P. J. Buijnsters, Spectatoriale geschriften (Utrecht 1991), is al sinds de jaren ’60 overtuigd dat in deze “door velen als duf beschouwde tijdschriftjes het grote debat van de Verlichting – natuurlijk naar Nederlandse maat – gevoerd werd.”, een gevoel dat versterkt werd n.a.v. Wolfgang Martens over de Duitse spectators (1968) [7]

1. Geboorte van een nieuw Genre:

Columnisten zijn de spectatoren van nu. Lange traditie, die in Engeland in 1709 begon met The Tatler van Addison en Steele. Gelijk daarna The Spectator, die nagenoeg precies samenviel met Van Effens Le Misantrope (maart/mei 1711)

“Het woord spectator kreeg zo van de aanvag af een dubbele betekenis: het verwijst naar een bepaald type tijschrift, als hier besproken; maar het duidt ook – en zelfs op de eerste plaats – de fictieve figuur aan die zich in deze geschriften tot het publiek richt en die niet identiek is met de auteur. Om deze spectator-figuur gestalte te geven moest de feitelijke schrijver als het ware verdwijnen.” [11]

Om de revolutionaire aanpak van de spectatoren te waarderen, zegt Buijnsters , moeten we kijken naar wat er meer voor tijdschriften verschenen. Voor (het begin van) de achttiende eeuw is er nauwelijks een strenge scheiding in te maken naar typen – hoogtij van het literaire kosmopolitisme, maar voor de periode voor 1709 kan dat ruwweg wel (gelukkig maar). Namelijk die van
1. nouvelles, die vaak iets met Mercurius in de naam hadden. Niet altijd even betrouwbare broodschrijvers.
2. geleerdentijdschriften waarvan Pierre Bayle een van de hoogtepunten afleverde. Pieter Rabus’ Boekzaal was weliswaar in het Nederlands, maar was desondanks geen allemanskost.
3. satirische weekbladen, die het meeste gemeen hadden met de spectatoren – zoals het opbouwen van een vertrouwensband met de lezers, maar die het morele element – in het Duits heten ze “Moralische Wochenschriften!” ontbeerden. Vaak wel weer goeie schrijvers, zoals Jacob Campo Weyerman (concurrent van Van Effen).

2. Ontwikkelingsgang

Deze sterke profilering wordt in de loop van de achttiende eeuw steeds vager omdat het succes van de spectatoren wordt gezien en ze worden al gauw geemuleerd door sommige “stichtelijke of populair-wetenschappelijke auteurs”. Andersom krijgen ook spectatoren bellettristische neigingen (mooischrijverij/literair) [14]
Buijnsters noemt het een “internationaal, bijna epidemisch verschijnsel” dat geen land overslaat.
Suggereert dat er een kwantitatieve staalkaart van Europa gemaakt zou kunnen worden. Ws. enkele honderden, waarvan de meeste in Engeland (200) Duitsland (110+) en Nederland (70). Vreemd genoeg in Frankrijk niet de allure/uitstraling die je zou verwachten. [15]
De oudste Duitse spectator was een hertaling van de Tatler/Spectator. De spectatorschrijvers zaten vaak op dezelfde plaats in het wijsgerig-theologische spectrum en namen daarom graag dingen van hun engelse en duitse collega’s over.

Iedereen surft wel een beetje mee op het succes van de ander (ookal is de ander soms gewoon dezelfde, maar dan met een ander naampie)

Tussen 1710 en 1720 domineren de Franstalige spectators in de Republiek, maar ze verdwijnen vrijwel in 1730. Dan beginnen de Nederlandse (Hollandsche spectator 1731) en in 1770 explodeert de boel, met name dankzij de enorme toename in politiek getinte spectatoren. Met die politisering begint ook gelijk de rek en de fut uit het genre te raken – in elk geval in het Noorden, om pas in de tweede helft van de negentiende eeuw pas weder op te bloeien. Buijnsters houdt dan ook ook in 1800.

3. ontvangst en waardering:

1760 verzadiging, in Duitsland althans, quotete Buijnsters, maar niet in Holland… (dat hebben we eerder gehoord, maar waar? wellicht bij Mijnhardt over de gezelschappen, de gezelschapsverzadiging)

de Tatler en Spectator gingen als zonnetjes, dat moest ook Justus van Effen concluderen. Het lag volgens hem echter niet aan de kwaliteit van de bladne, maar die van de lezers. [18]
Buijnsters merkt op dat er meer kritiek is dan lof op het genre, vanuit kerkelijk-orthodoxe hoek vooral, maar ’t verschilde per nummer. Vind het gek vanwege de massaliteit van het genre, maar eigenlijk is de kritiek natuurlijk waarschijnlijk ontstaan vanuit het idee ‘wat zijn eht er veel’.

Moeilijk uitspraken te doen over de oplages/rendabelheid. Moet uit opmerkingen van de spectatorschrijvers dus worden opgemaakt.

Abonnementen waren er nog niet, wel intekening, waarvan vooral de leesgenootschappen (v/a 1770) gebruikmaakten.

Leave a Reply