Bots’

Bayle was conservatief: “De fanatieke wijze waarop Jurieu [een andere Hugenoot, die een Histoire du Calvinisme kritiek uitte op LXIV] de Franse calvinisten tot rebellie aanspoorde, vervulde hem met afschuw” [Bots, Vlucht, 55] ook het volkenrecht-praatje van Jurieu stond hem niet aan [54]

‘Onder de vele Franse vluchtelingen, die vanaf de jaren tachtig van de 17e eeuw de Republik binnentrokken, vormden de geletterden, zij die op enigerlei wijze waren ingewijd in de schrijfcultuur, de groep die het Nederlandse geestesleven enige decennia lang diepgaand heeft beïnvloed.’ [bots 78, vgl de recensie van Israel door gibbs]

Wetstein: Zwitserse protestant aldus Popkin 1788

Millenarianism and messianism in English literature and thought, 1650-1800 [99n]

http://books.google.com/books?id=DM0UAAAAIAAJ&lpg=PA99&vq=wetstein&dq=wetstein%20huguenot&pg=PA99#v=snippet&q=wetstein&f=false

Pieter Mortier III bracht de nouvelle bibliothèque germanique uit. stcn

P. Mortier junior = Mortier, Pieter (III) Amsterdam, 1754-1781 = de Discours politiques, samen met J. Schreuder

Schneider J. H., 1758 de Essais philosophiques sur l’entendement humain (2 dln)

J. Schreuder en P. Mortier le jeune, 1761 nog een keer Discours politiques (deel 1) 61

hoe wordt dan “s.n. Amsterdam” uitgeven in 1763, 65, 69

Essais moraux et politiques. / By Hume. ; Translated from the English
Impressum:
Amsterdam, J.H. Schneider, 1764

Bronkhorst, Jacobus Rotterdam, 1768-1800 geeft dan la vie uit in 1777

chaugnion of changuion?

één en dezelfde? Chaugnion is aangeschreven door Hume, staat zo ook in de stcn

Changuion hielp Pierre Gosse een onderneming in Geneve te financieren (Eeghen, V 97)

“De belangstelling voor de Engelse boekhandel is in Amsterdam in deze periode niet meer heel groot. Na het overlijden van David Mortier heeft zijn neef Pierre Mortier geen directe vertegenwoordiger meer in Londen, waar hij altijd nog wel handel drijft. [noot 426: verhaal over geld verschuldigd zijn] In Amsterdam is het alleen Franá§ois Changuion, die met zijn schoonfamilie Soyer en Hoguel als Hoguel & Comp. van 1734-1737 een boekhandel in Londen heeft, daarna alleen tot 1739, met Abraham Maillet en Guillaum Meijer als zijn vertegenwoordigers, sedert 1739 J. J. Stephani. In 1742 wordt hijzelf als boekverkoper in Londen genoemd. Vermoedelijk is het dan al zijn zoon Philippe Changuion, die de zaken beheert. Op 21 januari 1744 geeft hij deze voor notaris van den Brink een algemene procuratie daartoe; de zoon is dan al als boekverkoper op de strand in Juvenali gevetigd. Hoelang hij hier gevestigd blijft, bleek mij niet. Een voor mij onverklaarbaar verschijnsel is het intekenen van Pièrre Humbert voor grote aantallen op Engelse uitgaven, terwijl de Engelse boekverkopers zelf meestal niet meer dan 7 exemplaren namen. Ik vraag mij af, wat hier achter stak. La Vie de Mahomet van H. de Boulainvilliers, dat in 1730 in 8o in Londen verscheen, vermeldt op “A list of the subscribers” 100 van de 260 intekenaingen op zijn naam. De exemplaren werden gedrukt met “Et se trouve á  Amsterdam chez Pierre Humbert”. Reeds het volgend jaar kwam een aantrekkelijker “Seconde edition” en geïllustreerd bij Franá§ois Changuion te Amsterdam uit, die net als Humbert deel had in de compagnie van Veertienen. [noot 427: “Wallis 264, geeft geen nadere uitleg”]

Wetstein gaf boeken uit met Humbert, en Beman (zoals het Dictionaire royal, franá§ois-anglois, et anglois-franá§ois)
Humbert drukte met Mortier en Schreuder de Nouvelle bibliotheque Germanique uit 1720-1759 [van vliet impartiale 8n]

gibbs – the names
have been extracted from the lists in Van Eeghen, Amsterdamse boekhandel, III and IV.
The material in these lists is of great interest to the social historian. In terms of Huguenot assimilation,
however, booksellers may be unrepresentative, since as a group they tended to be
inbred [273n intell]

Encyclopedie van Nederlandstalige Tijdschriften is er nog niet..
Waar is de groslijst?

Bunge, L. van; Bots, H., Pierre Bayle (1647-1706), le philosophe de Rotterdam: Philosophy, Religion and Reception. ISBN: 9789004165366. List price EUR: 99,00
http://www.brill.nl/default.aspx?partid=18&pid=30158

.C. Streng, Kweekster van verstand en hart. Boekcultuur en leescultuur in Overijssel tussen 1650 en 1850, Intellectueel Overijssel 2, Epe 2008. Het boek is ingenaaid, beslaat 186 pagina’s, en is voorzien van illustraties, bijlagen, literatuur en index. Het kost 19 euro en is te bestellen via: jcstreng@planet.nl.

P. J. Buijnsters, Spectatoriale geschriften (Utrecht 1991), is al sinds de jaren ’60 overtuigd dat in deze “door velen als duf beschouwde tijdschriftjes het grote debat van de Verlichting – natuurlijk naar Nederlandse maat – gevoerd werd.”, een gevoel dat versterkt werd n.a.v. Wolfgang Martens over de Duitse spectators (1968) [7]

1. Geboorte van een nieuw Genre:

Columnisten zijn de spectatoren van nu. Lange traditie, die in Engeland in 1709 begon met The Tatler van Addison en Steele. Gelijk daarna The Spectator, die nagenoeg precies samenviel met Van Effens Le Misantrope (maart/mei 1711)

“Het woord spectator kreeg zo van de aanvag af een dubbele betekenis: het verwijst naar een bepaald type tijschrift, als hier besproken; maar het duidt ook – en zelfs op de eerste plaats – de fictieve figuur aan die zich in deze geschriften tot het publiek richt en die niet identiek is met de auteur. Om deze spectator-figuur gestalte te geven moest de feitelijke schrijver als het ware verdwijnen.” [11]

Om de revolutionaire aanpak van de spectatoren te waarderen, zegt Buijnsters , moeten we kijken naar wat er meer voor tijdschriften verschenen. Voor (het begin van) de achttiende eeuw is er nauwelijks een strenge scheiding in te maken naar typen – hoogtij van het literaire kosmopolitisme, maar voor de periode voor 1709 kan dat ruwweg wel (gelukkig maar). Namelijk die van
1. nouvelles, die vaak iets met Mercurius in de naam hadden. Niet altijd even betrouwbare broodschrijvers.
2. geleerdentijdschriften waarvan Pierre Bayle een van de hoogtepunten afleverde. Pieter Rabus’ Boekzaal was weliswaar in het Nederlands, maar was desondanks geen allemanskost.
3. satirische weekbladen, die het meeste gemeen hadden met de spectatoren – zoals het opbouwen van een vertrouwensband met de lezers, maar die het morele element – in het Duits heten ze “Moralische Wochenschriften!” ontbeerden. Vaak wel weer goeie schrijvers, zoals Jacob Campo Weyerman (concurrent van Van Effen).

2. Ontwikkelingsgang

Deze sterke profilering wordt in de loop van de achttiende eeuw steeds vager omdat het succes van de spectatoren wordt gezien en ze worden al gauw geemuleerd door sommige “stichtelijke of populair-wetenschappelijke auteurs”. Andersom krijgen ook spectatoren bellettristische neigingen (mooischrijverij/literair) [14]
Buijnsters noemt het een “internationaal, bijna epidemisch verschijnsel” dat geen land overslaat.
Suggereert dat er een kwantitatieve staalkaart van Europa gemaakt zou kunnen worden. Ws. enkele honderden, waarvan de meeste in Engeland (200) Duitsland (110+) en Nederland (70). Vreemd genoeg in Frankrijk niet de allure/uitstraling die je zou verwachten. [15]
De oudste Duitse spectator was een hertaling van de Tatler/Spectator. De spectatorschrijvers zaten vaak op dezelfde plaats in het wijsgerig-theologische spectrum en namen daarom graag dingen van hun engelse en duitse collega’s over.

Iedereen surft wel een beetje mee op het succes van de ander (ookal is de ander soms gewoon dezelfde, maar dan met een ander naampie)

Tussen 1710 en 1720 domineren de Franstalige spectators in de Republiek, maar ze verdwijnen vrijwel in 1730. Dan beginnen de Nederlandse (Hollandsche spectator 1731) en in 1770 explodeert de boel, met name dankzij de enorme toename in politiek getinte spectatoren. Met die politisering begint ook gelijk de rek en de fut uit het genre te raken – in elk geval in het Noorden, om pas in de tweede helft van de negentiende eeuw pas weder op te bloeien. Buijnsters houdt dan ook ook in 1800.

3. ontvangst en waardering:

1760 verzadiging, in Duitsland althans, quotete Buijnsters, maar niet in Holland… (dat hebben we eerder gehoord, maar waar? wellicht bij Mijnhardt over de gezelschappen, de gezelschapsverzadiging)

de Tatler en Spectator gingen als zonnetjes, dat moest ook Justus van Effen concluderen. Het lag volgens hem echter niet aan de kwaliteit van de bladne, maar die van de lezers. [18]
Buijnsters merkt op dat er meer kritiek is dan lof op het genre, vanuit kerkelijk-orthodoxe hoek vooral, maar ’t verschilde per nummer. Vind het gek vanwege de massaliteit van het genre, maar eigenlijk is de kritiek natuurlijk waarschijnlijk ontstaan vanuit het idee ‘wat zijn eht er veel’.

Moeilijk uitspraken te doen over de oplages/rendabelheid. Moet uit opmerkingen van de spectatorschrijvers dus worden opgemaakt.

Abonnementen waren er nog niet, wel intekening, waarvan vooral de leesgenootschappen (v/a 1770) gebruikmaakten.