Volgende pagina »

NADERE BERICHTEN van reeds te voren aangekondigde SCHRIFTEN

EDEMBURG. Van de Verhandeling over de Wonderwerken door de Heer GEORGE CAMPBELL, Doctor in de Godgeleerdheid en Predikant te Aberdeen, tegen de Gronden van den Heer Hume in ’t licht gegeeven is, maakten wy reeds kortelyk in ’t Aanhangzel tot het eerste Deel deezer Letterverlustigingen gewag. Doch ’t zelve verdient wel dat wy ‘er onzen Leezer iets meer van zeggen. De Heer Hume by sommigen te recht opgegeeven als de Bayle der Engelschen, heeft zyne Essay of Proeve, die hy over de Wonderwerken geschreeven heeft, in 2 deelen verdeeld; in welkers eerste hy tracht te toonen dat het getuigenis nooit een genoegzaam bewys voor de Waarheid der Wonderwerken kan opleveren; en in het tweede tracht hy te doen zien dat al onderstelde men dat ‘er vast te gaan was op het getuigenis ten aanzien van de zekerheid der Wonderwerken, ‘er nogthans geene Historie is, die ons eene zaak of uitkomst oplevert van dat soort, die behoorlyk getuigd en voldoende bewaarheid is. De Heer Campbell volgt het Voorbeeld van den Heer Hume in de verdeeling zyns Werks, en spreekt eerst over de zekerheid der Wonderen in ’t gemeen, en van zulken, die den Godsdienst betreffen, in ’t byzonder, en dat dezelve zeer wel op het getuigenis kan gevestigd worden – ten tweeden toont hy dat de Wonderwerken, waarop het Christelyk geloof gebouwd is, genoegzaam bewaarheid en door voldoende getuigenissen bekrachtigd zyn. Om onzen Leezer eens te doen zien, hoe hy ’t eerste stuk behandelt, zullen we hem eerst de hoofdsom der Redenen van den heer Hume onder ’t oog brengen, zoo als onze Schotsche Godgeleerde die opgeeft: Deeze zegt dan:
“De Redeneeringen, die wy doen over zaaken van feit, hebben enkel de ondervinding tot geleide. In zekere zaaken is dezelve veranderlyk, in anderen eenpaarig. Als ze veranderlyk is, kan ze niets dan waarschynlykheid opleveren; maar zo ze eenpaarig is, komt ‘er een bewys uit voort. De [527] waarschynlykheid onderstelt altoos een tegenoverstelling van bevindingen en waarneemingen, waar van de eenen een trap van blykbaarheid voortbrengen, die evenredig is met dezelver meerderheid boven de anderen: in zulke gevallen moeten wy de tegenoverstaande Waarneemingen tegen elkander in de Schaal leggen, en ’t kleener getal van ’t grotere aftrekken, om regt en net te weeten in hoe verre ’t bewys naar de eene zyde overhelle. De verzekering, die wy hebben van iets ’t gene door ooggetuigen bevestigd wordt, hangt alleen van de ondervinding af; dat is te zeggen van ’t licht, welk wy verkreegen hebben door onze Waarneemingen wegens de Waarheid van ’t menschelyk getuigenisse, en wegens de gewone overeenstemming der zaaken, met het verhaal der getuigen. Want zo ‘er iets wonderlyks is in eene zaak en dezelve van dat soort is, ’t gene zelden aan onze Waarneeming voorkomt, zo maakt dit een stryd tusschen de bevindingen, waar in de eene de andere om verre stoot, naar mate hunner onderlinge kracht; invoegen de gene, die ’t wint, niet op ’t verstand kan werken, dan uit hoofde van de meerdere sterkte, die ‘er in haar overgebleeven is. Dit zelfde grondbeginzel, te weten de bevinding, geeft ons, behalven zekeren trap van vastheid in het getuigenisse, nog eenen anderen tegen de Zaak, die het gtuigenis bevestigt; en hier uit moet noodzaaklyk een soort van evenwigt volgen, en eene onderlinge vernietiging van alle geloove en van alle gezag. Zo, wyders, de getuigde zaak, in plaats van enkel wonderlyk, wezenlyk wonderdaadig mog zyn, en zo het getuigenis, volstrekt en op zich zelve aangemerkt, daarvan een volslagen bewys opgeeft, zo heeft men dan nog maar bewys tegen bewys, waarvan het sterkste het alleen van ’t andere in zulk eene maate winnen moet, als ‘er kracht in overblyft na dat men het tegenovergestelde vergeleeken en ‘er tegen opgewogen heeft. Een Wonderwerk is eene schending der natuurwetten; en gelyk deeze Wetten op eene standvastige bevinding gegrond zyn, zo levert de natuur der zaake zelve zulk een volslagen bewys op tegen een Wonderwerk, als men zou konnen trekken uit eenig bewys op de Ervaarenis gegrond. Dit nu zo zynde, zo volgt ‘er op eene ontegenzeglyke wyze uit, dat di bewys, door geen ander, uit een getuigenis ontlend, kan verzwakt worden; en dat by gevolg een Wonderwerk, op hoe veele en goede Getuigenissen ook steunende, nooit den minsten trap van waarschynlykheid kan hebben.”
In diervoegen loopt het vermaarde Bewys tegen de Wonderen, waar mede Mr. Hume zich vleidt de erkentenis zyner tydgenooten en Nakomelingen verdiend, en een onverwinlyk bolwerk tegen alle listen en laagen van ’t overgeloove opgerecht te hebben. [?] Maar de Heer Campbell onderzoekt alle deeze Voorstellen, en doet ten klaarsten zien, dat derzelve op een valsch grondbeginzel rusten, door bedrieglyke Schynredenen ondersteund en [528] van den uitvinder in de Waereld gestud worden, om dat zyn voor hem zelven van geen nut altoos is. hy toont eerst dat er niets valscher kan zyn dan ’t gene Hume zegt, ddat het bewys van ’t getuigenis van de ondervinding zou afhangen. Van Kindsbeen af gevoelen we dat ons geloof door ’t getuigenis wordt weggesleept; en dat we door de ondervinding alleen, in ’t vervolg, in sommige Gevallen ‘er aan leeren wantrouwen. Volgens Hume is ‘er geen de misnte waarschynlykheid voor ’t getuigenis voor dat de bevinding ‘er haare stem aan geeve; en volgens de Algemeene ervarenis is ‘er alle verdenking ten goede voor ’t getuigenis, tot dat de bevinding ons goede redenen oplevere om het te verwerpen. Werpt de Heer Hume tegen, dat het tegen de Regels eener gezonde Wysgeerte stryde, een getuigenis te gelooven, voo dat het door de bevinding bekrachtigt of opgehelderd zy; om dat we niets voor de beweeg oorzaak van zulk een geloove konnen opgeeven; zo laat hy ons dan eens verklaaren de redenen zyner eigene toestemminge aan deeze voorstellen: gelyke oorzaaken brenge gelyke uitwerkzelen voort; de loop der natuure zal morgen dezelfde zyn, als ze gisteren was en heden is: voorstellen, welken hy zelve erkent niet beschouwelyk blykbaar, noch afgeleid te zyn uit eenige Praemissen; en die hy nogthans voor eerste kundigheden of grondregels houdt, welken men noodwendig moet erkennen in alle redeneeringen, die men uit de bevinding opmaakt. Verder legge hy eens uit, waarom hy aan de berichten van zyn eigen geheugen gelooft, die door de ondervinding dikwils geloochend of verbeterd worden, zonder dat men echter kan zeggen dat ze een gezag aan haare Stellingen ededeelen. hy zal derhalven wel moeten toestaan, dat, al kunnen wy geen reden geevan van die ons het getuigenis doet gelooven, het zelve niet te min een der natuurlykste en eerste gronden van ons geloove is.
Maar hier uit wil men geenszins besluiten dat het getuigenis een volstrekt recht op ons geloof hebbe. ’t Is klaar dat het door een tegenstrydig getuigenis, of door de onbekwaamheid of kwaade trouw der Getuigen kan overgehaald of vernietigd worden. En men wil zelfs wel toestaan dat eene wondere zaak ér eene verdenking tegen verwekken, maar geenszins dat ze het zelve ongelooflyk maaken kan, voor al, zo er niets op de bekwaamheid en goede trouw der getuigen te zeggen of ‘er aan te twyfelen, valt. Zeker, zo de zeldzaamheid eener zaake, zulk eene tegenkanting verwekte tusschen de bevinding en ’t getuigenis, dat die twee bewyzen, gelyk Mr. Hume die noemt, elkander vernietigden, zo zou ‘er in de Historie niet eene enkele voorkomen, die wy konden gelooven; om dat ‘er eene verdenking van verscheide duizenden plaas heeft tegen de waarschynlykheid der Geschiedenis van Julius Caesar, en van alle andere Menschen, voor dat ze door getuigenissen bevestigd is omdat het besluit, welk men onmiddelyk uit de bevinding trekt, [529] algemeen is, en ’t gene uit het getuigenis vloeit, altyd byzonder is. Wy konnen uit de bevinding met reden bsluiten dat een teokomend geval gelyk zal wezen aan een voorgaand, welk wy hebben waargenomen, wanneer alle de omstandigheden die ’t zelve verzellen, gelyk zullen wezen met de genen, die wy in het vorige hebben opgemerkt. Maar de bevinding kan ’t getuigenis niet tegenspreeken, wanneer zy ons verzekert van ’t wezenlyk plaats hebben eener zaak in een zeker byzonder geval; want, schoon de omstandigheden, die gelyk konnen zyn me tdie van ’t andere Geval, konnen ‘er echte veele omstandigheden zyn, die wy niet kennen, en die met de genen, welken in ons opgemerkt Geval plaats hadden, grootelyks konnen verschillen. Waar uit ontegenzeglyk volgt dat de bevinding niet kan dienen, om over het toekomende dan alleen op eene zeer gebreklyke wyze, iets te kunnen oordeelen; en daar uit blykt even klaar dat de Heer Hume dezelve gebruikende, om de waarschynlykheid van een voorleden geval daar door te bepaalen, van dezelve een tastbaar misbruik gemaakt hebbe.
Maar dit is ’t eenige valsche bewys niet, welk deeze Schryver in zyn Grondbeginzel gebezigd heeft; nog veele anderen vloeijen ‘er voort uit de dubbelzinnigheid, die hy, zonder ‘er om te denken, aan ’t woord Bevinding heeft gehcht, en dikwils ook aan dat van Wonderwerk, hoe zeer hy voorgegeeven heeft, dezelve wel te bepaalen. De Heer Campbell maakt eene juiste onderscheiding tusschen een personeele en eene afgeleide (of gederiveerde) bevinding. Door de eerste, die op ’t geheugen stemt, moet men de algemeene Gronden verstaan, die elk Mensch maakt, als hy de byzondere Zaaken, die hy zelve gezien, of in zyn geheugen opgeslooten heeft, met elkander vergelykt. De tweede soort van bevinding is gegrond op ’t getuigenis, waarin men niet alleen moet letten op den Schakel der waarneming van anderen, die wy uit hun getuigenis afleiden, maar ook op alle de algemeene gronden, die we zelven op maaken uit de vergelyking der byzondere getuigde zaaken onder elkanderen.
Wil Mr. Hume nu dat we wegens ’t Getuigenis enkel zullen oordeelen, door onze personeele bevinding? Dit schynt ontwyfelbaar, om dat hy anders een foutigen Cirkel in ’t bewyzen maaken, en zyn groot Grondbeginzel hierop uitkomen zoude: Het getuigenis verdient geen geloof dan voor zo verre het gesterkt is door eene zo wyduitgestrekte bevindinge, die wy niet konnen verkrygen, ten zy dat wy alvorens aan ’t getuigenis gelooft hebben. Zoo de Heer Hume nu aan ’t Woord bevinding geen anderen Zin geeft, dan dien men aan de Woorden Personeele bevinding heeft gehecht; laat hy dan eens verklaaren als hy kan, wat hy zeggen wil, wanneer hy spreekt van eene geduurige en algemeene bevinding: woorden, die enkel aan eene afgeleide bevinding passen. Hoe kan men ’t anders verstaan, als de Heer Hume wil, dat wy de getuigde zaaken zullen of moeten beoordeelen ingevolge de overeenkomst derzelven met onze personeele bevinding? En dit zeker zou onze [530] kennis en reden binnen al te naauwe palen besluiten, en ons tot eene eeuwige kindsheid te rug brengen.
De Drogredenen en Sophisteryen van den Heer Hume komen bykans op iedere bladzyde voor. Eén voorbeeld daar van mag voor allen volstaan. “Hy noemt een Wonderwerk een schending der natuurwetten; en dewyl die wetten op eene geduurige of volstandige bevinding steunen, zo maakt de natuur der zaake tegen een Wonderwerk een zo genoegzaam volkomen bewys uit, als men zou konnen trekken uit eenig bewys, welk op de bevinding steunt”. Wat is dat voor eene volstandigebevinding, die tegen de Mirakelen getuigt? Is dit het eenpaarig getuigenis van alle Menschen in alle tyden? Gewisselyk neen; omdat men anders zoo veele verhaalen van Wonderdaaden niet vinden, en de Heer Hume als dan niet ondernomen hebben zoude, dezelven uit te monsteren; en te verzekeren dat de historie ‘er ons zal opleveren, zoo lang de Waereld staan zal. Op spreekt hy hier van de personeele bevinding van elk Mensch? Dat kan ook niet wezen, omdat ‘er onder honderd duizend Menschen naauwlyks een is, die door zyne eigene bevindinge, tot de vaste en ontwyfelbaare kennis van sommigen der Natuurwetten geraaken zoude. — Voorts bepaalt hy een Wonderwerk nu eens als eene schending der Natuurwetten; dan noemt hy ’t weder, de overtreeding eener natuurwet, door een daad van Gods wille, of door de tusschenkomst van eenen onzichtbare Werker. Daar toch deeze uitdrukkingen van schending en oertreeding een denkbeeld insluit van strafbaare tegenkanting van ’t gezag van eene Opperheer, en zyn zeer kwaalyk geplaatst en onvoegzaam als men van de Godhid, boven welke niemand is, spreekt. Elders wil hy dat de Wysgeeren, na dat ze van de wezenlykheid eene eenes Wonders verzekerd zyn, ‘er de oorzak van zullen naspeuren. Maar hoe is da met zyne bepaaling over een te brengen? Nu eens neemt hy ’t woord Wonderwerk voor eene onbewysbaare of onwaarschynlyke zaak; dan eens voor iets dat ongerymd en onmogelyk is. Om zich hier van te overtuigen, heeft men maar te letten op ’t gene hy bl. 177 van zyn Essay zegt: “Wanneer iemand my verhaalt dat hy eenen Dooden heeft zien opwekken,zoo onderzoeke ik straks, of ’t meer bewysbaar is dat die Man my wilde bedriegen of zelf bedrogen geworden is, dan dat het feit, welk hy verhaalt, wezenlyk zou gebeurd zyn. Ik leg ’t een deezer Wonderen tegen over ’t andere op de Schaal en naar de meerderheid, die ik aan den eenen kant vinde, maake ik altoos myne beslissing, en verwerpe steeds het grootste Wonder. Zo de valschheid van zyn getuigenisse wonderdaadigerwas dan ’t geval, welk hy my verhaalt als dan en niet eer kan hy van my eischen, dat ik hem geloove.” Men ziet uit deeze Aanhaaling wel, (die eene toepassing is van eene grondregel, waar mede de Autheur zeer veel op heeft,) dat de Woorden meer bewysbaar en min wonderdadig, min bewyslyk of waarschynlyk, en meer wonderdaadig, volslagen gelyknaamig zyn: zoo dat des Schryvers grondregel, (die hier in bestaat: Daar is geen getuigenis in staat om een Wonder te staaven, ten zy de valschheid van dat getuigenisse wonderdaadiger zy, dan de zaak die het tragt te bevestigen.) op dit denkbeeldig of liever harssenschimmig Voorstel uitloopt: “daar is geen getuigenis, welk genoegzaam is ter bevestiging eens Wonderwerks, ten zy de valschheid van dat getuigenis min bewysbaar zy, dan het feit, welk hy tracht te bevestigen”.
Daar is nauwlyks kans om den Heer Hume met zich zelven te doen overeenstemmen. Men zou zeggen dat hy, na alle pogingen te hebben aangewend, om te toonen dat het ondoenlyk zy eenig bewys voor een Mirakel op te geeven, wel verre af zou wezen van de moogelykheid van een diergelyk Bewys toe te staan; en nogthans erkent hy dezelve duidelyk; zeggende: “Ik sta toe dat men Wonderwerken, of Schendigen van den gewoonen Loop der Natuur hebbenkan, die door een Menschelyk Getuigenisse beweezen konnen worden; hoewel ’t misschien onmogelyk is de zoodanigen in de Jaarboeken van ’t Menschelyk geslacht te vinden”. na deeze zyne erkentenisse, geeft hy een voorbeeld op van een wonderdaadig Geval, ’t gene op zulk een wyze getuigd was, dat men, zegt hy, niet kon weigeren het te gelooven. Zoo dat hy in deezer voegen zyn eigen ewys verzakt en duidelyk tegenspreekt; omdat hy het besluit of de gevolgtrekking, die hy ‘er uit opmaakt, weder verwerpt, te weten “dat een Wonderwerk, hoe sterk en wel het ook mag bevestigd zyn, echter nooit den minsten trap van waarschynlykheid of bewysbaarheid kan verkrygen”
Dus kant deeze Schryver zich niet allen, schoon op eene ongerymde Redeneerwyze, tegen de Wonderwerken in ’t gemeen, maar hy is te gelyk ook zeersterk vooringenomen tegen allen de zulken, welke den Godsdienst betreffen, Niets kan by hem eenig gewigt by zetten aan een getuigenis, ten voordeel van zoodanige wonderen gedaan; en indien Lieden van verstand naar hem willen luisteren, zullen ze zulk getuigenis zonder eenig onderzoek maar verwerpen, onder ’t glimpig voorwendzel, ’t gene zich ras genoeg voordoet; te weeten om dat de drift voor ’t wonderbaare, en de kracht van den Godsdienstigen iever komen te weeg brengen dat men blindelings, allerlei ongerymde verhaalen voor waar aanneemt; dewyl ze de oogen de genen die ‘er mede bezet zyn, betoveren en verblinden. maar de nieuwsgierighid, die allen Menschen van natuure eigen is, en waaruit deeze neigin voor ’t wonderbaare ontstaat, veroorzaakt geen sterker vooringenomenheid tegen de mirakelen, dan tegen alle andere buitengewoone zaaken; en hoeveelen van deeze laatsten gelooft men echter wel zonder eenigen den minsten twyfel ‘er tegen te maaken, wanneer ze ons in de natuurlyke Historie of in de Natuur- en Scheikunde en elders voorkomen; of als zy maar door een enkele getuigenisse bevestigd worden En wat ade Godsdienstige iever belangt, men staat gereedelyk toe de kracht en de uitwerkzels, die dezelve heeft op de inbeelding, maar dit maakt [532] zelfs een bewys tegen Mr. Hume, naardien het de baarblyklykheid dier wonderen betoogt, door welken eene leer bevestigd is, regelregt aangekant tegen zulke vooroordeelen, die deezen ongeregelden Godsdienst iever veroorzaakt hebben. Deeze aanmerking is, gelyk Mr. Hume, volgens zyne gronden, zelve belyden moet, van een zeer groot gewigt, en nogthans verwaardigt hy zich niet, om er de minste aandacht op te geven.
Wel verre dan, dat de drift voor ’t wonderbaare, en de kracht der Godsdienstige Neigingen, eene verdenking tegen de Wonderdaaden, die den Godsdienst betreffen, maaken zouden, zo levert dit hun onderwerp zelve een vooroordeel op ten behoeve van derzelver Waarheid. Want zoo de styfste en volslagenste Vrygeest of ongelovige niet logcchenen dat de onsterfelykheid der Ziele, ’t geloof in een toekomend leeven, de invloed van ons tegenwoordig gedrag op onzen Staat hier namaals, de eenheid en alle andere volmaaktheden van ’t Opperwezen, allen Leerstukken zyn, die niet alleen niets ongerymds bevatten; maar die zelfs zoo gewigtig als verheven zyn voor de Stervelingen; zoo kan hy ook niet ontkennen, dat het der Godlyke Wysheid en Goedheid overwaardig zy, op eene byzondere wyze tusschen beiden te komen, en den Loop der Natuure voor een poos op te schorten, om ons deeze groote, deeze heerlyke Waarheden ten klaarsten te doen kennen.”

In het artikeltje over Campbell’s Engelse uitgave staan een aantal namen van Engelse schrijvers die op Hume hebben gereageerd:
Van Douglas vinden we niets dat als reactie op Hume kan zijn gepubliceerd in het Nederlands:

Van Campbell zien we:

De noodzaekelykheid der openbaering, of Een onderzoek naer de uytgestrektheid der menschelyke vermoogens (1774)

als enige mogelijkheid.

in deel 1 vinden we Rousseau (karakter van den beroemden , en geluk der beschaafde volken boven de wilden[161-168] en een stuk over slagers en heelmeesters wordt Emile genoemd [305-312]), Voltaire (in een stuk over de roemzucht, en in een voetnoot over Charles XII oid) en Puffendorf en Suszmilch [zijn Godlyke orde]

maar in de usual suspects:

-vrijheid van godsdienst
-over de pragt en de weelde
-over de koophandel

niets van hume

DEEL 2:

ook niet in een stuk over “wat de oeconomie is” [17-24]

In de borger 54 (4 oktober 1779) gaat het over de “voordelen die de godsdienst der borgerlyke maatschappye aanrengt”
lezen we hoe Montesquieu in Espr. Des Loix Bayle weerlegt als hij zegt dat de christenen geen staat zouden stand laten houden [27]
bygelovigen /dwepers worden inderdaad voor gevaarlijker aangezien in de menschelijke geschiedenis (en hiermee wordt Bayle gelijk gegeven) maar… alleen omdat er veel meer dwepers zijn geweest dan verzaakers.

De onschuldige Spinoza wordt aangewezen als voorbeeld van hoe je niets te vrezen hebt, maar, zegt de borger, Wijsgeeren zijn het zelden[28]
En dan ten slotte Voltaire nog geciteerd met zijn spreuk “van een fraai vernuft” dat men in Frankrijk “den Paus de voeten kussen, maar de handen binden moet”

no 64 en 65 ( 13 en 20 dec 1779) gaan over gierigheid.
Wel geciteerd uit “De Heer PINTO Essay sur le luxe 1762 [118] en de OPMERKER, I. DEEL, bl 79, niet uit Hume.

no 74 (21 feb 1780) in een stuk over vrijheid vd drukpers in ’t algemeen (weken later volgen “omtrent godsdienstige” en politieke zaken) wordt marmontel en zijn Belisaire genoemd

No 77 (13 maart) gaat na drie betogen over de vrijheid van de drukpers in op de boeken die dan wél verboden zouden mogen worden: dat zijn boeken, “die niet strekken tot bevordering der weetenschappen,maar die of byzondere persoonen, of amptenaars, of de hooge overheid zelve, beleedigen”, mits er niet al te veel exemplaren in omloop zijn, want dan heeft het geen zin en vergroot je de aandacht en vraag naar dit soort boeken veels te erg. [210]
Dan ook nog leerstellige boeken, die bijvoorbeeld het “bestaan van een opperwezen, de zeedelyke regeering van god, en het onderscheid tusschen deugd en ondeugd, de zekerheid van eenen toekomenden staat” aantasten óf “vuile denkbeelden” verspreiden, “welken door het streelen eener dartele verbeeldenskragt kwaade lusten opwekken en de zeeden bederven.” Maar een verbod heeft een vergelijkbaar nadeel [211]
[is dit dezelfde borger die ook Pope quote als hij schrijft: To enjoy is to obey?”]
Bovendien “het verbieden van een boek is geene wederlegging. Wanneer ik een godloos boek het berugte Système de la Nature, by voorbeeld, met goedkeuring gelezen heb, en my overreed agt van de stellingen des schryvers, zal ik niet van gedagte veranderen, omdat dat boek verboden wordt.” De schrijver vervolgt te zeggen dat het de plicht is van de overheid om (onderhands, anders valt het teveel op) “bekwaame lieden aantemoedigen tot het wederleggen van alle schadelyke boeken”. Het advies van de borger is, in alle stilte zoveel mogelijk exemplaren bijeenrapen en vernielen. [213]

en op elke titel ook de naam van de uitgever, zodat er geen misbruik wordt gemaakt van drukpersen. Anonimiteit is echter niet per definitie slecht [215]

No 79. (27 maart 1780) Schets van den staat der voorige eeuwen met betrekking tot het geluk der menschen in Europa. Pragt der voorige eeuw. Hedendaagsche pragt. Waaruit ontstaan. [225-232]
Op bladzijde 226 vinden we een verwijzing naar Hume’s “Hist. of Engl. Vol V. p. 503.” en daarna nog één naar Vol VI!
“Hume (kruisje) geeft deze beschryving van de [227] leevenswyze der grooten ten tyde van Koningin Elizabeth, dat is op ’t laatst der zestiende en ’t begin der zeventiende eeuw: “De adel, zegt hy, bleef in deze eeuw nog tot zekeren trap toe by de oude kostbaarheid in gastvryheid en het groote getal zyner bedienden; en de Koningin vond nodig, de kostbaarheid van dit laastse artikel een verbod te bepaalen; doch zy moedigde meer of min het kostbaare gastereeren aan door de menigvuldige bezoeken, welken zy den adel gaf, en de pragtige feesten, die zy van den zelven ontving. De Graaf van Leicester onthaalde haar op ’t kasteel van kenilworth op een feest dat buitengemeen kostbaar en pragtig was. Onder andere byzonderheden vinden wy, dat op het zelve drie honderd vyfenzestig vaten biers gedronken wierden. De graaf het het kasteel met groote kosten versterkt, en men had daar wapenen voor tien duizend mannen. De Graaf van Derby onderhield een gevolg van tweehonderd en veertig knegts. Burleigh, schoon een spaarzaam man, had er honderd. (….) “Maar,” dus gaat hy voort, “schoon ‘er nog veel overbleef van de oude gewoonten, begon evenwel de adel trapsgewyze smaak te krygen in eene meer bevallige pragt; en verscheidene gebouwen, inzonderheid, wierden getimmerd, net, ruim en kostbaar, tot een groot sieraad van ’t koninrijk, zegt Camden, maar tot geen minder verval van de roemryke gastvryheid der natie. Het is, evenwel, waarschynlyker te denken dat deze nieuwe wyze van verteering te maaken de konsten en nyverheid bevorderd hebbe, daar de oude gastvryheid de bron was van ondeugd, wanorder, oproerigheid en lediggang.” De zelfde schryver geeft op eene andere plaats eene schets van de leevenswyze ten tyde van Koning Jacob I. (*)
(*) Vol. VI. p. 109.
[228] “Men had toen zeer veel op met eene hooge geboorte en het was door zekere waardigheid en deftigheid van leevenswyze dat de laage en hooge adel zig van ’t gemeen onderscheiden. Groote schatten, door den handel verkregen, waren toen zeldzaamer, en nog niet, gelyk nu, bekwaam geweest, de rangen der menschen als te verwarren en het geld den voornaamen grondslag van aanzien te maaken. in het gemeene leeven vond de grootste statigheid plaats, en de grooten duldden weinig gemeenzaamheid. De voordeelen, welken de rykdom aanbrengt zyn zo wezenlyk en groot, dat de bezitters derzelven niet behoeven te vreezen, al te na door hunne minderen genaderd te worden. Het onderscheid van geboorte en titels, meer ydel zynde en in verbeelding bestaande, verdwynen welhaast by eenen gemeenzamen omgang en kennis.
De uitgaaven der grooten geschieden veeler in ’t maaken van eene groote vertooning en het houden van een talryk gevolg, dan in ’t neemen van gemak en vermaak. De graaf van nottingham werd, by zyn gezaantschap naar Spanje, verzeld van vyfhonderd persoonen, en de Graaf van hertford, by zyn gezantschap naar brussel, nam drie honderd edellieden mee.” [einde citaat Hume]
Men ziet hieruit, dat in die tyden, welken men geoon is, tyden van eenvouwdigheid en spaarzaamheid te noemen, doch die eerden den naam van ruwe tyden verdienen zouden, eene zeer buitenspoorige pragt heerschte; en, schoon LORD BACON heeft aangemerkt, dat de Engelsche adel van zynen tyd een grooter getal van bedienden onderhield, dan de Poolsche mooglyk uitgenomen, eenige adel in Europa, is het egter zeker, dat dit soort van pragt voor de tyden der grootere beschaaving van ons werelddeel ook in de overige landen van hetzelve veel grooter is geweest dan tegenwoordig”
[Het stuk eindigt als volgt:
“Zeer veelen gaan de maat te buiten. In plaats van volgens hunnen staat en vermogen zig van de voorbrengselen der konsten te bedienen en de voordeelen van eene beschaafde en gelukkige eeuw te genieten, gaan zy buiten hunen staat en boven hun vermogen. In plaats van de vermaaken en gemakken van het leeven te gebruiken, misbruiken zy ze; hun hart hegt zig alleen aan de voorwerpen der pragt en weelde. Bedorven in hun zelven, bederven zy ook anderen door hun voorbeeld. Het verval van veele huisgezinnen komt hier uit voort, en dezen sleepen ook anderen mede in ’t bederf. De goede zeden loopen hierdoor gevaar. Dit zyn de gevolgen onzer hedendaagsche pragt en weelde, tegens de welken onze zedenmeesters niet genoeg waaken en prediken kunnen. Maar zouden alle deze kwaade uitwerkselen wel zo verderflyk zyn , als de ruwe en barbaarsche pragt van de grooten der vroegere eeuwen, die, alleen het goede van het leeven genietende, alle menschen als hunnen slaaven, alleen voor hun vermaak geschapen, beschouwden en behandelden? Wat is beter, dat eenige dwaazen zig bederven, en met hun eenige onschuldigen mede in ’t bederf sleepen, of dat honderd duizenden in slaaverny zugten en alleen strekken tot vervulling van de grillige buitenspoorigheden van weinigen, die ook meest allen bedorven zyn? Men smaale op onze eeuw, men werpe haar de eernaam van verlichte eeuw, als eenen onverdiendeneernaam, tegen, en verheffe hemelhoog de oude eenvouwdigheid: voor ons wy zien geene reden om ons over het lot te beklaagen, ’t welk ons in deeze eeuw heeft doen geboren worden.”
[is ondertekend met W. op blz. 232]

Montesquieu Esprit d. Loix [237] en op [238] Consid. sur la causes de la Grandeur des Romains ch 10

no. 82 (17 april 1780) over het volks karakter; zyn natuur en oorsprong [249-256]

– geeft zowel fysieke als morele oorzaken;

“De leevenswyze der menschen heeft grooteren of kleineren invloed op het volkskarakter, naar mate het geheele volk meer of min de zelfde leevenswyze leidt. een land met veel vissers: gehard. de bewooners van groote koopsteden: “zagter van karakter, zo niet veeltyds laf en verwyfd” [254]
de kleine koophandel waarmee joden en chinezen zich bezighouden maakt hen bedrieglyk (en divery en schelmery worden welhaast de hoofdtrekken van het karakter beider volken) [255]

“Wat de overige zeedlyke oorzaken, welken het volks karakter formeeren, aangaat, dezen zyn juist de zelfden, welken het zeedlyke karakter van byzondere menschenformeeren, ik meen, zeedlyke begrippen, godsdiens, gevoelens van eer, en goede borgerlijke wetten. Den invloed van ieder dezer beginsels hebben wy breedvoerig elders aangewezen, waarom wy thans daar niet op zullen blyven staan.” [niet expliciet gevonden, wel iets over zeedlyke beseffen als gevolg van borgerlyke wetten – in de index wordt verwezen naar een stukje uit het eerste deel over het Nederlandse volkskarakter, en hoe dat te behouden => daarin wordt gerept van nyvere werkzaamheid, zindelykheid, bedagtzaemheid en overleg in ’t ontwerpen, vernuft en vindingskragt in de uitvoering, maa vooral ‘kloekmoedige lydzaemheid by eene onverzetlyke standvastigheid in gevaeren, en volharding in onderneemingen.’ [60-63] en in ’t volgende stukje [ van 23 november 1778, nr. 9 ] wordt daar nog oude Hollandsche eenvoudigheid en maetigheid”, onbewimpelde opregtheid en onkreukbaere trouw, ernst en deftigheid, en Godsdienstigheid, en Vryheid [68] aan toegevoegd. allemaal eigenschappen die we terug moeten vinden als we weer terug willen naar vroeger, aangezien wij niet de natuurlijke rijkdom geschonken gekregen hebben die de, fr en gbr wel hebben – de Heer Ris te Hoorn heeft met zijn is al op de goede weg en geldt als voorbeeld voor de rest van kwakkelend nl [72]]]

“De vryheid heeft ook eenen magtigen invloed op het volks karakter. Een volk van slaaven denkt laaghartig, en agt zig weinig, omdat het geleerdheeft, weinig geagt te worden. Een vry volk, integendeel, gevoelende dat zy menschen zyn, wil ook op eene menschlyke wyze gehadeld worden. Een Bascha mag in Syrie en Egypte het volk knevelen; de menschen zyn daar gewend aan de onderdrukking, en hebben nauwlyks een denkbeeld van de vryheid en de regten der menschlykheid; maar by vrye volken, by menschen die weten dat zy menschen zyn, is alleen het denkbeeld van onderdrukking genoeg, om eene omwenteling te veroorzaken, en het volk aan te zetten, om, ten koste van zyn bloed, zig ten minsten den waan te koopen, dat het vry is.
Magt en voorspoed, eenigen tyd door een volk genoten, heeft ook invloed op het volkskarakter. Een volk, [256] gewoon gevreesd te worden en in den oorlog te overwinnen, wordt gemeenlyk stoutmoedig en gaat daar door veeltyd, ja den meesten tyd heerschzugtig en onregtvaardig. Welk een hoogmoed was niet die der Romeinen in de tijden van hunnen voorspoed; en welke was niet hunne heerszugt en onregtvaardigheid.

Waare of ingebeelde voordeelen, van wat aart oo, hebben dikwyls insgelyks eene magtigen invloed [voorbeeld overmoed Turken jegens Grieken]

Behalven, dit alles, zyn ‘er dikwyls nog verborgene redenen, welken eenen magtigen invloed op het volskkarakter hebben. Oude vooroordeelen en gewoonten, welker oorsprong reeds lang vergeeten is, vermogen dikwyls zeer veel, en daar zyn niet zelden in de karakters der hedendaagschen volken trekken, waarvan men geene reden geeven kan, omdat de oorzaak derzelven gelegen is in byzonderheden, die voor veele eeuwen plaats hadden, en waarvan het geheugen thans volkomen verloren is.

W.”

No 85. op blz [276] Esprit des Loix verwijzing

bon ton = verfynden smaak 294

Verwyzing naar de Opmerker V, blz 139 over de Weelde,

no 90 Esprit de Loix verwijzing 316

no 93, blz 340 nogmaals verwijzing naar De Opmerker (tweede keer “een onzer voorgangeren” genoemd, VI. Deel, bl. 383. en nogmaals naar 189. vertoog op blz 342 als het gaat over “Staatkunde, regstgeleerdheid, godgeleerdheid, zyn weetenschappen, echikt alleen voor weinigen; en , wanneer die weinigen daaromtrent maar juiste denkbeelden hebben , is het genoeg, dewyl het onmooglyk is, dat de menigte zig daarop zou toeleggen”

ook meerdere verwijzingen naar Forster

In de Nederlandse Bibliotheek, derde deels, eerste stuk.

UITTREKZELS EN BEOORDEELINGEN VAN BOEKEN.

“Verhandeling over de natuur en Onveranderlijkheid der Waarheid, in tegenstelling der Sophisterij en Twijfelaarij. Uit het Engelsch van den heer JAMES BEATTIE, LL. D. Hooleeraar in de Natuurlijke Wijsgeerte en Redeneerkunde in het Marischals Collegie aan de Universiteit van Aberdeen, vertaald, en met de verbeeteringen en Vermeerderingen van den Autheur verrijkt, en na de laaste uitgaave nagezien door PETRUS GERARDUS DUKER, onder de inspreuk van Juvenlais: Nunquam aliud Natura, aliud Sapientia dixit.
Te Utregt bij J. C. ten Bosch, 1773. in gr. 8vo. Behalven de Vorreden [sic] van den Vertaaler en Inhoud der Hoofdstukken, 606 bladz. De Prij is f 2: 10: -”

in De Nederlandsche Bibliotheek(, waar in beoordeelingen en berigten van verscheidene boeken en kleindere geschriften, benevens eenige mengelstukken worden opgegeeven. Alles tot bevordering van Geleerdheid en Weetenschappen, en voornaamelijk in gerigt tot Bevestiging en Verdediging van den Christelijken Godsdienst in ’t gemeen, en van den Gereformeerden in ’t bijzonder. Candide et Modeste.)
Derden Deels (1775) Eerste Stuk

[305]
De stoffelijke wereld (mundus materialis) brengt somtijds dingen voort, welke van de gelijkformigheid, waar med de natuur gewoon is te werken, wat heel veel afwijken, en die men daar gewoon is monsters te noemen. Dit gebeurt evenwel maar somtijds, op dat men de wijsheid en goedheid van den Formeerder van alles niet zou verdenken. En, als het gebeurt, dan worden zulke wanschepsels van de verstandige wereld (mundus intellectualis) vel bewonderd, en wanneer ze tegelijk ook tot die wereld behooren, van de overige menschen wel beklaagd, als of de natuur hn ongelijk had aangedaan; maar niemand is egter dwaas genoeg, om gedrogten voor wezenlijke schoonheden aan te zien, schoon ze, in ’t algemeen oogmerk van den wijzen Bouwmeester van ’t Geheel-al, zoo min als andere dingen, niet te vergeefsch zijn.
Maar wie zou ooit hebben kunnen denken, dat ‘er, in de verstandige wereld zelve, schepsels waren, die zichzelven tot zulke monsters makten, en dan nog voor schoonheden van den eersten rang wilden doorgaan? En evenwel van lange tijden herwaarts wierden ‘er de zulken onder het geslagt der menschen gevonden, die zich uitgaven [306] voor wijze, daar zij dwaas waren, en zich zelven als de verstandigste van allen aanmerkten, en van anderen wilden aangemerkt worden, wanneer zij voorgaven niets te verstaan.
PYRRHO van Helia, een leerling van Anaxarchus, van een schilder een Wijsgeer geworden, omtrent 300 jaaren voor de geboorte van CHRISTUS, wordt, hoewel misschien ten onregte, voor den stamvader van dit gedrogtelijk geslagt gehouden. Waarom het gevoelen van deeze wonderlijke Secte van hem, ook nog heden, den naam heeft, Pyrrhonismus, dat het zelfde wil zeggen als Septicismus [sic], twijffelarij. Sedert schijnt dezelve niet alleen in stand gebleeven te zijn, maar ook zoo zeer vermeerderd, dat ze voor den Godsdienst zelfs gevaarlijk geworden is; dewijl ‘er zich menschen onder bevinden, die, daar ze in andere weetenschappen toonen bekwaam genoeg te wezen, om het waare van het valsche te onderscheiden, uit dit beginzel, als het zoo genoemd mag worden, durven bestaan den Godsdienst, en de Godheid zelfs, te bestrijden.
Geschiedde dit alleen met woorden, bij menschen, daar het geen kwaad kan doen, men zou het, als gedogtelijke wartaal, kunnen verachten. Maar nu het in openbaar geschrift, met den opschik van valschelijk genaamde Weetenschap, wordt voorgesteld, is elk Christen, en alle die de waarheid beminnen, verpligt zich hier tegen te zetten.
Zoo begreep het ook de Heer BEATTIE, Hoogleeraar in de Natuurlijke Wijsgeerte en Redeneerkunde op pde Hoogeschool te Aberdeen, in Schotland. En dit deed hem, alzoo dit kwaad in het kongingrijk van Groot Brittannien, misschien meer dan elders, veld begint te winnen, de pen daar tegen op te vatten, en dit Vertoog over de Waarheid schrijven, waar van de volledige Titel hier boven staat.
Het werk schijnt het geluk gehad te hebben, dat het, wegens den goeden aftrek, in ’t Engelsch, verscheiden maalen gedrukt is, waarom het dan ook te minder aanprijzing behoeft.
Om dat het evenwel nu, voor de eerstemaal in ’t Neerlandsch te voorschijn komt, is het zelve voorzien met een korte Voorreden, welke ten meesten deele bestaat uit een Brief aan den Heer Vertaaler van den Wel Eerwaarden Heer R. BROWN S. S. Th. D. en Predikant in de [307] Engelsche Gemeente te Utregt, welke het zelve tot geen gemeenen lof verstrekt.
Wat het Werk zelve aangaat. Uit den algemeenen Inhoud, welke terstond agter de Voorreden volgt, blijkt, dat het bestaat uit drie Deelen, ieder in verscheidene Hoofdstukken verdeeld, die wederom, wat de twee eerste betreft, hunne bijzondere onderscheidingen hebben. En het is, zoo als de Schrijver betuigt in de Inleidinge bladz. 21 geen vroegrijpe vrugt van losse en schielijk opkomende gedagten, maar van een welbekookte redeneering; een arbeid van verscheiden jaaren, waar over de schranderste Wijsgeeren van deeze eeuw zijn geraadpleegd.
Wij zullen tragten aan onze Leezers een geleidelijk denkbeeld van het zelve te geeven, en hier en daar ons oordeel zediglijk, maar opregt geeven.
Het eerste dat ons in dit Werk voorkomt, is een gepaste en leezenswaardige Inleiding, welke loopt van bladz. 1 tot 22. In dezelve vindt men, behalven een onpartijdige, en niet onverstandige beöordeling van de voordeelen, welke de tegenwoordige eeuw, ten aanzien van sommige weetenschappen, heeft, boven de voorgaande, en van sommige Schrijvers, en derzelver prijslijke en laakbare hoedanigheden, eene ontvouwing van het oogmerk deezes Geschrits, ’t welk is, om de Twijffelarij, als geheel nutteloos voor waarheid en deugd, ja daar aan ten hoogsten nadeelig, ten toon te stelln, en daar en tegen zulke gronden van zekerheid aan te wijzen, die zonder dat ze een spitsvindige navorsching vereischen, als van zelve voortvloeien uit een oplettend onderzoek van ons eigen hart en gewaarwordingen, en behoorlijke achtgeeving op het gedrag van andere menschen, die met ons in een onderlinge betrekking staan, ten einde de losbandigheid, waar toe deeze eeuw zoo genegen is, tegen te gaan, en met de Goddelijke openbaring, die het leven en de onsterflijkheid aan het licht heeft gebragt, in het aanwijzen van de noodzaaklijkheid eenes toekomenden staats, mede te werken, en daar aan dienstbaar te wezen.
Die Inleiding eindigt met deeze betuiging: “Indien dit stuk, ’t welk hij” (t. w. de Schrijver) “hoopt dat van niemand onbeziens zal veroordeeld worden, eenig licht aan de eerste grondstellingen der Zedekunde mocht bijzetten; indien het den jongen en onbedachtzaamen [308] eenige behoedzaameid mocht inboezemen tegen die bediegelijke redenerings-wijs en losbandigheid van beginselen, welke de verkeering en de schriften deezer eeuw maar al te veel aansteken; indien het, eenigermaate, iets mocht toebrengen tot het genoegen van sommige waarheid en deugdminnaaren; zoo zal zijn oogmerk volkomen beantwoord zijn: en hij zal zich, tot het einde zijns levens, verheugen in de herinnering van den moeilijken arbeid, aan welken hij tot het onderzoek van dit allergewichtigst geschil, zoo veele uuren besteed heeft”.
De Hoogleeraar zijn Werk, gelijk gezegd is, in drie Deelenverdeeld, en reden van die verdeeling gegeeven hebbende, maakt een aanvang in het eerste Deel, van den Proefregel der Waarheid.
Om deezen aan te wijzen, bepaalt hij in het eerste Hoofdstuk van dit Deel vrij nauwkeurig en verstaanbaar verscheiden kundigheden, die veel invloed hebben op dit Vertoog over de Waarheid. Inzondrheid bepaalt de Heer BEATTIE zich tot het groot onderscheid, dat er is tusschen de kennis van sommige waarheden door gevolgtrekkingen uit andere bekender, met behulp van de Reden, en de kennis van andere waarheden, axiomata, (bijvoorbeeld dat 2 en 2, geen 5 of 6, maar 4 zijn, dat een geheel, ’t welk uit veele deelen bestaat, grooter is dan één van die deelen, en meer andere soortgelijke waarheden,) door gemeen natuurlijk begrip, (common sense, in ’t Engelsch,). En wat hij daar door verstaat geeft hij bevattelijk genoeg te kennen bladz. 43 en 44. naamelijk: “een vermogen van den geest, het welk de waarheid gewaar wordt, of het geloof afvordert, niet door een voortgaande redeneering, maar door een oogenblikkelijken, natuurdriftelijken, en onweerstaanbaren aandrang; een vermogen, het welk zijn oorsprong noch uit de opvoeding noch uit de gewoonte heeft, maar alleen uit de natuur zelve; het welk onafhangelijk op onze ziel werkt, zoo dikwils het zijn voorwerp ontmoet, overeenkomstig een vastgestelde wet-; en het welk op gelijke wijs op een ieder werkt, of ten minsten op verre het grootste gedeelte der menschen, en daarom eigenlijk (common sense) gemeene zin genaamd word.”
Dan, na het onderscheid deezer twee vermogens van onze ziel, de Reden, en dit gemeen natuurlijk Begrip, te hebben aangetoond, en ook hunne verknogtheid en onderlinge afhanklijkheid, benevens de uitgestrektheid van elks grondgebied, gelijk hij zich uitrukt, waar in fraaije aanmerkingen tegen BERKELEY en HUME, twee bekende Twijffelaars in Engeland te vinden zijn, besluit hij dit Hoofdstuk met te zeggen: “Ik ben in staat om aan te toonen, dat, zoo wij niet een menigte dingen zonder bewijs gelooven, wij niemmer iets, hoe genaamd, zullen gelooven kunnen; want dat alle gezonde redeneering eindelijk steunen moet op de grondstellingen van het gemeen natuurlijk begrip, [309] dat is, op zulke grondstellingen, die beschouwelijk zeker, of beschouwelijk waarschijnlijk zijn, en bij gevolgd dat het gemeen natuurlijk begrip de laatstee en beslissende rechter der waarheid is, aan welke de Rede gestadig in haare werkinge moet onderschikt blijven.”
Dit belooft de Aucteur bij een onwraakbare afleidin van bijzondere stukken te zullen bewijzen. En daar toe dient het tweede Hoofdstuk, ’t welk in negen Afdeelingen, Stukken van den Schrijver genoemd, verdeeld is.
Dat ‘er zeekere eerste waarheden zijn, die geen betoog, hoe genoaamd, toelaaten, en daar ook geen meerder zekerheid, of klaarheid, kunnen ontfangen, dan zij van zelve hebben door een ingeschapen natuurdrift om ze toe te stemmen, die aan alle menschen gemeen is, wordt in het eerste Stuk getoond plaats te hebben in alle Wiskundige Redeneering.
In het tweede Stuk, beroept de Schrijver zich op het getuigenis der uitwendige zinnen van het gehoor, het gezigt, het gevoel, den reuk, en den smaak. en de tegenwerping, ontleend van de bedrieglijkheid onzer zinnen, in sommige omstandigheden, wordt overtuigend opgelost.
In het derde Stuk wordt gesprooken van het getuigenis des inwendigen gevoels, het welk, met overtuigende redenen, wordt aangetoond dat wij niet kunnen loochenen, zonder onze natuur geweld aan te doen.
Hier is bijzonder aanmerklijk bladz. 80-98. de verstandige redeneering, zoo in den text, als in eene aanteekening op de eerstgenoemde bladz. over de aanwezigheid en eenzelvigheid van onze ziel niet alleen, maar, wat het laatste aangaat, ook zelfs van onze lichaamen, oná¤angezien de geduurige veranderingen, welke de laatste ondergaan. Eene zaak die waardig is in het Boek zelve [310] geleezen te worden, om dat ze veel licht geeft tot oplossing van de zwaarigheid omtrent de opstanding van dezelve lichaamen ten jongste dage, ten aanzien van de vernieuwde hoedanigheden, welke die als dan zullen hebben, schoon de Aucteur ‘er tot dat einde geen gebruik van maakt.
’t Vierde Stuk spreekt, ten zelfden einde, van het getuigenis des Geheugens en bevat fraaije aanmerkingen over het verschil tusschn het Geheugen en de Verbeeldingskragt.
In het vijfde Stuk wordt onwederspreeklijk aangetoond dat de zetregel: “alles wat begint aanweezig te zijn komt van een oorzaak voort” beschouwelijk zeeker is. Dat is te zeggen, dat zij door geen bewijsreden of middel van betoog, klaarblijkelijker kan gemaakt worden, dan zij is, wanneer het verstand dezelve eerst ontwaar wordt; ’t welk vervolgens tegen den Heer HUME wordt aangedrongen. En ‘er wordt bladz. 122-132 een voortreffelijk gebruik van gemaakt tegen de Ongodisten in ’t gemeen, en den genoemden HUME in ’t bijzonder om uit de werken der Scheppinge het eeuwig vermogen en de Godheid des Scheppers aan te toonen.
Dit stuk wordt besloten met den Leezer te wijzen op een Boek, dat het licht reeds zag voor dat HUME’S Verhandeling over de menschelijke natuur in de wereld was. En, dewijl de Schrijver zich dus van deezen Ongodist afmaakt, verschoont hij zich deswegens, en eindgit met deeze opmerkelijke woorden: “Het is bij ongelovige Schrijvers langen tijd de mode geweest (evenwel minder bij eezen Schrijven dan bij verscheiden anderen) om tegenwerpingen tegen den Godsdienst, die meer dan eens en onbeá¤ntwoordelijk wederlegd zijn, als hunne eigene en als geheel en al nieuwe op te geeven. Deeze kunstgeep geeft hunne leerlingen geen aanstoot: zoo die Heeren al iets leezen, bepaalen zij hunnen naspooringen in ’t algemeen tot den eenen kant des geschils: en de Schrijvers zelve haalen ‘er ten opzigt van tijd en uitvining vrij veel mede uit.”

Hier op volgt het zesde Stuk, waar in de redeneering uit waarschijnlijkheid of ondervinding overwogen wordt. En de Schrijver haalt bladz. 137, ter opheldering van zijne gezegdens hier over, eenige regels aan uit MILTON’s Paradijs Verloren, welke hij oordeelt te gelijk uitneemend schoon, en juist wijsgeerig te wezen. Vooral wil hij de aandagt zijner Leezeren bepaalen bij die woorden van MILTON, ter uitbeelding van ’t geen ‘er in Adam’s gemoed omging, toen hij voor de eerste maal uit den slaap ontwaakte.

“Ik was gerust en onbekommerd / Schoon ‘k warlijk dagt, dat ik weer tot mijn eersten staat / Van ongevoel, en tot vernietingeing verviel”

“Adam”(zegt de Schrijver van dit Vertoog hier op,) had ter deezer tijd geen ondervinding van slaap en daarom kon hij met geen waarschijnlijkheid verwachten, dat hij ‘er uit ontwaaken zou. De aannaderingen van den slaap waren met diergelijke gevoelens vergezeld, als hij bij zijn ontwaaken ten levenhad ondervonden, en moeste dat denkbeeld natuurlijker wijze in zijn geest doen opkomen; en terwijl hij geene reden had om te verwachten, dat zijn leven zou blijven duuren, moesten zij hem doen zien hoe waarschijnlijk het was dat hij zich wederom op den kant een’s ongevoeligen staats bevond”
En op het einde der aanteekening, onde raan de bladzijde, zegt de Heer BEATTIE: “ik weet niet wat misschien anderen denken, maar het komt mij wonderlijk schoon en natuurlijk voor.”
Edoch hier moeten wij bekennen, dat wij dat wonderlijk schoone en natuurlijk in MILTON’s woorden niet kunnen vinden.
De woorden zelve schijnen ons iets tegenstrijdigs in zich te behelzen; want, hoe kon gerustheid en onbekommertheid, in den geest van Adam, met zulke gedagten, als MILTON aan hem toeschrijft, samen gaan?
En nog minder schijnen ons zulke gedagten te strooken met ADAM’s kennis, in dn staat der regtheid, (want daar in was hij toen nog, gelijk blijkt uit Gen. 2:21-25), van God en zijne betrekkinge op God, en de belofte van leven, zoo lang hij niet zondigde, aan hem gedaan. MOSES boezemt ons in zijn verhaal van ADAMS bedrijf, na zijne eerste ontwaaking uit dien diepen slaap, welke de Heere op hem deed vallen, geheel andere gedagten van hem in, dan die Engelsche Heldendigter aan hem toeschrijft.
Dit waren wij aan de waarheid schuldig hier aan te teekenen, maar voegen ‘er bij, dat het de kragt van ’s Schrijvers overige redeneeringen, in dit stuk, niet het allerminste benadeelt.
Het zevende Stuk heeft tot onderwerp, het redeneeren uit Evengeá¤artheid of Analogie, alwaar de redeneering van den Schrijver, als Hoogleeraar in de Natuurkunde, over de Waarschijnlijkheid, dat de Planeeten zoo wel als onze Aarde door levendige Schepselen bewoond worden, voor kundige menschen niet aanstootelijk zal weezen. ’t Is ook maar eene gelijkenis, die al houdt imeand ze niet voor waaragtig, egter aaan het bewijs in et algemeen geenzins te kort doet.
In het agtste Stuk wordt gesprooken van het het vertrouwen, dat men gewoonlijk stelt in het getuigenis van anderen. En de Schrijver vergeet zijne Leezers te doen opmerken den invloed, welke dit stuk heeft oop onze gevoelens van Godsdienst, en op onze Gechiedkundige kennis. ’t Welk voortreflijk van hem wordt uitgevoerd.
Eindelijk wordt, in het negende Stuk, dit alles tot een besluit gebragt. De Schrijver trekt zijne redeneeringen bij een, heldert ze op, en verdedigt ze tegen verscheidene bedenkingen. Waar in vooral leezenswaardig is, ’t geen de Aucteur aanmerkt bladz. 160, enz. tot wederlegging van dat ijdel voorgeeven der Ongodisten, als of de Twijffelarij, beter dan de Godsdienst, geschikt was, “om de bloeddorstige grondstellingen der bijgeloovigheid en geestdrijverij te doen ruimen, voor de zachte en onschadelijke beginselen der twijffelaarij en gematigdheid.” ’t Welk verdient in het werk zelve geleezen te worden.
De Hoogleeraar tot dus verre met zijn Vertoog over de Waarheid gevorderd zijnde, begint nu zijn Tweede Deel, waar in voorkomen: Ophelderingen der voorige Leere, met Gevolgtrekkingen.
Het bestaat uit drie Hoofdstukken, waar van de twee eerste wederom verscheidene afdeelingen hebben. Na vooraf gezegd te hebben, wat zijn voornaamste taak in dit Deel wezen zal, en hoe hij daar in wil te werk gaan, begint hij het eerste Hoofdstuk, behelzende een bevestiging zijner Leere uit de beöeffening der Wis- en Natuurkundigen.
Het eerste Stuk dient, om aan te toonen, en doet zulks ook volkomen, dat het in elke Weetenschap, zoo wel als in de Meetkunde, beide met de redeneerkunde en het gezond verstand bestaanbaar is, dat geen voor een beslissend beginsel te houden, ’t welk ons, door zijn eigen inwendige [313] klaarblijkelijkheid, het geloof afperst, en door geen redenen klaarblijkelijker kan gemaakt worden.
En de kundige Schrijver voer hier de Twijffelaars met hunne eigene woorden spreekende in, op eene wijze, die alle opmerking verdient, om het dwaaze, en niet alleen den Godsdienst, maar zelfs alle eerlijkheid en deugd verwoestende, dat in de Twijfelarij is, regt te bevatten, en daar over met verfoeinge aangedaan te worden.
Het tweede Stuk ruimt die tegenwerpingen weg, die uit de natuurlijke Wijsgeerte tegen deeze Leere kunnen ontleend worden.
Het derde Stuk, waar mede dit eerste Hoofdstukeindigt, is een vervolg op het voorgaande, en stelt eenige onderscheidene soorten van beschouwelijke zekerheid voor. Ter deezer gelegenheid berigt de Schrijver ons bladz. 241 en 242 dat hij, tot oplossing van de tegenwerping uit het verschillend oordeel over het geen men deugd noemt, in verscheidene Landstreeken, onder verschillende Godsdiensten, Regeeringsformen, en Zeden, veel moeite genomen heeft, zoo ten aanzien van de geschiedkundige daadelijkheden, daar men zich op beroept, als ten opzigt van de bewijzen, die men daar uit ontleent, ’t welk tot een geheele Verhandeling is uitgedijd, welke hij niet terug meent te houden, indien het wel gelukken van zijne tegenwoordige pooging hem eenigen grond geeft, om te hoopen dat zij van nut mag zijn.
Wij kunnen bij deeze gelegenheid niet nalaaten den bekwaamen Vertaaler van dit tegenwoordige werk, zoo die beloofde Verhandeling in ’t Engelsch reeds het licht ziet, ten nutte van het Gemeen te verzoeken, dezelve onze Landgenooten niet te willen onthouden, gelijk wij, voor ons zelven, bekennen, daar na, als naar een stuk van zeer veel aanbelang, te verlangen.
In het tweede Hoofdstuk wordt de dwaasheid der twijffelschijvers ten toon gesteld. En het eerste Stuk behelst Algemeene Aanmerkingen, en den Oorsprong en Voortgang der Hedendaagsche Twijffelaarij.
In het zelve toont de zeer geleerde Schrijver, dat hij niet alleen eene uitgebreide Geschiedkundige kennis van de gevoelens der oude en hedendaagsche Wijsgeeren bezit, maar dat hij ze ook in haare waardij en schadelijkheid nauwkeurig weet te beöordelen. Alleenlijk boezemt hij misschien, in dit Vertoog, den Leezer denkbeelden [314] in van den Heidenschen SOCRATES, welke hem wat te veel eer ’s aandoen.
In het tweede Stuk wordt de inbeelding van de meesterlijk ten toon gesteld, en aangewezen, dat iemand, die belijdenis van deeze dwaaze leere doet, en nogthans in de gemeene zaaken des levens te werk gaat gelijk een ander, zoo als zij alle doen, die dit voorgeeven, geen geloof verdient, gelijk ook, dat dit heilloos gevoelen, als het algemeen wierdt, dat het egter nooit worden kan, voor de menschelijke natuur, zoo wel als voor de weetenschappen, doodeijk zou wezen. [ is dit een soort nihilisme avant la lettre? ]
Het derde Stuk is het grootste van allen, en beslaat 83 bladzijden in dit werk. De zaak, daar het van handelt, verdiende ook een breedvoeriger ontvouwing, als raakende het redelijk gedrag der menscen, ’t welk noch lof, noch strafwaardig geoordeeld kan wordne, ten zij ieder mensch, inhet doen van deugd of ondeugd, niet uit bedwang of noodzaaklijkheid, maar als een vrij werkend wezen is aan te merken.
Ten dien einde wordt in dit Stuk gehandeld van de Vrijheid en Noodzaaklijkheid. En het oogmerk van den Schrijver is, zoo als klaar blijkt, niet anders dan om tegen de Ongodisten te betoogen, dat de menschen, om dat zij onbedwongen, en uit eigene beweeginge, doen het geen zij doen, en ook laaten dat zij niet begeeren te doen, aanspraalijk zijn voor hunen daaden, en dus, ten aanzien van God, en van de menschen, bevoegde voorwerpen zijn van belooningen, en ook van straffen.
De Aucteur spreekt over deeze zaak, die buiten tegenspraak, van het grootste belan, en aan geen geringe duisterheden onderworpen is, overeenkomstig zijne beginselen, vrij klaar, en toont uit het gemeen natuurlijk begrip, dat, in weerwil van Overnatuurkundige Sophisterij, tot nog toe de overhand behouden heeft, en ook wel zal blijven behouden het gevoelen, dat deze vrijheid van den wil, als ze dien naam zal behouden, niet is af te scheiden.
In zoo verre dan stemmen wij den geëerden Schrijver toe. Maar of hij evenwel dit stuk wel altijd in het midden van den paden des regts gebleeven zij, is een andere vraa. En, als wij ons gevoelen regt uit en zonder bewimpeling zullen zeggen, dan schijnt het ons ook toe [315] dat des Schrijvers uitdrukkingen over deeze zaak, ier en daar, noch met de gezonde Wijsgeerte, noch met de Godgeleerdheid, zoo als die in de Gereformeerde Kerk, waar toe hij behoort, beleden wordt, genoeg overeenkomen. Eene noodzaaklijkheid, die alleen maar eene zekerheid der uitkomst bestaat, en door beweegredenen wordt veroorzaakt, wordt niet enoeg van eene noodzaaklijkheid, die door dwang wordt opgelegd, onderscheiden; en de tegenstelling tusschen noodzaaklijk en vrij wordt veel te algemeen gemaakt; de vrijheid ook wordt in een verkeerd licht voorgesteld, als of ze in onverschilligheid bestond, en enkel toevalligheid was.
Tot een staaltje van dit ons gezegde beroepen wij ons op de wijze, waar van de Aucteur zich bladz. 409. bedient, om ’s menschen vrijheid overeen te brengen met de Goddelijke Voorkennis. Dus laat hij zich hier over uit: “Gelijk men de macht Gods niet verkort, wanneer men zegt, dat Hij geene onmogelijkheden kan doen; zoo verkorten wij, denk ik, zijne kennis niet, als wij zeggen, dat Hij NB. niet als zeker voorzien kan, ’t geen wezendlijk niet zeker, maar alleen toevallig is. “-
Wij bekennen zulk eene Voorkennis zonder zekerheid in God, ja zelfs in de menschen, niet te kunnen bevatte, zoo die Voorkennis niet in eene onzeekere gissing veranderen zal; te minder kunnen wij dat doen, als egte Gereformeerden, welke gewoon zijn de Scientia Visionis de kennis des gezichts, in God, af te leiden van zijn onveranderlijk besluit en geen toevalligheid, aan de zijde Gods, ergens in erkennen, en dat ook aan onze kinderen en leerlingen, bij de allereerste beginselen der zaligmakende leere trachten in te boezemn.
Wij willen dit nothans gaarn aan eene te sterke vooringenomenheid van den Heer BEATTIE met zijne beginselen, en tegen alle Overnatuurkundige redeneeringen toeschrijven, liever dan aan eene opzettelijke afwijking van de Hervoermde Leer. En het Stuk zelve, voor zoo verre als het de Ongodisten raakt, houdt daarom niet op leezenswaardig te wezen.
Het derde en laatste Hoofdstuk deezes tweeden Deels behelst niets dan eene toepassing van het hoofdzaaklijke der voorgaande ophelderingen op het voornaam oogmerk deezer Verhandeling. [316]
Op deeze twee Deelen laat de Heer BEATTIE nog een derde volgen, waar in hij ‘er zijn werk van maakt, om de tegenwerpingen tegen zijne leere, in ’t voorgaande gestaafd, te beá¤ntwoorden. Als: “dat dezelve zou strekken, om den mensch van de Vrijheid van onderzoek af te schrikken, en een ingewikkeld Geloof te bevorderen”als mede “(dit is een andere tegenwerping) “dat zij eene wederleggins-wijze schijnt aan te prijzen, die niet allernauwkeurigst met de redeneerkunde overeenstemt, en dat zij in der daad eenige der gevestigde wetten deezer weetenschap tegenspreekt”
De beantwoording hier van maakt den inhoud uit van het eerste Hoofdstuk deezes Deels. En de Leezer zal ‘er veele oordeelkundige en nuttige aanmeringen in vinden over het redentwisten der oude en nieuwe Schoolgeleerden, toegepast op de zeer gewoone wijze van samenspreeken in sommige hedendaagsche gezelschappen, die aangelegd schijnen, om een gevoelen, dat men heeft aangenomen, tegen zijn partij staande te houden, maar niet om het verstanden het hart van zich zelven, of van een ander, te verbeteren. [anti-sofisterij-gekibbel]
Dit onderwerp wordt in het tweede Hoofdstuk vervolgd; en de Overnatuurkunde, Metaphysica, (van welk woord bladz. 463 een oorsrpong, die misschien aan veelen niet bekend zal zijn, wordt aangeweezen,) wordt naar het gevoelen, dat de Heer BEATTIE daar van heeft, en dat aan deeze weetenschap, (’t welk zij nogthans, onzes oordeels, niet verdient,) de grootste eer niet aandoet, op haare waarde gesteld; en de oorzaken van de verbastering der zedenkundige weetenschappen worden aangetoond.
Bij deeze gelegenheid laat de Aucteur zich in ’t breede uit over het misbruik der woorde, die eene verschillende beteekenis hebben, om de zaaken, daar zij van gebruikt worden, in een verkeerd licht voor te stellen. In dit opzigte is het kunstje waar van HUME, en zijns gelijken, naar des Schrijvers opgave, zich bedienen, zeer opmerkelijk, en de levendigheid waar mede het wordt voorgesteld bladz. 505 en 506 maakt het leezenswaardig. Wij zouden het hier gaarn woordelijk inlasschen; maar dewijl dit berigt alreede vrij groot geworden is, wijzen wij onze leezers tot het werk zelve. Wanneer zij zullen bevinden, dat de geest der Ongodisterij [317] hier vrij wel wordt afgebeeld. Terwijl de Schrijver in dit gantsche Hoofdstuk betoont eene doordringendheid van oordeel te bezitten, en meer dan oppervlakkige kennis van de bijzondere stelsels der Wijgeeren, zoo oudere als nieuwen.
Egter kunnen wij niet voorbij te melden, dat het ons ergert eenen ROUSSEAU al mede onder de zedelijke Schrijvers van een waar vernuft te vinden opgeteld, uit welke men wijsheid kan leeren, die het hartdoet opspringen van vreugde over de verhevene en gelukkige poogingen des menschelijken versand, zoo als de Schrijver zich gelieft uit te drukken bladz. 513. Alwaar sommige van des Heeren BEATTIE’s vriende zelve misschien niet zeer gestigt zullen wezen, dat de groote LEIBNITZ met SPINOSA, en die niet beter zijn, met HUME en HOBBES, wordt gelijk gesteld.
Eindelijk brengt de Heer BEATTIE in het derde Hoofdstuk zijnen leezer onder het oog de zeer verderflijke gevolgen van het Scepticismus, en het Fatalismus, Twijffelarij en Noodlottighid. en hier is hij inzonderheid vol vuur en levendigheid.
Ten besluite laat de Heer BEATTIE op al het gezegde over de Waarheid nog volgen eene Na-rede, waar in hij zich verdedigt wegens het geen, sedert de eerste uitgave van dit zijn Boek, tegen het zelve is ingebragt.
En deeze Na-rede is zoo wel als al het voorgaande leezenswaardig voor Liefhebbers van den Godsdienst, welke ook een bijzonder genoegen zullen neemen in des Schrijvers beoordeeling van den berugten VOLTAIRE, welke voorkomt bladz. 595 en 596.
Maar die onbepaalde vrijheid, in spreeken en schrijven, welke de Aucteur bladz. 599. telt onder de hooge Voorregten van Groot Brittannien, zal een opregt aanklever aan Nederlands Burgerlijke en Godsdienstige constitutie wel voor die Natie willen overlaaten.
Onze aanmerkingen over dit Werk zijn wat uitgebreider geworden, dan wij in ’t eerst dagten, om dat het ons onder het leezen, en wij hebben dit ten aanzien van de voornaamste Hoofdstukken meer dan eens gedaan, voorkwam van te veel aanbelang te wezen, om ‘er onze Leezers niet een geleidelijk denkbeeld van te geeven.
Uitgezonderd eenige weinige bedenkelijkheden, welke wij hebben aangeweezen, is het zelve op eene treffelijke wijze [318] uitgevoerd, die eenen Hoogleeraar in de Naturlijk Wijsgeerte en Redeneerkunde overwaardig is.
Wij prijzen daarom dit Boek aan, als een Geschrift, dat verdient bij de werken, die tegen de Vrijgeesten zijn uitgekomen, geplaatst te worden. En de heer Vertaaler verdient wegens zijnen zuiveren en aangenaamen stijl, waar in hij den heer BEATTIE, in ’t Nederlandsch, doet spreeken, ook allen lof.

Geen Hume, maar wel…

een citaat van Montesquieu in De Vaderlander 128, 9 juny 1777 , blz. 177.

“Vryheid kan nergens in bestaan, dan in te kunnen doen, dat men moet willen, en niet gedwongen te zyn dat te doen, dat men niet moet willen.”

De onaangename wet afgekeurd.

In de Couranten van January en Febrary behelzen altyd veele Lysten van gebooren, gestorven, en getrouwde lieden. Wat doen wy met zulke berigten? Heeft het Gemeen daar belang by? Zyn wy staatkundigen, welker post vordert, dat wy, byvoorbeeld, uit de doodlysten van Altona, berekenen, hoeveele inwoonders daar geveonden worden? Zo ja, zouden w ons dan op zulke Couranten berekeningen kunnn en verlaten?
Zyn wy Filosoofen, die de sterflysten van de voornaamste steden van Europa opmaaken, om daaruit het getal der inwooners, en de wetten van gebooren worden en sterven, nevens den trap van gezondheid en ongezondheid in die oorden, vast te bepaalen, dezelfde en meer andere zwarigheden zullen zich hierin opdoen.

Volgende pagina »