetgeen niet
gelooflijk schijnt; of te gelooven, wat gelooflijk schijnt te zijn. In de beide eerste gevallen is eene bijzondere werkzaamheid van het Opperwezen volstrekt noodzakelijk; in het laatste is ieder mensch evenzeer lijdelijk, want het hangt niet van hem af, dat iets hem geloofwaardig schijne. Bijgevolg is ook daartoe eene bijzondere werkzaamheid van God noodig op de ziel van den mensen; en bijgevolg is het zeer waar, dat het geloof slechts eene bijzondere gave Gods zijn kan.ʼ(1) Het verschil der denkbeelden, in beide plaatsen uitgedrukt, is gering; en toch werd HUME om de eerste te regt als vrijgeest beschouwd; – en niettegenstaande de laatste is HEMSTERHUIS door den Heer TYDEMAN als christen geroemd! ʻHet is nog moeijelijker,ʼ zegt HEMSTERHUIS, ʻom de bron eener godsdienst, dan die eener wijsgeerige secte op te sporen: tegenwoordig is het bijna onmogelijk zich de Christelijke Godsdienst in hare zuiverheid voor te stellen, en zich een juist begrip te vormen van de gebeurtenissen die hare geboorte vergezelden.ʼ(2) Hadden TINDAL, COLLINS, MORGAN,anders kunnen spreken?”

Verwijst kort daarvoor ook naar (2) LELAND, A View of the principal Deistical Writers; London, 1764. Vol. I page 133.
(3) HUME’S Essays and Treatises, on several Subjects. Edinburgh: Bell & Bradfull 1800: Of
Miracles Vol. II p. 137, 138.

Ankersmit over Blom over naturalisme in politieke theorie in BMGN, 1995.

Ankermit: “Op overtuigende wijze verdedigt hij [Blom] de stelling dat de Nederlandse politieke theorie hier een beslissende bijdrage leverde aan de geschiedenis van het politieke denken.”

de Nederlandse politieke filosofie legt de brug tussen het neo-stoicisme van de zestiende eeuw (Machiavelli/Lipsius) en de proto-sociologische politieke filosofie (Schots – Mandeville – Fable of the Bees) anderzijds.

Republiek was een anomalie in de zestiende eeuw, waardoor een uitzonderlijke intellectuele uitdaging ontstond

Cartesianisme en Hobbes’ wijsgerige antropologie werden ingezet en er vormde zich een brug naar een ‘naturalistische’, geseculariseerde politieke theorie die haar basis en fundering uitsluitend had in één of andere omschrijving van de menselijke natuur [1]

Franco Burgersdijk (1590-1635) anticipeerde Humes  ‘reason is … slave of the passions’

Van Velthuysen: halfslachtig om Calvinisten en Remonstranten niet tegen het hoofd te stoten

Pieter de la Court: “interest van Staat” als gids voor de politicus, Machiavellist

Je hebt volgens Blom een ‘idealistische’ politieke theorie  die morele voorschriften biedt (de traditie) en een ‘realistische’ politieke theorie die menselijke passies en menselijke natuur als een gegeven aanvaardt (naturalistisch program)

Maar ook de naturalisten komen in zekere zin tot een ethiek, iets waar Machiavelli (had Isaiah Berlin laten zien) juist geen heil in zag. ’t was niet kiezen tussen altruïsme of egoïsme om tot die politieke ethiek te komen, maar die ethiek zelf was niet in verband te brengen met de politiek.

Dus kwamen Burgersdijk en Van Velthuysen er niet uit: zij probeerden toch een soort ethiek te maken. Pas Spinoza slaagde erin te bewijzen dat je, als je een stukje van je rechten opgeeft, je die terugkrijgt PLUS een aandeel van die macht van het collectief. Hiermee wordt Machiavelli’s stelling dat privésfeer en collectief niet met elkaar correleren verworpen.

Spinoza en Willem van der Meulen worden aangevoerd als ontwikkelaars van dit onmisbare naturalisme

Kossman schreef in 1960 Politieke theorie in het zeventiende-eeuwse Nederland