Eerste samenvattende studie is van H. H. Zwager ” Nederland en de Verlichting” uit 1972. Hij vroeg zich af wat de Verlichting voor het ‘geestelijk klimaat’ (Wielema) in de Republiek tijdens de achttiende eeuw. Daarbij ging Zwager uit van de radicale Franse verlichting en hij moest teleurstellend concluderen dat er sprake was van een ‘beperkt effect zonder reden voor trots’.

Mijnhardt was niet de eerste die de Verlichting anders typeerde voor Nederland; Sassen had al gesproken van een reformatorische Verlichting.

Verder onderzoek naar de Verlichting in de rest van Europa suggereerde zelfs dat de Franse Verlichting de uitzondering was geweest. Onderzoek naar de Verlichting binnen verschillende socio-culturele contexten (nationale) was dus gewenst – Porter.

‘het uniforme radicale Verlichtingsmodel maakte … plaats voor het model van een spectrum van verlichte tendenties’ [16]

uit de onderzoeken zou naar voren komen dat de radicale Franse / Engelse philosophes niet slechts verworpen werden om hun onorthodoxie, maar ook om hun frivole manier van denken – die niet strookte met het Nederlands-verlichte streven naar ‘redelijkheid en deugdzaamheid’. Zelfs de kosmopolitische denkers, ‘zoals Van Effen, Luzac, De Pinto, Hemsterhuis en Kinker, vertegenwoordigden deze gematigd-verlichte houding.’

Mijnhardt signaleert het ontstaan van een ‘nationaal georiënteerde culturele communicatiegemeenschap’ als alternatief voor de hoofdzakelijk Franse Republiek der letteren. Het ging er in deze communiecatiegemeenschap vooral om het zoeken naar oplossingen voor de problemen van de Republiek.
‘Opbouw van het vaderland’ was, liet Cornelis Singeling zien in “Gezellige schrijvers” zelfs een hoofdthema.

Mijnhardt suggereerde bovendien dat de onderwerpen die in de NL Verlichting werden besproken volledig afweken van de rest van Europa – dit bestrijdt Wielema. in “The Dutch Enlightenment: humanism, nationalism, and Decline worden de revoluties besproken, de republiekeinse traditie, de Verlichting en de sociale achtergrond van de nederlandse cultuur.” Wielema noemt bovendien de definitie van radicalisme die Jacob hanteert ‘verwarrend’ [17n]
Buijnsters heeft biografieën geschreven over Van Alphen, Wolff-Deken en Van Effen. Van Effen koppelde het verval aan de verslechtering van nationale waarden door de invloed van Franse zedeloosheid aan te geven als één van de hoofdredenen voor het verval. Dit deed hij overigens al toen hij Franstalige spectators maakte. Maar met de Hollandsche Spectator luidde hij een periode in die door Mijnhardt als het Nederlandse alternatief werd gesignaleerd.
Ockerse (patriot) schreef een belangrijk traktaat over de Nederlandse Volksaard. “Ontwerp tot eene algemeene characterkunde”

Het zelfbeeld van de Nederlander in de achttiende eeuw” was een themanr van de Werkgroep Achttiende Eeuw, met thema’s als politiek (republikanisme), economie (weelde als deugd), het vaderlands recht, de houding tegenover minderheden, het gezin, het Nederlands als literaire taal, en de schilderkunst’ Frijhoff schreef hierin over Ockerse.

Effen was een common sense – promotor, die overigens wel sodomie als oorzaak van de paalwormepidemie zag. [18] Hij was dan ook heel wat onverlichter dan zijn voorganger Pierre Bayle, aangezien hij de redelijke godsdienst n essentiële rol in het Verlichtingsproces toedeelde. Anderzijds was hij ook niet gecharmeerd van religieus fanatisme, dat de vrijheid van denken beperkte.

Zowel Pieter Rabus als Van Effen mogen van Wielema gezien worden als belangrijke werk-verzetters in de popularisering van een gematigd-verlichte geesteshouding, en ‘de Nederlanders een model van Verlichting heeft voorgehouden dat lange tijd maatgevend is gebleven’.

Pas na 1750 zouden religieuze zienswijzen als het straf-op-de-zonde-idee expliciet ter discussie worden gesteld. Dat blijkt wel uit het feit dat Rienk Vermij in zijn studie naar Bernard Nieuwentijt de invloed van zijn fysico-theoloog beperkte tot de eerste helft van de achttiende eeuw. Nieuwentijt bepleitte immers de juistheid/goddelijkheid van de bijbel gebruikmakend van natuurwetenschappelijke argumenten. Ook ging hij in tegen de Spinozisten. De harmonie tussen wetenschap en literatuur werd door Nieuwentijt onderstreept, aldus Vermij.
Wielema wil benadrukken dat N. een problematisch geval was doordat hij moderne met uiterst traditionele opvattingen combineerde – enerzijds gezondverstand en proefondervindelijkheid, anderzijds dat apologetische element.

Ook in Velema’s studie over Luzac komt naar voren hoe hij de Fransen (d’alembert, rousseau) verwaarlozing van de wiskunde en wiskundig beoefende metafysica verweet, en zuiver experimentele paradigma (wat dat ook mogen zijn). Ook de patriotten werd imitatie van Franse retoriek verweten.
Volgens Wielema onderschat Velema de invloed van Leibniz (t.o.v Wolff) op Luzac, omdat Leibniz meer nadruk legt op harmonie en volmaaktheid. De pro-stadhouderlijke houding van Luzac zou dan beter te verklaren zijn adhv diens positie als ‘ziel’ van de samenleving. ook koopmannen met hun eigenbelang passen in dat harmonische model [20]

Ook De Pinto is een aanhanger van Leibniziaans harmonisch wereldbeeld. Nijenhuis laat zien hoe DePinto een deel uitmaakte van een politiek-economisch debat dat op internationaal vlak plaatsvond, met mensen als mirabeau, quesnay, adam smith en david hume. Weelde was voor hem een deugd, maar hij stond hierin alleen (dit zou te verifieren moeten zijn mbv dat artikel in De Achttiende Eeuw).

Bulhof heeft over Willem Emmery de Perponcher geschreven, maar dieis ‘typisch nederlands’ en erg braaf, nergens origineel.

Belle van Zuylen is beschreven door Dubois, en zij las vooral Frans (maar ook Schots) Verlichtingswerk, maar ze verhuisde in 1771 (na haar huwelijk? volgens Eskens trouwde ze in 1777 in Zwitserland) uit de Republiek. In 1766 ontmoette ze Hume in Londen “een hoogtepunt in haar leven” aldus Erno Eskens 348

Wielema wijst op openliggende kansen voor recep tieonderzoek van Verlichte ideeën bij het grote publiek, en op de grote aantallen bronnenteksten die nog op onderzoek wachten. Noemt ook het werk van Buisman, maar zet vraagtekens bij diens eigen relativering van de resultaten van zijn kwantitatieve onderzoek [23]
Noemt bovendien de prosopografische resultaten “nauwelijks verrassend”, aangezien ze weer wijzen op de aristocratie en hoge burgerij als bron voor verlichte reacties.
Kantianen waren de radicaalste verlichters maar dat moet weer met een korrel zout genomen worden, laat Wielema zien aan de hand van een voorbeeld van Kinker.

Hanou had de kantianen al bestempeld als radicaalst, en heeft nu brieven van kinker uitgegeven. Kinker zat achter het Magazijn voor de critische wijsbegeerte, maar over de motieven hierachter komen we door niet-beschikbare bronnen niets meer te weten. Erg trouw aan Kants methode. Veel inzichten over het literaire genootschappelijke en politieke gebeuren tijdens diens leven.
Zowel de ‘radicale’ stroming als de gematigde hielden zich bezig met volksverlichting, in tegenstelling tot in Frankrijk, waar er een flinke kloof gaapte tussen philosophe en volk [24]
Het meeste werk om zo’n kloof tegen te gaan werd gedaan door de mensen ahter het Nut (Martinus Nieuwenhuyzen), over wie is geschreven door Helsloot ism Dodde. John Locke werd er voor zijn pedagogische werk bijgehaald. Met name de alfabetisering werd door ’t Nut bbevorderd, en Buisman stelt de hypothese dat deze geletterdheid onder bredere lagen polarisatie tussen vromen en verlichten tegenging.
Verlichte lui onderling hadden meer discussie in NL en andere landen met een gematigde verlichting. De Verlichting werd ook gedragen door vromen én verlichten en niemand werd gedwongen te kiezen. Secularisering kwam pas in de tweede helft vna de negentiende eeuw, een EUUUUUUUUUUEW later dus. Waarover Noordenbos heeft geschreven (1931).

P. J. Buijnsters, Spectatoriale geschriften (Utrecht 1991), is al sinds de jaren ’60 overtuigd dat in deze “door velen als duf beschouwde tijdschriftjes het grote debat van de Verlichting – natuurlijk naar Nederlandse maat – gevoerd werd.”, een gevoel dat versterkt werd n.a.v. Wolfgang Martens over de Duitse spectators (1968) [7]

1. Geboorte van een nieuw Genre:

Columnisten zijn de spectatoren van nu. Lange traditie, die in Engeland in 1709 begon met The Tatler van Addison en Steele. Gelijk daarna The Spectator, die nagenoeg precies samenviel met Van Effens Le Misantrope (maart/mei 1711)

“Het woord spectator kreeg zo van de aanvag af een dubbele betekenis: het verwijst naar een bepaald type tijschrift, als hier besproken; maar het duidt ook – en zelfs op de eerste plaats – de fictieve figuur aan die zich in deze geschriften tot het publiek richt en die niet identiek is met de auteur. Om deze spectator-figuur gestalte te geven moest de feitelijke schrijver als het ware verdwijnen.” [11]

Om de revolutionaire aanpak van de spectatoren te waarderen, zegt Buijnsters , moeten we kijken naar wat er meer voor tijdschriften verschenen. Voor (het begin van) de achttiende eeuw is er nauwelijks een strenge scheiding in te maken naar typen – hoogtij van het literaire kosmopolitisme, maar voor de periode voor 1709 kan dat ruwweg wel (gelukkig maar). Namelijk die van
1. nouvelles, die vaak iets met Mercurius in de naam hadden. Niet altijd even betrouwbare broodschrijvers.
2. geleerdentijdschriften waarvan Pierre Bayle een van de hoogtepunten afleverde. Pieter Rabus’ Boekzaal was weliswaar in het Nederlands, maar was desondanks geen allemanskost.
3. satirische weekbladen, die het meeste gemeen hadden met de spectatoren – zoals het opbouwen van een vertrouwensband met de lezers, maar die het morele element – in het Duits heten ze “Moralische Wochenschriften!” ontbeerden. Vaak wel weer goeie schrijvers, zoals Jacob Campo Weyerman (concurrent van Van Effen).

2. Ontwikkelingsgang

Deze sterke profilering wordt in de loop van de achttiende eeuw steeds vager omdat het succes van de spectatoren wordt gezien en ze worden al gauw geemuleerd door sommige “stichtelijke of populair-wetenschappelijke auteurs”. Andersom krijgen ook spectatoren bellettristische neigingen (mooischrijverij/literair) [14]
Buijnsters noemt het een “internationaal, bijna epidemisch verschijnsel” dat geen land overslaat.
Suggereert dat er een kwantitatieve staalkaart van Europa gemaakt zou kunnen worden. Ws. enkele honderden, waarvan de meeste in Engeland (200) Duitsland (110+) en Nederland (70). Vreemd genoeg in Frankrijk niet de allure/uitstraling die je zou verwachten. [15]
De oudste Duitse spectator was een hertaling van de Tatler/Spectator. De spectatorschrijvers zaten vaak op dezelfde plaats in het wijsgerig-theologische spectrum en namen daarom graag dingen van hun engelse en duitse collega’s over.

Iedereen surft wel een beetje mee op het succes van de ander (ookal is de ander soms gewoon dezelfde, maar dan met een ander naampie)

Tussen 1710 en 1720 domineren de Franstalige spectators in de Republiek, maar ze verdwijnen vrijwel in 1730. Dan beginnen de Nederlandse (Hollandsche spectator 1731) en in 1770 explodeert de boel, met name dankzij de enorme toename in politiek getinte spectatoren. Met die politisering begint ook gelijk de rek en de fut uit het genre te raken – in elk geval in het Noorden, om pas in de tweede helft van de negentiende eeuw pas weder op te bloeien. Buijnsters houdt dan ook ook in 1800.

3. ontvangst en waardering:

1760 verzadiging, in Duitsland althans, quotete Buijnsters, maar niet in Holland… (dat hebben we eerder gehoord, maar waar? wellicht bij Mijnhardt over de gezelschappen, de gezelschapsverzadiging)

de Tatler en Spectator gingen als zonnetjes, dat moest ook Justus van Effen concluderen. Het lag volgens hem echter niet aan de kwaliteit van de bladne, maar die van de lezers. [18]
Buijnsters merkt op dat er meer kritiek is dan lof op het genre, vanuit kerkelijk-orthodoxe hoek vooral, maar ’t verschilde per nummer. Vind het gek vanwege de massaliteit van het genre, maar eigenlijk is de kritiek natuurlijk waarschijnlijk ontstaan vanuit het idee ‘wat zijn eht er veel’.

Moeilijk uitspraken te doen over de oplages/rendabelheid. Moet uit opmerkingen van de spectatorschrijvers dus worden opgemaakt.

Abonnementen waren er nog niet, wel intekening, waarvan vooral de leesgenootschappen (v/a 1770) gebruikmaakten.