Volgende pagina »

in deel 1 vinden we Rousseau (karakter van den beroemden , en geluk der beschaafde volken boven de wilden[161-168] en een stuk over slagers en heelmeesters wordt Emile genoemd [305-312]), Voltaire (in een stuk over de roemzucht, en in een voetnoot over Charles XII oid) en Puffendorf en Suszmilch [zijn Godlyke orde]

maar in de usual suspects:

-vrijheid van godsdienst
-over de pragt en de weelde
-over de koophandel

niets van hume

DEEL 2:

ook niet in een stuk over “wat de oeconomie is” [17-24]

In de borger 54 (4 oktober 1779) gaat het over de “voordelen die de godsdienst der borgerlyke maatschappye aanrengt”
lezen we hoe Montesquieu in Espr. Des Loix Bayle weerlegt als hij zegt dat de christenen geen staat zouden stand laten houden [27]
bygelovigen /dwepers worden inderdaad voor gevaarlijker aangezien in de menschelijke geschiedenis (en hiermee wordt Bayle gelijk gegeven) maar… alleen omdat er veel meer dwepers zijn geweest dan verzaakers.

De onschuldige Spinoza wordt aangewezen als voorbeeld van hoe je niets te vrezen hebt, maar, zegt de borger, Wijsgeeren zijn het zelden[28]
En dan ten slotte Voltaire nog geciteerd met zijn spreuk “van een fraai vernuft” dat men in Frankrijk “den Paus de voeten kussen, maar de handen binden moet”

no 64 en 65 ( 13 en 20 dec 1779) gaan over gierigheid.
Wel geciteerd uit “De Heer PINTO Essay sur le luxe 1762 [118] en de OPMERKER, I. DEEL, bl 79, niet uit Hume.

no 74 (21 feb 1780) in een stuk over vrijheid vd drukpers in ’t algemeen (weken later volgen “omtrent godsdienstige” en politieke zaken) wordt marmontel en zijn Belisaire genoemd

No 77 (13 maart) gaat na drie betogen over de vrijheid van de drukpers in op de boeken die dan wél verboden zouden mogen worden: dat zijn boeken, “die niet strekken tot bevordering der weetenschappen,maar die of byzondere persoonen, of amptenaars, of de hooge overheid zelve, beleedigen”, mits er niet al te veel exemplaren in omloop zijn, want dan heeft het geen zin en vergroot je de aandacht en vraag naar dit soort boeken veels te erg. [210]
Dan ook nog leerstellige boeken, die bijvoorbeeld het “bestaan van een opperwezen, de zeedelyke regeering van god, en het onderscheid tusschen deugd en ondeugd, de zekerheid van eenen toekomenden staat” aantasten óf “vuile denkbeelden” verspreiden, “welken door het streelen eener dartele verbeeldenskragt kwaade lusten opwekken en de zeeden bederven.” Maar een verbod heeft een vergelijkbaar nadeel [211]
[is dit dezelfde borger die ook Pope quote als hij schrijft: To enjoy is to obey?”]
Bovendien “het verbieden van een boek is geene wederlegging. Wanneer ik een godloos boek het berugte Système de la Nature, by voorbeeld, met goedkeuring gelezen heb, en my overreed agt van de stellingen des schryvers, zal ik niet van gedagte veranderen, omdat dat boek verboden wordt.” De schrijver vervolgt te zeggen dat het de plicht is van de overheid om (onderhands, anders valt het teveel op) “bekwaame lieden aantemoedigen tot het wederleggen van alle schadelyke boeken”. Het advies van de borger is, in alle stilte zoveel mogelijk exemplaren bijeenrapen en vernielen. [213]

en op elke titel ook de naam van de uitgever, zodat er geen misbruik wordt gemaakt van drukpersen. Anonimiteit is echter niet per definitie slecht [215]

No 79. (27 maart 1780) Schets van den staat der voorige eeuwen met betrekking tot het geluk der menschen in Europa. Pragt der voorige eeuw. Hedendaagsche pragt. Waaruit ontstaan. [225-232]
Op bladzijde 226 vinden we een verwijzing naar Hume’s “Hist. of Engl. Vol V. p. 503.” en daarna nog één naar Vol VI!
“Hume (kruisje) geeft deze beschryving van de [227] leevenswyze der grooten ten tyde van Koningin Elizabeth, dat is op ’t laatst der zestiende en ’t begin der zeventiende eeuw: “De adel, zegt hy, bleef in deze eeuw nog tot zekeren trap toe by de oude kostbaarheid in gastvryheid en het groote getal zyner bedienden; en de Koningin vond nodig, de kostbaarheid van dit laastse artikel een verbod te bepaalen; doch zy moedigde meer of min het kostbaare gastereeren aan door de menigvuldige bezoeken, welken zy den adel gaf, en de pragtige feesten, die zy van den zelven ontving. De Graaf van Leicester onthaalde haar op ’t kasteel van kenilworth op een feest dat buitengemeen kostbaar en pragtig was. Onder andere byzonderheden vinden wy, dat op het zelve drie honderd vyfenzestig vaten biers gedronken wierden. De graaf het het kasteel met groote kosten versterkt, en men had daar wapenen voor tien duizend mannen. De Graaf van Derby onderhield een gevolg van tweehonderd en veertig knegts. Burleigh, schoon een spaarzaam man, had er honderd. (….) “Maar,” dus gaat hy voort, “schoon ‘er nog veel overbleef van de oude gewoonten, begon evenwel de adel trapsgewyze smaak te krygen in eene meer bevallige pragt; en verscheidene gebouwen, inzonderheid, wierden getimmerd, net, ruim en kostbaar, tot een groot sieraad van ’t koninrijk, zegt Camden, maar tot geen minder verval van de roemryke gastvryheid der natie. Het is, evenwel, waarschynlyker te denken dat deze nieuwe wyze van verteering te maaken de konsten en nyverheid bevorderd hebbe, daar de oude gastvryheid de bron was van ondeugd, wanorder, oproerigheid en lediggang.” De zelfde schryver geeft op eene andere plaats eene schets van de leevenswyze ten tyde van Koning Jacob I. (*)
(*) Vol. VI. p. 109.
[228] “Men had toen zeer veel op met eene hooge geboorte en het was door zekere waardigheid en deftigheid van leevenswyze dat de laage en hooge adel zig van ’t gemeen onderscheiden. Groote schatten, door den handel verkregen, waren toen zeldzaamer, en nog niet, gelyk nu, bekwaam geweest, de rangen der menschen als te verwarren en het geld den voornaamen grondslag van aanzien te maaken. in het gemeene leeven vond de grootste statigheid plaats, en de grooten duldden weinig gemeenzaamheid. De voordeelen, welken de rykdom aanbrengt zyn zo wezenlyk en groot, dat de bezitters derzelven niet behoeven te vreezen, al te na door hunne minderen genaderd te worden. Het onderscheid van geboorte en titels, meer ydel zynde en in verbeelding bestaande, verdwynen welhaast by eenen gemeenzamen omgang en kennis.
De uitgaaven der grooten geschieden veeler in ’t maaken van eene groote vertooning en het houden van een talryk gevolg, dan in ’t neemen van gemak en vermaak. De graaf van nottingham werd, by zyn gezaantschap naar Spanje, verzeld van vyfhonderd persoonen, en de Graaf van hertford, by zyn gezantschap naar brussel, nam drie honderd edellieden mee.” [einde citaat Hume]
Men ziet hieruit, dat in die tyden, welken men geoon is, tyden van eenvouwdigheid en spaarzaamheid te noemen, doch die eerden den naam van ruwe tyden verdienen zouden, eene zeer buitenspoorige pragt heerschte; en, schoon LORD BACON heeft aangemerkt, dat de Engelsche adel van zynen tyd een grooter getal van bedienden onderhield, dan de Poolsche mooglyk uitgenomen, eenige adel in Europa, is het egter zeker, dat dit soort van pragt voor de tyden der grootere beschaaving van ons werelddeel ook in de overige landen van hetzelve veel grooter is geweest dan tegenwoordig”
[Het stuk eindigt als volgt:
“Zeer veelen gaan de maat te buiten. In plaats van volgens hunnen staat en vermogen zig van de voorbrengselen der konsten te bedienen en de voordeelen van eene beschaafde en gelukkige eeuw te genieten, gaan zy buiten hunen staat en boven hun vermogen. In plaats van de vermaaken en gemakken van het leeven te gebruiken, misbruiken zy ze; hun hart hegt zig alleen aan de voorwerpen der pragt en weelde. Bedorven in hun zelven, bederven zy ook anderen door hun voorbeeld. Het verval van veele huisgezinnen komt hier uit voort, en dezen sleepen ook anderen mede in ’t bederf. De goede zeden loopen hierdoor gevaar. Dit zyn de gevolgen onzer hedendaagsche pragt en weelde, tegens de welken onze zedenmeesters niet genoeg waaken en prediken kunnen. Maar zouden alle deze kwaade uitwerkselen wel zo verderflyk zyn , als de ruwe en barbaarsche pragt van de grooten der vroegere eeuwen, die, alleen het goede van het leeven genietende, alle menschen als hunnen slaaven, alleen voor hun vermaak geschapen, beschouwden en behandelden? Wat is beter, dat eenige dwaazen zig bederven, en met hun eenige onschuldigen mede in ’t bederf sleepen, of dat honderd duizenden in slaaverny zugten en alleen strekken tot vervulling van de grillige buitenspoorigheden van weinigen, die ook meest allen bedorven zyn? Men smaale op onze eeuw, men werpe haar de eernaam van verlichte eeuw, als eenen onverdiendeneernaam, tegen, en verheffe hemelhoog de oude eenvouwdigheid: voor ons wy zien geene reden om ons over het lot te beklaagen, ’t welk ons in deeze eeuw heeft doen geboren worden.”
[is ondertekend met W. op blz. 232]

Montesquieu Esprit d. Loix [237] en op [238] Consid. sur la causes de la Grandeur des Romains ch 10

no. 82 (17 april 1780) over het volks karakter; zyn natuur en oorsprong [249-256]

– geeft zowel fysieke als morele oorzaken;

“De leevenswyze der menschen heeft grooteren of kleineren invloed op het volkskarakter, naar mate het geheele volk meer of min de zelfde leevenswyze leidt. een land met veel vissers: gehard. de bewooners van groote koopsteden: “zagter van karakter, zo niet veeltyds laf en verwyfd” [254]
de kleine koophandel waarmee joden en chinezen zich bezighouden maakt hen bedrieglyk (en divery en schelmery worden welhaast de hoofdtrekken van het karakter beider volken) [255]

“Wat de overige zeedlyke oorzaken, welken het volks karakter formeeren, aangaat, dezen zyn juist de zelfden, welken het zeedlyke karakter van byzondere menschenformeeren, ik meen, zeedlyke begrippen, godsdiens, gevoelens van eer, en goede borgerlijke wetten. Den invloed van ieder dezer beginsels hebben wy breedvoerig elders aangewezen, waarom wy thans daar niet op zullen blyven staan.” [niet expliciet gevonden, wel iets over zeedlyke beseffen als gevolg van borgerlyke wetten – in de index wordt verwezen naar een stukje uit het eerste deel over het Nederlandse volkskarakter, en hoe dat te behouden => daarin wordt gerept van nyvere werkzaamheid, zindelykheid, bedagtzaemheid en overleg in ’t ontwerpen, vernuft en vindingskragt in de uitvoering, maa vooral ‘kloekmoedige lydzaemheid by eene onverzetlyke standvastigheid in gevaeren, en volharding in onderneemingen.’ [60-63] en in ’t volgende stukje [ van 23 november 1778, nr. 9 ] wordt daar nog oude Hollandsche eenvoudigheid en maetigheid”, onbewimpelde opregtheid en onkreukbaere trouw, ernst en deftigheid, en Godsdienstigheid, en Vryheid [68] aan toegevoegd. allemaal eigenschappen die we terug moeten vinden als we weer terug willen naar vroeger, aangezien wij niet de natuurlijke rijkdom geschonken gekregen hebben die de, fr en gbr wel hebben – de Heer Ris te Hoorn heeft met zijn is al op de goede weg en geldt als voorbeeld voor de rest van kwakkelend nl [72]]]

“De vryheid heeft ook eenen magtigen invloed op het volks karakter. Een volk van slaaven denkt laaghartig, en agt zig weinig, omdat het geleerdheeft, weinig geagt te worden. Een vry volk, integendeel, gevoelende dat zy menschen zyn, wil ook op eene menschlyke wyze gehadeld worden. Een Bascha mag in Syrie en Egypte het volk knevelen; de menschen zyn daar gewend aan de onderdrukking, en hebben nauwlyks een denkbeeld van de vryheid en de regten der menschlykheid; maar by vrye volken, by menschen die weten dat zy menschen zyn, is alleen het denkbeeld van onderdrukking genoeg, om eene omwenteling te veroorzaken, en het volk aan te zetten, om, ten koste van zyn bloed, zig ten minsten den waan te koopen, dat het vry is.
Magt en voorspoed, eenigen tyd door een volk genoten, heeft ook invloed op het volkskarakter. Een volk, [256] gewoon gevreesd te worden en in den oorlog te overwinnen, wordt gemeenlyk stoutmoedig en gaat daar door veeltyd, ja den meesten tyd heerschzugtig en onregtvaardig. Welk een hoogmoed was niet die der Romeinen in de tijden van hunnen voorspoed; en welke was niet hunne heerszugt en onregtvaardigheid.

Waare of ingebeelde voordeelen, van wat aart oo, hebben dikwyls insgelyks eene magtigen invloed [voorbeeld overmoed Turken jegens Grieken]

Behalven, dit alles, zyn ‘er dikwyls nog verborgene redenen, welken eenen magtigen invloed op het volskkarakter hebben. Oude vooroordeelen en gewoonten, welker oorsprong reeds lang vergeeten is, vermogen dikwyls zeer veel, en daar zyn niet zelden in de karakters der hedendaagschen volken trekken, waarvan men geene reden geeven kan, omdat de oorzaak derzelven gelegen is in byzonderheden, die voor veele eeuwen plaats hadden, en waarvan het geheugen thans volkomen verloren is.

W.”

No 85. op blz [276] Esprit des Loix verwijzing

bon ton = verfynden smaak 294

Verwyzing naar de Opmerker V, blz 139 over de Weelde,

no 90 Esprit de Loix verwijzing 316

no 93, blz 340 nogmaals verwijzing naar De Opmerker (tweede keer “een onzer voorgangeren” genoemd, VI. Deel, bl. 383. en nogmaals naar 189. vertoog op blz 342 als het gaat over “Staatkunde, regstgeleerdheid, godgeleerdheid, zyn weetenschappen, echikt alleen voor weinigen; en , wanneer die weinigen daaromtrent maar juiste denkbeelden hebben , is het genoeg, dewyl het onmooglyk is, dat de menigte zig daarop zou toeleggen”

ook meerdere verwijzingen naar Forster

Over de Concise and Genuine Account
(te vinden in “Hume-publicaties”)

1 ]Hume secured a pension from George III for Rousseau and a haven for him in Derbyshire, but Rousseau refused the first and fled from the second, prompted by his paranoia. Smarting from absurd accusations brought against him by Rousseau and fearing the publication of private letters containing them, Hume wrote a Concise and Genuine Account of the Dispute between Mr Hume and Mr Rousseau which was translated by J.†“B.†“A. Suard and published by dʼAlembert in Paris as Exposé succinct de la contestation . . . entre M. Hume et M. Rousseau (1766).

…wordt door Gobbers genoemd – waarschijnlijk – in zijn inleiding als één van de trivialiteiten waar de Hollandse tijdschriften wél op doken (blz 85):
-> verwijzing naar Vaderlandsche Bibliotheek, Dl. VII 1795, 2e st. p. 620

Jammer genoeg heb ik deze week niet zoveel gedaan als ik hoopte, maar ik heb toch een aantal kleine vondsten gedaan en ingegevingen gekregen die me hoop geven op meer structuur.

Nieuw vergelijkbaar en bruikbaar receptionderzoek
Lange tijd had ik als vergelijkbaar receptie-onderzoek alleen literatuur over Hume-receptie in andere delen van de wereld. Meerdere stukken over de receptie van Hume in Duitsland en Frankrijk, een monografie over de mogelijke invloed van Humes werk op de Amerikaanse revolutie, en dan nog alle bijdragen in Peter Jones’ bundel The reception of David Hume in Europe – waar zo ongeveer alle landen worden behandeld, behalve de Republiek.
Er kleefde echter ook een probleem aan deze studies uit andere landen over andere landen. Enerzijds is een aantal basisvragen ten aanzien van dit soort onderzoek wel bruikbaar voor mijn onderzoeksopzet: welke bronnen worden er gebruikt, op welke werken van Hume ligt de nadruk, welke periode wordt bekeken, en hoeveel aandacht is er voor de boekhistorische kant van het verhaal? Anderzijds kun je je echter afvragen of de markten niet té veel van elkaar verschillen om ook de resultaten aan elkaar te spiegelen.
Het is daarom misschien wel interessanter om te weten hoe de andere Verlichte denkers het deden in Holland in deze periode. In één van mijn opzetten voor mijn onderzoeksvoorstel had ik al eens geschreven dat dat van de Grote (Franse) Drie – Voltaire, Rousseau en Montesquieu – al onderzocht was, maar de literatuur had ik nog nooit gezien. Daarom was ik erg blij toen ik in José de Kruif een verwijzing vond naar een boek van Gobbers over Rousseau in Holland. In de bundel essays van mijnheer Velema vond ik bovendien een heel essay over de receptie van Montesquieus Esprit des Lois in de Republiek, met daarbij de opmerking dat eerder onderzoek naar de receptie van Montesquieus werk ‘unsatisfactory’ was geweest.

  1. Voltaire: De bijdrage van Joris van Eijnatten in Jan Pieter van der Sterres Voltaire en de Republiek. Teksten van Voltaire over Holland en Hollanders (Amsterdam 2006)
  2. Rousseau: W. Gobbers, Jean Jacques Rousseau in Holland. Een onderzoek naar de mens en het werk (ca 1760-ca 60-ca 1810) (Gent 1963).
  3. Montesquieu: Wyger R. E. Velema, “Republican readings of Montesquieu: the Esprit des Lois in the Dutch Republic”, in: idem, Republicans (2007)

Nog mooier zou het zijn als er nu ergens ook nog studies opduiken waarin de ontvangst van andere Engelse of zelfs Schotse denkers centraal staat.
Als deze er nog niet zijn, zou de Anglofilie van de Nederlandse letterliefhebber wel eens mogen worden onderzocht. In de Algemeene Spectator vond ik geen spoor van Hume – daarvoor was het blijkbaar echt nog te vroeg – maar wel een flink aantal artikelen dat met een Engels motto werd ingeleid, waarbij Pope de absolute favoriet lijkt te zijn.

Spectators
Vijf spectatoriale tijdschriften heb ik nu doorzocht, waarvan twee nog niet helemaal; dat alles kostte me bij elkaar ongeveer een volle werkdag. Op volgorde van verschijnen:

De Algemeene Spectator (1742-1746, dit is waarschijnlijk echt nog te vroeg)

IMG_4085.jpg

De Philanthrope (Amsterdam 1756-1762)

IMG_4322.jpg

De Hollandsche Wysgeer (1759-1763)

IMG_3694.jpg

De Denker (1763-1774, opvolger van De Philanthrope, nog altijd in Amsterdam)

IMG_4614.jpg

De Philosooph (1766-1769)

IMG_3931.jpg

De tijd die je kwijt bent met een jaargang varieert behoorlijk. Soms zijn de jaargangen uitgebreid met een index voor de belangrijkste trefwoorden en personennamen. Soms blijft het beperkt tot de korte samenvattingen van de stukjes die wekelijks verschenen – meestal op maandag.
Ook in het geval van De Denker, een relatief succesvol blad (wanneer je uitgaat van de lange looptijd van 1763 en 1774), bleef het bij een dergelijke index. Grappig is het om te zien dat precies de politieke onderwerpen – die we makkelijk met de Verlichting in verband brengen – waarover ook Hume heeft geschreven bij de Denker twee keer overgenomen waren uit een Engelse periodiek. Dat gold voor “Over de vrijheid van Denken en Schryven over godsdienstige onderwerpen” en “Over de bitterheid der Kerkelyke Twisten, en de Heeschzugt der Geestelyken. De redenen daarvan naargespoord.”
De enige directe verwijzing naar Hume van de dag vond ik echter niet in één deze stukken, maar in een stukje getiteld: “Het nut der Verkwisting aangetoond, Ontwerp van den DENKER, om het geld onder den man te brengen, en het algemeen belang der Maatschappy edelmoedig te bevorderen”, ook in De Denker. De auteur stelt hierin voor om alles wat Hume en Mandeville over de weelde hadden gepubliceerd gratis ter beschikking te stellen aan alle burgers.
Stom genoeg had ik juist deze verwijzing al eerder gevonden, ontdekte ik later. De Denker is namelijk voor de helft gedigitaliseerd voor de DBNL, en in mijn zoektocht aldaar had ik deze pagina al gevonden en opgeslagen.
Die mus waar ik zo blij mee was, was dus niet dood, ik had ‘em alleen al in mijn verzameling.

Andere inzichten en vooruitzichten:

  1. Voor mijn eigen inzicht is het wel goed om een tijdbalk te maken/tekenen/bouwen waarin alle publicaties van Hume en alle Nederlandse bronnen en waarin ik Hume tegenkom naast elkaar zet. Zo krijg ik waarschijnlijk een beter inzicht in de periodes. In de receptie-bundel van Peter Jones staat al een vergelijkbare tabel; deze zou ik als richtlijn kunnen houden
  2. Om er achter te kunnen komen of een bepaald type boekhandelaar Hume verkocht is het misschien de moeite waard om enkele namen die op de intekenlijst voor de vertaling voor Hume’s History of England staan te checken met de database met (veiling)catalogi die is gemaakt naar aanleiding van het werk van H.W. de Kooker te Leiden.
  3. Hoewel ik weet dat het waarschijnlijk te ver gaat, zou ik graag Mijnhardts Tot heil van ’t menschdom : culturele genootschappen in Nederland, 1750-1815 er nog eens op naslaan om de mogelijkheden te onderzoeken om een klein uitstapje te maken richting de gezelligheid.

Het plan voor de komende week:

  • Mijn eerste verkenning rondom de spectatoren afmaken, en me daarbij zo veel mogelijk laten sturen door de bronnen die zijn gebruikt door Gobbers, Van Eijnatten en Velema. De niet-gedigitaliseerde delen van De Denker komen in elk geval aan de beurt.
  • Bovengenoemde publicatie/bronnen-tijdbalk in elkaar sleutelen.
  • Leeb en Salzberg-Oz bestuderen

W. Gobbers, Jean Jacques Rousseau in Holland. Een onderzoek naar de mens en het werk (ca 1760-ca 60-ca 1810 (Gent 1963).

Genoemd in José de Kruif: boeken van Rousseau werden in grotere Neerlandse bibliotheken nauwelijks . gevonden door Gobbers. Dit om de ‘verfransing’, waar vooral Justus van Effen zich zorgen over maakte, te relativeren.

Volgende pagina »