IETS OVER DE KANTISCHE WYSBEGEERTE, DOOR W. SERVAAS M. D. AAN DEN SCHRYVERS VAN DEN N. A. KONST- EN LETTER-BODE (9 en 16 juni 1797)

“Te recht merkt de Journalist aan, dat de aanvallen van Hume op de Overnatuurkunde, Kant hebben aangezet om de tot hier toe algemeen aangenomen denkwyze en deze wetenschap streng ter toets te brengen. Men denk niet, dat deze aanvallen in spitsvindigheden van gering bestonden, waar voor veelen alle Overnatuurkundige vraagstukken houden. De schrandere en diepdenkende Engelsche Wysgeer Hume bedoelde niets minder, dan allen grond voor het begrip van eene oorzaak der waereld, van eenen Schepper, van eenen God, met al wat uit die begrippen volgd, weg te cyfferen. Hy beweerde, dat de grondregel, ‘er kan niets bestaan zonder oorzaak, valsch was; dat alle overreding, die wy daar van hebben, alleen uit de ondervinding voortspruit; daar nu de ondervinding ons alleenlyk leerd, hoe de dingen daadelyk voorkomen, maar niet, dat zy noodzaakelyk zoo en niet anders voorkomen moeten of kunnen, kan zy ons nimmer algemeene noodzakelykheid leeren. Wy kunnen derhalven wel met grond zggen, zoo en zoo geschiedt dit, zoo ondervinden wy bestendig; maar wy kunnen daar uit, nimmer vaststellen, dathet noodzaakelyk altyd zoo zyn moet. Nu hebben wy wel altoos waargenomen, dat elke toestand der dingen, elke verandering in de geheele natuur en in elk byzonder ding derzelve, voorgegaan is door eenen anderen toestand, die de reden of het wezen van die daar op gevolgde verandering in zich scheen te behelzen, en wy ondervinden gestadig, dat wy verandering in de dingen kunnen te weet brengen, door haaren tegenwoordigen toestand te veranderen. Dit noemen wy oorzaaken en gevolgen : maar deze reeks van opvolgende en malkander bepaalende veraneringen en gevolgen, die wy oorzaaken en gewrochten noemen, bepaalt zich alleen binnen den kring, binnen der omvang, der geheele natuur of het Geheelá¤l, voor zover wy dit kunnen waarneemen; maar deze gantsche natuur, dit Geheel-al, kunnen wy nimmer overzien en is dus in zyn geheel niet waarneemen: wy kunnen derhalven daar uit niet besluiten, dat die Geheelá¤l ook eene oorzaak hebben moet. Wy bevinden, dat het bestaat, en de stof van voorwerpen van alle onze ondervindingen en waarneeming behelst, maar het is dwaasheid naar desselvs oorzaak te vraagen en vermetel, herssenschimmig en ongerymd, eene oorzaak daar van te stellen. Vraagt men nu, van waar hebben wy dan toch die sterke overreding, die ( ten minsten schynbaare) zekerheid, dat al wat is, eene oorzaak hebben moet? Hume en zyne instemmers zullen u vertrouwelyk antwoorden, alleen van uwe bestendige gewoonte van waarnemen en ondervinden; daar door is dit besluit, by u, hebbelyk geworden; om dat gy dit zo gestadig ondervindt, meent gy, dat dit niet anders zyn kan; daar gy intusschen [blz180] geen meer recht tot dit besluit hebt, dan een bewoonder der verzengde luchtstreek, die nooit ys gezien heeft, om te besluiten dat het water geen hard en vast lichaam kan worden.”

[ alk 9 juni 1797, blz179]

en dan, op blz187 (16 juni 1797)

“Wanneer wy deze zuivere verstands-begrippen op haar zelven beschouwen, zyn zy, gelyk Kant zich uitdrukt, ledige tituls, of opschriften, zonder inhoud. Hier uit volgt (en het onderzoek van alles, wat wy eigentlyk kennen, bewyst dit ook van agteren) dat wy met alle deze gereedschappen van kennen nimmer buiten de grenzen, of buiten het veld der mogelyke ondervinding komen kunnen; en, in zoo verre, heeft dus Hume gelyk. Daar echter deze onze zuivere verstands-begrippen zelve buiten het veld der eigentlyk gezegde ondervinding leggen; daar wy dezelve, afzonderlyk, dat is, in het afgetrokkene, voor onze aandagt stellen, vergelyken, beoordelen en beredeneeren kunnen; en daar wy ons niet wederhouden kunnen, ja, eer wy het merken, straks by alle nadenken, en bespiegelingen, ons buiten het veld der ondervinding en over haare grenspaalen heen begeven en straks het algemeene, eerste, onvoorwaardelyke, van alles wat wy kennen en als mogelyk kenbaar bezeffen, trachten optespooren, en uit dat alles eene eenheid, een systematisch geheel, pogen te maaken (*), ontdekken wy (volgens Kant) in ons, een hooger vermogen, het welk hy eigentlyk de reden, of het vernuft, noemt.”

Eerste samenvattende studie is van H. H. Zwager ” Nederland en de Verlichting” uit 1972. Hij vroeg zich af wat de Verlichting voor het ‘geestelijk klimaat’ (Wielema) in de Republiek tijdens de achttiende eeuw. Daarbij ging Zwager uit van de radicale Franse verlichting en hij moest teleurstellend concluderen dat er sprake was van een ‘beperkt effect zonder reden voor trots’.

Mijnhardt was niet de eerste die de Verlichting anders typeerde voor Nederland; Sassen had al gesproken van een reformatorische Verlichting.

Verder onderzoek naar de Verlichting in de rest van Europa suggereerde zelfs dat de Franse Verlichting de uitzondering was geweest. Onderzoek naar de Verlichting binnen verschillende socio-culturele contexten (nationale) was dus gewenst – Porter.

‘het uniforme radicale Verlichtingsmodel maakte … plaats voor het model van een spectrum van verlichte tendenties’ [16]

uit de onderzoeken zou naar voren komen dat de radicale Franse / Engelse philosophes niet slechts verworpen werden om hun onorthodoxie, maar ook om hun frivole manier van denken – die niet strookte met het Nederlands-verlichte streven naar ‘redelijkheid en deugdzaamheid’. Zelfs de kosmopolitische denkers, ‘zoals Van Effen, Luzac, De Pinto, Hemsterhuis en Kinker, vertegenwoordigden deze gematigd-verlichte houding.’

Mijnhardt signaleert het ontstaan van een ‘nationaal georiënteerde culturele communicatiegemeenschap’ als alternatief voor de hoofdzakelijk Franse Republiek der letteren. Het ging er in deze communiecatiegemeenschap vooral om het zoeken naar oplossingen voor de problemen van de Republiek.
‘Opbouw van het vaderland’ was, liet Cornelis Singeling zien in “Gezellige schrijvers” zelfs een hoofdthema.

Mijnhardt suggereerde bovendien dat de onderwerpen die in de NL Verlichting werden besproken volledig afweken van de rest van Europa – dit bestrijdt Wielema. in “The Dutch Enlightenment: humanism, nationalism, and Decline worden de revoluties besproken, de republiekeinse traditie, de Verlichting en de sociale achtergrond van de nederlandse cultuur.” Wielema noemt bovendien de definitie van radicalisme die Jacob hanteert ‘verwarrend’ [17n]
Buijnsters heeft biografieën geschreven over Van Alphen, Wolff-Deken en Van Effen. Van Effen koppelde het verval aan de verslechtering van nationale waarden door de invloed van Franse zedeloosheid aan te geven als één van de hoofdredenen voor het verval. Dit deed hij overigens al toen hij Franstalige spectators maakte. Maar met de Hollandsche Spectator luidde hij een periode in die door Mijnhardt als het Nederlandse alternatief werd gesignaleerd.
Ockerse (patriot) schreef een belangrijk traktaat over de Nederlandse Volksaard. “Ontwerp tot eene algemeene characterkunde”

Het zelfbeeld van de Nederlander in de achttiende eeuw” was een themanr van de Werkgroep Achttiende Eeuw, met thema’s als politiek (republikanisme), economie (weelde als deugd), het vaderlands recht, de houding tegenover minderheden, het gezin, het Nederlands als literaire taal, en de schilderkunst’ Frijhoff schreef hierin over Ockerse.

Effen was een common sense – promotor, die overigens wel sodomie als oorzaak van de paalwormepidemie zag. [18] Hij was dan ook heel wat onverlichter dan zijn voorganger Pierre Bayle, aangezien hij de redelijke godsdienst n essentiële rol in het Verlichtingsproces toedeelde. Anderzijds was hij ook niet gecharmeerd van religieus fanatisme, dat de vrijheid van denken beperkte.

Zowel Pieter Rabus als Van Effen mogen van Wielema gezien worden als belangrijke werk-verzetters in de popularisering van een gematigd-verlichte geesteshouding, en ‘de Nederlanders een model van Verlichting heeft voorgehouden dat lange tijd maatgevend is gebleven’.

Pas na 1750 zouden religieuze zienswijzen als het straf-op-de-zonde-idee expliciet ter discussie worden gesteld. Dat blijkt wel uit het feit dat Rienk Vermij in zijn studie naar Bernard Nieuwentijt de invloed van zijn fysico-theoloog beperkte tot de eerste helft van de achttiende eeuw. Nieuwentijt bepleitte immers de juistheid/goddelijkheid van de bijbel gebruikmakend van natuurwetenschappelijke argumenten. Ook ging hij in tegen de Spinozisten. De harmonie tussen wetenschap en literatuur werd door Nieuwentijt onderstreept, aldus Vermij.
Wielema wil benadrukken dat N. een problematisch geval was doordat hij moderne met uiterst traditionele opvattingen combineerde – enerzijds gezondverstand en proefondervindelijkheid, anderzijds dat apologetische element.

Ook in Velema’s studie over Luzac komt naar voren hoe hij de Fransen (d’alembert, rousseau) verwaarlozing van de wiskunde en wiskundig beoefende metafysica verweet, en zuiver experimentele paradigma (wat dat ook mogen zijn). Ook de patriotten werd imitatie van Franse retoriek verweten.
Volgens Wielema onderschat Velema de invloed van Leibniz (t.o.v Wolff) op Luzac, omdat Leibniz meer nadruk legt op harmonie en volmaaktheid. De pro-stadhouderlijke houding van Luzac zou dan beter te verklaren zijn adhv diens positie als ‘ziel’ van de samenleving. ook koopmannen met hun eigenbelang passen in dat harmonische model [20]

Ook De Pinto is een aanhanger van Leibniziaans harmonisch wereldbeeld. Nijenhuis laat zien hoe DePinto een deel uitmaakte van een politiek-economisch debat dat op internationaal vlak plaatsvond, met mensen als mirabeau, quesnay, adam smith en david hume. Weelde was voor hem een deugd, maar hij stond hierin alleen (dit zou te verifieren moeten zijn mbv dat artikel in De Achttiende Eeuw).

Bulhof heeft over Willem Emmery de Perponcher geschreven, maar dieis ‘typisch nederlands’ en erg braaf, nergens origineel.

Belle van Zuylen is beschreven door Dubois, en zij las vooral Frans (maar ook Schots) Verlichtingswerk, maar ze verhuisde in 1771 (na haar huwelijk? volgens Eskens trouwde ze in 1777 in Zwitserland) uit de Republiek. In 1766 ontmoette ze Hume in Londen “een hoogtepunt in haar leven” aldus Erno Eskens 348

Wielema wijst op openliggende kansen voor recep tieonderzoek van Verlichte ideeën bij het grote publiek, en op de grote aantallen bronnenteksten die nog op onderzoek wachten. Noemt ook het werk van Buisman, maar zet vraagtekens bij diens eigen relativering van de resultaten van zijn kwantitatieve onderzoek [23]
Noemt bovendien de prosopografische resultaten “nauwelijks verrassend”, aangezien ze weer wijzen op de aristocratie en hoge burgerij als bron voor verlichte reacties.
Kantianen waren de radicaalste verlichters maar dat moet weer met een korrel zout genomen worden, laat Wielema zien aan de hand van een voorbeeld van Kinker.

Hanou had de kantianen al bestempeld als radicaalst, en heeft nu brieven van kinker uitgegeven. Kinker zat achter het Magazijn voor de critische wijsbegeerte, maar over de motieven hierachter komen we door niet-beschikbare bronnen niets meer te weten. Erg trouw aan Kants methode. Veel inzichten over het literaire genootschappelijke en politieke gebeuren tijdens diens leven.
Zowel de ‘radicale’ stroming als de gematigde hielden zich bezig met volksverlichting, in tegenstelling tot in Frankrijk, waar er een flinke kloof gaapte tussen philosophe en volk [24]
Het meeste werk om zo’n kloof tegen te gaan werd gedaan door de mensen ahter het Nut (Martinus Nieuwenhuyzen), over wie is geschreven door Helsloot ism Dodde. John Locke werd er voor zijn pedagogische werk bijgehaald. Met name de alfabetisering werd door ’t Nut bbevorderd, en Buisman stelt de hypothese dat deze geletterdheid onder bredere lagen polarisatie tussen vromen en verlichten tegenging.
Verlichte lui onderling hadden meer discussie in NL en andere landen met een gematigde verlichting. De Verlichting werd ook gedragen door vromen én verlichten en niemand werd gedwongen te kiezen. Secularisering kwam pas in de tweede helft vna de negentiende eeuw, een EUUUUUUUUUUEW later dus. Waarover Noordenbos heeft geschreven (1931).

M.R. Wielema, ʻDie
erste niederlá¤ndische Kant-Rezeption 1786-1850ʼ in: Kant-Studien 79 (1988) p. 450-466.

Tijdschrift voor Filosofie, 68/2006, p. 133-156
RECEPTIEONDERZOEK: DE EERSTE RECEPTIE VAN KANTS FILOSOFIE IN NEDERLAND
door Ernst-Otto ONNASCH (Amsterdam)

1 Bewerkte lezing uitgesproken op 16 april 2004 in het Goethe Institut Amsterdam ter gelegenheid van de
200ste sterfdag van Immanuel Kant en de presentatie van de eerste Nederlandse vertaling van de Kritik der
reinen Vernunft. -> jo!

stolpiaans legaat, daar heeft kant geprobeerd aan prijsvragen mee te doen (Onnasch 136)

onnasch betoogt dat het erop lijkt “dat de Nederlandse universitaire structuren aan het eind van de 18de eeuw niet meer passen bij de nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen die in deze tijd hun intrede doen” (137)