Volgende pagina »

838: Camper zat bij De Rhapsodist, maar ook bij de denker en de philosooph,

o.c.f.hoffham zat ook bij de rhapsodist en de denker

CVA schreef

“Haan, Christa de en Kruif, lot de “Van excentrische bollen en een kwaadaartig meteoum. ” 1988 Amsterdam ma-scriptie

RHAPSODIST, DE (1771-83) [blz 837-840 van Lotte Jensen]
Camper,
S.de Vries
p.j. Uylenbroek (dictheruitgever)
HOffham
I. de Pinto

redactie:

mogelijk vrienden van meijer zoals

CVE (de philosoooph was ook van Meijer, de uitgever van de rhapsodist)

Frederik Willem Broers, advocaat

allemaal gebaseerd op initialen, want Broers kan voor B staan, maar ook Lublink de Jonge en Betje Wolff worden genoemd.

na de dood van meijer is ’t praktisch klaar -839

BOEKZAEL DER GELEERDE WERELDT (1692-1708, 1715–1800) [blz 115-118, door m.r. wielema)

“As in the case of the Republyk der Geleerden, the main importance of a periodical like the Boekzael vfor the historiography of philosophy lies not in its contribution to philosophical debate, but in the way it functioned as an intermediary between authors and the general reading public.”

Deel 3 van de Koopman gaat over het Publiek Krediet! En ik heb de verwijzing naar HUME gemist! (off….is het een onuitgesproken verband, in Dormans 1991, blz 189?

De koopman III

ii: de koopman pocht dat zijn stukken ook in het duits en engelsch zijn vertaald.

stuk over Tontines (veel lyfrenten-gerelateerde toestanden)4*5 wel susmilch [33], Davidson, Struik, Van der Beets, asseboom, Van der Hei, Euler [34]

[55] wiskunstenaars worden Euler Struik genoemd, maar ook Le Comte, De Lisle, Petty, Maitland.

[58] Melon

*9 Godsdienstoorlogen als rem op de bevolkingsgroei “Ach waren de elkandervervloekingen minder, de Zaligspreekingen meer… Wanneer zal der Waereld dit heil gebeuren? dan, wen alle Natiën in hunne Taal BELISARIUS leezen, dien in hn hart prenten, dien in edelmoedigheid navolgen; als alles één God, één Volk, en één Hart zal zijn.

Die BELISARIUS, ’t wys voorbeeld aller Staaten.
Door
Dweepers nog vervolgd. – Wat maakt hem dus verwaaten?
De Leer: [nootkruisje naar Heielbergsch Catech.] WY ZYN GENEIGD OM GOD EN MENSCH TE HAATEN

[68]

De KOOPMAN III. Deel. Nro. 16.

in een “VerHANDELING OVER DE SCHULDEN VAN EEN STAAT”

“WEINIGE hebben die zwakke Bewyzen ooit durven ondernummer, te onwikkelen. Bondiger dan de heer HUME altoos, heeft nimmer ymand geloof ik, het Verderf der Staatsschulden aangetoond; in weinige bladeren heeft hy alles wat ‘er ooit tot voordeel van gezegd is, volkomen beslissend weêrlegt, en ik ben voorneemens om deeze VERHANDELING over de SCHULDEN van een STAAT, met het kortelyk voorstellen van zyne voornaamste Gronden, en het merg uit zyne Redeneeringen, te besluien, op dat ik eindigen mag met myne Leezeren volkomen overreed te hebben: Dat, DE *SCHULDEN* (9etc met caps) die een staat maakt, altoos en ten allen tyde, ten uiterste nadeelig zyn, zo wel voor dien Staat zelve, als voor alle Volkeren die in desselfs Schulden deel neemen; dat het PUBLYK KREDIET van een Staat, ‘er eindelyk door zal moeten vallen, en met dit, al haar fondsen die zy niet zal kunnen aflosen, na maate deeze SCHULDEN meêr en meêr zullen toeneemen.
De SCHULDEN van een Staat, koomen het vuur zeer naby, dat met geweld aangegroeid, wanneer men het voed De houtstapels der geduurig vermeerderende Papieren en Fondsen, maaken dat [blz128] dat vuur onöphoudlyk grooter, tot het deezen verteerd, en eindelyk alles meêsleept en afweid, Zy welke deeze houtstapels verdédigen, voeden dat vuur; zy zyn ‘er Aanstookers van: en hunne schriften zyn als een oly die dat vuur te woedender maakt. Verstandige Patriötten hebben water aangebragt om het te willen blussen: de Aanstookers hebben ‘er tegená¤an gewerkt, om dat het hun particulier Interest was dat het vuur bleef voortbranden; ’t raakte hen niet dat het te dugten stond dat het eens alles zou verteeren.”

“ENGELLAND zal ons door zyn steeds geschokten en waggelenden Staataan den eenen, en door zyn toeneemende Commercie aan denanderen kant, ten aanzien van desselfsinwendig gesteldheid leeren kunnen, hoedanig de overhellende Balans der Schaaden by de Voordeelen eens Staats is, die gedrukt word door zyn Schulden;” en “zy die met ENGELLAND om de voorrang van den Handel yveren, nimmer zékerer middel kunnen uitdenken, om hunnen Handel te gelyk met ENGELLANDS rykdom in den grond te booren, dan met médelastdraagers in desselfs SCHULDEN te worden.

Hierna kondigt hij een vertoog aan van een ‘een zydig Engelsman’, om tegenover die van een onzydig hollander te stellen. “Niet die verstandige Engelsman, niet de onvergelykelyke HUME die wy zo even noemden, maar een ander, die niet met zyn’ naam voor den dag heeft durven treden, dugtende mogelyk dat hy eens ymand van zyn eige Natie, al te onzagt aangegreepen, met beschaamde kaaken zyn Chimaeriq veld zou moeten ruimen.”

Rousseau over het schaden der zeden door de wetenschappen blz 136

In nummer 21, op bladzijde 165:

Hierin staan, “getrokken uit de Schrandere Schrifen des heeren HUME, een beredeneerde Lyst van de SES groote [blz166]

“NADEELEN die de overvloed der PUBLYKE FONDSEN Aan den Staat, het Volk, denk KOOPHANDEL en aan alle Volkswelvaarten, te wege brengt

[lange weergave van argumenten uit ‘Of public credit’, par 10 tot 16, waarbij 16 het zesde punt vormt … volgt slechts deels de vertaling van 1764. (bijvorobeeld de TEN VIJFDE is identiek, m.u.v. laatse 5 woorden)]

vinden we aanmerkingen op elk punt, nuanceringen derde nadeel gaat vooral over engeland bijvoorbeeld (zelfde opmerking als vertaler?), met daarin een “AANMERKING Op het IVe Nadeel.” [dat is “’t is omtrent Engelland zéker, dat dewyl Vreemde [blz 168], wel voor het grootste gedeelte inhaar Publyke Papieren en Fondsen deel hebben, gelyk reeds te over beweezen is, Deeze, de Natie of ’t Gemeen, als onder een soort van Contributie leggen, en te eeniger tyd wel eens (hoezeer de Volkswelvaart en Commerá§ie nu bloeid) het verloop van Volk en Handel kunnen veröorzaaken.”] “Zie hier den geest van snoevery in onzen WELMEENENDE BRIT geheel en al gedoofd, en zyn gewaande Verschansing om verre geworpen. Maar zyn wy al bereids zo verre? De vraeg is: of het geschapen staat dat Engelland ons door zyne FONDSEN onder Contributie zal stellen, zo als de WELMEENENDE BRIT WIL; dan of wy Engelland daardoor zouden kunnen onder een soort van Contributie stellen, zo als de Heer HUME hier zegt? Zy die onze Vertoggen begreepen hebben zullen dit gereedlyk weeten te beá¤ntwoorden. Een Engels Schryver ondersteld dat het getal der Krediteuren van den BritsenStaat, zouden bestaan in niet meêr dan 17.000 Persoonen, zo bBuitenlanders als Inwoonders, aan wien het Ryk de opgenomen Penningen zou schuldig zyn; doch een ander spreekt, en dat met veel meêr waarschynlykheid van een getal van 21.500, waaronder ten minste 3700 Hollandse huizen zouden zyn. Men raame uit deeze Evenredigheid, aan welke zyde die Contributie zou dienen over te slaan?

AANMERKING OP het V en VIe, Nadeel. Menhoude dit beide voor reeds bewezen. Wy gelooven niet dat ymand ons zal kunnen beweeren, dat Renteniers die hun geld in Uitlandse Negotiá¤tiën besteeden, die alle hunne Vermogens inderzelver FoONDSEN leggen, zonder dat zy dat Geld in hun eige Vaderland aanleggen en doen rondwandelen, inderdaad niet zo onnut voor een Land zyn als ‘er de KOOPLIEDEN nuttig voor zyn; en dat zy zelfs ook zo schaadlyk aan den Staat zyn als ‘er het Gereed Geld voordeelig aan is.”

In stukjeno 22 wordt op blz 174 de goedkeuring van engelsen gezocht:

“WAT zegge ik UItlanders! ja Engelsen zelve, een Natie tog altoos zo nydig op onze Koophandel en Welvaard, spreeken niet dan met alle lof van ons Staatsfinaná§ieweezen, van onze openbaare Geloofbaarheid, en van onze geringe Schulden. Alle stemmen zy toe “ dat onze weinige SCHULDEN, naauwlyks drukkende genoemd mogen worden, dat zy gants niet in staat zyn onzen Staat te onderdrukken, en dat wy zeer gemaklyk in staat zyn, om ze binnen weinig tyd geheel en al af te doen” Niet onduidelyk geeven zy te kennen volhartig te wenschen, dat het met Engeland op zo een ‘goeden voet stond. Een HUME, een Lord OXFORD, en HUTCHESON, gewaagen niet dan met agting van ons; Zy tellen ons onder die weinige Natien, welke, ten opzigte van ’t goede Bestier omtrent het PUBLYK KREDIET, uitmunten en roem verdienen”[hierna ook temple]

**************VIERDE DEEL************

“AAN ALLEN DIE MY LEEZEN, EN AAN SOMMIGEN DIE MY NIET LEEZEN”

blz iv (bij benadering)

“Onder alle Schryvers, geloof ik, is VOLTAIRE de eerste die het pad der drooge Wysbegeerte, en der dorre Wiskunde, glad gemaakt en met bloemen bestrooid heeft; maar hoe oppervlakkig is hy ook! nergens dringt hy door, gelyk een PASCAL, een ROUSSEAU doen; weinig onderwyst, en nog minder overtuigd hy; en zo hy eens over den KOOPHANDEL en over het practicale van denzelven geschreeven moest hebben! – In de bedryven van een’ Kooopman komt het niet te pas dat hy geest zy, op zyne Gezelschappen is hy ‘t, maar daar is hy geen’ Koopman meer.” houdt zich daarbij bij zijn standpunt over dat de economie nog nooit spectatoriaalbecommentarieerd is.

blz 115 over de problemen met de nieuw geïntroduceerde obligaties voor stroggelende planters: en dat ermeer interest was “naar rato de gevaaren die zuke Obligatiën merder onderhevig waren dan op andere Effecten, zo door ’t gevaar van ’t Afloopen der Plantagiën, het wegloopen der Negers, of zwaare Sterfte onder dezelve. gelyk mede het ongeluk van een slegt gewas, en vermindering van Producten.

blz 158 memorie: verwijzing naar “Verhandeling over de Circulatie en het Crediet” (verwijzing gaat naar iiie en 22ste deel van de koopman) niks bijzonders

“een Slaavenöpstand, die hier voorvalt jaar op jaar,
Meest door der Blankden schuld, die dor gevloek, misaar,
Onmensechelyke straf, en ontucht met de Wyven,
De Négers tergen, en tot woede en wanhoop dryven.”

maar ook een stem gegeven aan Agricolus Colonialus (ofzo)

in een BEKopt PLAN VAN renforme ten aanzien van de Beá¤rbeiders onzer KOLONIEN

****************5e deel

AAN Mynen hoogduitSEn VERTAAldER

“zoo bedroeve ik my weder aan den anderen kant dat Gy hier zoo eene menigte gebreklykebroederen van Uw kwynend Beroep hebt, in het wél uitvoeren en slaagen van Werken die hier daaglyks in het Nederduits uitkomn, overgezet uit die tale welke U eigen is, en daar Gy voor gemaakt schynt om ‘er voortaan onze beste Schrften in over te brengen..de vertalers van leibnits en rabener en gellert en unzer

15e en 16e vertoog over de “tegnwoordigen toestand en Verval””Waarin aangetoond word: dat ons Land geen land is om ‘er de Vernuften of de Weetenschappen aan te kweeken, en dat Vertaalingen en Prulschriften merktékenen zyn van den slaafsen en bedurven smaak der NEDERLANDEREN. Over de Vodderyën en Lasterschriften. De boeknegotie van veel belang voor ons Land. Franse Mode hier in gedrongen. Dat men, ten einde onze regtschapen Geleerdheid hier aan te kweeken onze Geesten van HOOGER HAND meer behoorde op te wakken, en het Misbruik onzer Drukpers te weeren. Brief van een’ AMSTELDAMS BOEKVERKOOPER onder de Zinspreuk: al drukkende drukt men de Kunst in het Land ” inhoud opgave no. 15. (voor blz 113-121)

15e vertoog zijn brieven:

eerste brief: gaat in op het stereotype van de nederlander als iemand die de dingen laat zoals ze zijn en niet aan verbeteringen denkt, en de Weetenschappen verá¤gt. [blz113] toen de geleerdheid en de weetenschappen bloeiden, bloeide ook de negotie. nu is er vooral de onkunde en de minachting voor verstand en studie [blz114]
het verval is in holland groot: ‘in onze Geleerdheid alléén zien wy het; alles is vreemd: niet dan vertaalingen overkroppen ons; zelfs, denken wy byna niet meer; de oorspronglykheid is verlooren; Moecenaten, opkweekers van Vaderlandse Verstanden, waar zyn die?”

in plaats daarvan Vodderyen, die weliswaar door 2/3 van de tygenoten willen die ook het liefst, en de boekverkopers verdienen er het best mee

“De beste Boeken blyven leggen,
Nu onverkogt, zo is ’t gesteld!
Pruldrukkers, winnen, zo zy zeggen
Aan Uilenspiegels ’t meeste geld

“Vertaalingen en Prulschriften, zie daar alles wat ons fraai Land tegenwoordig opgeeft, de duidlykste merktekenen van den bedorven smaak der Nederlanderen.” 114

“HOLLANDS waare Wysheid legt ‘er toe! De Grotiussen, Heinsiussen, Huigens, Slingelanden, Boerhavens, Musschenbroeks, ’s Gravesandes, Reitzen en Meermans, zyn niet meer” 116

“De BOEKNEGOTIE is waarlyk van te veel belang voor ons Land, daar de gantsche Commercie alles aan haar verpligt is, dan dat ze zoo zoude aan haar ‘ ondergang komen; de Boek-negotie die voornaame tak van den algemeenen Koophandel, heeft te veel verknogtheid aan de Weetenschappen die eenLand gelukkig maaken, dan dat ze zoo zou verwaarloosd worden. Wy Hollanders waren voor lang de Faktoors der menschelyke gedagten: maar nimmer zoo zeer in Uitlandsch goedje als tegenwoodig. Nimmer las men hier zooveel Fransche Engelsche en Hoogduitsche Boeken dan heden; onze Nederduitsche Taal is merkelyk in Verval en wie houd ‘er nog langer de hand aan? Een geheele Academie alléén voor de Taal bouwt de Fransche nog daaglyks op.” 116-117

“alles moet Fransch weezen, of uit het Fransch overgezet! en het schynt dat gelyk wy ‘er onze Wynen en ons Zout haalen, wy ‘er nu ook onze Letterkunde en Weetenschappen haalen moeten.” 117

“’t KLEIN bestek onzer Taal, alleen bepaald in de zeven Nederlanden, een duim breed Lands in vergelyking van Vrankryk, Duitschland &c. en voorts in onze Coloniën, in Batavia, Suriname enz. laat zeker niet toe dat wy van onze Boeken zulk een Debiet hebben als een Duitschl. Vrankr. Engel. daar duizend menschen leezen tegen tien hier: maar behoorde men dan niet des te meer tegen het Verval van die Taal en van onzen Boekhandel te waaken?” 117

1/9 “if a backwardness to enter into that state should prevail in the world”
als tegenzin in ’t Huwelyk eenmaal de overhand mogt krygen [blz 305]

2/9 opmerking dat gezegd wordt dat er meer waarheid in een satire zit dan in een lofrede is vervallen.

3/9 “tho’ tis very likely that they will think it an unreasonable love of it in us, which makes us insist so much upon that point” over de mannelijke hekel aan de machtslust van vrouwen- valt weg, evenals een historische anecdote over de vrouwen van Scythia

4/9, 5/9 – weggevallen en vervangen door een lang stuk waarin de vertaler zijn eigen mening geeft. hij denkt dat vrouwen best wat inschikkelijker zouden kunnen zijn en suggeereert dat het idee dat werk het domein is van de man en huis van de vrouw een slechte is: “Neen! de zorg van elk uwer gaat over een gedeelte in het byzonder; maar beide moet gy toezien op ’t geheel”, [blz 308]

in de volgende aanvullende alinea zegt de vertaler da thij zelf een “veel gemaklyker zedeleer” heeft, beter dan die van Theologanten die beweren dat de vrouw wel degelijk onderworpen is aan de man. Want welke verliefde jonge meid zou zo’n verdrag aan willen gaan?

6/9 interessante aanvulling: “En hierom wenschte ik hartelyk, dat myn Systhéma, van gelykheid tusschen man en vrouw (’t welk zekerlyk op de gezonde reden, en het natuurlyk regt der menschen gegrond is,) wierdt aangenomen; dat het Huwelyk niet meer wierdt aangemerkt als onderwerping, of als een verdeeling van gezag, maar als een verdrag van de allernauwste vriendschap; dat geene der Partyen om heerschappye dagt;maar man en vrouw elkanderen als leden van één lighaam, of zo gy wilt, als één enkel Individu beschouwen.
[vetgedrukt is bij Hume te vinden – wel in de volgende regel ‘amicable’ waar misschien de vertaler vriendschap uit heeft gehaald]

8/9 ontbreekt (maar is kort)

7/9 passage uit 9/9 naar voren verplaatst door A.A. : “Droevige toestand! rustelooze poogingen! angstvallige zorgen! onwe^rstaanlyke begeerten! onvoldoenbaare behoeften! geduurige teloorstellingen! Dit alles maakte den menschen het leven bitter. Vergeefsch namen zy hunnen toevlugt tot andere geneugten; vergeefsch zogten zy, door de volmaaking hunner zielsvermogens, of de opvolging van andere begeerten, hunne verdriet te leenigen. Niets kon dat ydel vullen, dat zy in hunnen harten gevoelden, noch het missen hunnen wederhelften vergoeden, waarvan zy hetverlies zo deerlyk beweenden” [310-311]

9/9 LOVE wordt CUPIDO ‘avancement, convenance, douarie – franse woorden ipv humes ‘settlement, family, children, servants’ als de dingen waar ‘zorg’ op aanstuurde bij Hymen, wat als gevolg had dat het “wezenlijk geluk” verwaarloosd werd. (toegevoegd)

het herstel van de ‘Androgyne’ wordt bij a.a. eenvoudig weer “zyn ouden staat”

paragraafnummers komen uit de library.nlx.com intelex editie.

ontbreekt: 2/35
3/35 idem
4/35 i
5/35
6/35
———7 sterk gewijzigd, vriese paarden erbij blz339
8/35
9/35

———-10,11
12 en 13 samen gevoegd, vriesen en overysselschen erbij genoemd
argument dat vorsten hun landsgrenzen langs verschillen trekken onzin lijkt is erbij bedacht.

341 “en overal, daar zig Doopsgezinden hebben neêrgezet, heeft men eerlyke Kooplieden gevonden.” -gah! [blz341]

342 de grieken uit 15/35 worden griekse christenen

17/35 over verschillen in tijd – verplaatst naar achter 19/35

18/35 over internationale contacten – geschrapt

19/35 deels gehandhaafd: voorbeelden van Holland, Schotten, Duitsland, Frankrijk Spanje zijn weggehaald.

20/35 slechts heel beperkt daar, Maupertuis erbij, noot naar ‘the negroes’ in elk geval helemaal niet daaar.

21 ook nog

22, 23,24 ontbreken.

25, daar, (met wegname van de vlamingen) But I am apt to think, that this has happene by accident wordt “Maar dit verschil is zekerlyk aan zedelyke oorzaaken toe te schryven” [blz346] en hier ontbreekt wederom het ‘ingewikkelde’ analytische stuk, waarin Hume uitlegt dat zowel barbarij als té sterk verfijnde politiek kan zorgen voor corruptie.

26 is qua vraagstelling opgenomen: gaan veroveringen van noord naar zuid? – , maar roept vragen op waar Hume verklaringen suggereert “Maar hoe zal men, op deze wyze, de heldhaftige dapperheid van Mahometh en zyne onverschrokken Arabieren verklaaren?” (en nog twee nieuwe voorbeelden van de Polen en de Waiwodes en de Denen die ook onderworpen zijn) i.p.v. “it would have been juster to have said, that most conquest are made by poverty and want upon plenty and riches”
De “onsterfelyke Montesquieu” wordt geïntroduceerd, wiens Esprit des Loix tot verplichte materie was geworden [blz 364]

27 over voedsel 28/29 over de kwetsbaarheid maar ook sociale vormbaarheid van moed ontbreken.

30 en 31 en 32 33 samengevoegd tot één

34 “Dog, ik onderstel eens,” [blz. 347]

35 over liefde ontbreekt.

In 1787 komen we Hume tegen in het derde deeltje van de eerste band van dit nieuwe maandelijkse tijdschrift De Recensent, of bydragen tot de letterkudnige geschiedenis van onzen tyd, gestart in 1787, dat de verheffing uit het dal door middel van de letterkunde nastreeft. Want “wat zullen wy zeggen van den tegenwoordigen toestand der overige weetenschappen, en takken van geleerdheid, in het gemeenbest der nederlanden! – De beoeffening der schoone kunsten en fraaije letteren heeft bykans geheel de plaats ingeruimd aan eene volstrekte onkunde, zelf van de taalen der ouden, welker schriften men uit dien hoofde zins lange niet meer gewoon is te leezen” en over de wijsbegeerte, “welke in deze landen thands beoeffend wordt, is, by het geringste onderzoek, dien naam bykans ten eenenmaal onwaardig. Dezelve bestaat, over het geheel genoomen, of in bovennatuurkundige beschouwingen van bespiegelende leerbegrippen, of in niets beduidende verhandelingen van deze en geene onderwerpen eener eng omschreevene zedekunde, en zeer bepaalde natuurlyke godgeleerdheid; terwyl het natuurkundig gedeelte der meenigvuldige weetenschappen, welke zy aan den vlyt en het onderzoek van het menschelyk vernuft, ter volmaaking o evordering voorhoudt, naauwlyks gekend, of eenigszins beoeffend wordt. De waare menschkunde, daarenboven; de onderlinge betrekking tusschen verschillende volksmaatschappyen; de beschouwin van derzelver wederzysche belangen; de algemeene overweeging van derzelver zedelyken en natuurlyken toestand [etc….] zyn alle voorwerpen, die, hoe gewigtig ook, egter geenen den geringsten schakel in den keten der nederlansche wysbegeerte helpen uitmaaken.” ook met de geschiedenis is het mis, te oppervlakkig. zo gaat’ie nog even door, meldend dat ook de vele schrijvers die tijdens de vierde engelsche oorlog de pen op hebben gepakt allemaal weinig beduidend waren [blz x]

Het zegt wat dat het allereerste werk het zesde deel van de verhandelingen van Teylers zijn, met de werken van Morgan en Lentz (die ook Hume noemt) voorop.

Volgende pagina »