R.C. Bakhuizen van den Brink, Studiën en schetsen over vaderlandsche geschiedenis en letteren. Deel 2
115-116

(let op de geloofquote van Hume

“Maar van alle bestrijders des Christendoms won HUME het verreweg in scherpzinnigheid. Na beweerd te hebben dat de rede ons van de waarheid dier leer geénszins kon overtuigen, vervolgt hij: ʻwij trachten hiermede die gevaarlijke vrienden of verborgen vijanden des Christendoms te beschamen, welke ondernomen hebben het te verdedigen uit de beginselen der menschelijke rede. Onze allerheiligste Godsdienst is op geloof, niet op de rede gebouwd; wanneer men haar op eene proef stelt die zij niet kan doorstaan, ondermijnt men haar. – De rede alleen kan ons van hare waarachtigheid niet overtuigen; hij die door het geloof gedrongen wordt haar zijne toestemming te geven, heeft in zich zelven het bewustzijn van een voortdurend wonder, dat de grondbeginselen van zijn verstand omverre werpt, en hem dwingt; aan te nemen, hetgeen geheel en al met de gewoone ondervinding strijdt.ʼ(3)
Naast deze plaats van HUME, stellen wij eene andere. ʻHet geloof is het vermogen datgene te gelooven, ’t welk niet gelooflijk is; of te willen gelooven hetgeen niet
gelooflijk schijnt; of te gelooven, wat gelooflijk schijnt te zijn. In de beide eerste gevallen is eene bijzondere werkzaamheid van het Opperwezen volstrekt noodzakelijk; in het laatste is ieder mensch evenzeer lijdelijk, want het hangt niet van hem af, dat iets hem geloofwaardig schijne. Bijgevolg is ook daartoe eene bijzondere werkzaamheid van God noodig op de ziel van den mensen; en bijgevolg is het zeer waar, dat het geloof slechts eene bijzondere gave Gods zijn kan.ʼ(1) Het verschil der denkbeelden, in beide plaatsen uitgedrukt, is gering; en toch werd HUME om de eerste te regt als vrijgeest beschouwd; – en niettegenstaande de laatste is HEMSTERHUIS door den Heer TYDEMAN als christen geroemd! ʻHet is nog moeijelijker,ʼ zegt HEMSTERHUIS, ʻom de bron eener godsdienst, dan die eener wijsgeerige secte op te sporen: tegenwoordig is het bijna onmogelijk zich de Christelijke Godsdienst in hare zuiverheid voor te stellen, en zich een juist begrip te vormen van de gebeurtenissen die hare geboorte vergezelden.ʼ(2) Hadden TINDAL, COLLINS, MORGAN,anders kunnen spreken?”

Verwijst kort daarvoor ook naar (2) LELAND, A View of the principal Deistical Writers; London, 1764. Vol. I page 133.
(3) HUME’S Essays and Treatises, on several Subjects. Edinburgh: Bell & Bradfull 1800: Of
Miracles Vol. II p. 137, 138.

Leave a Reply