Begint artikel met verwerping van de postmoderne kritiek op verlichtingshistoriografie, dat eigenlijk geen nieuwe inzichten kan bieden, omdat ze niet de bronnen induikt, maar slechts schreeuwt dat het niet politiek correct is – en daarbij terloops vergeet dat er bijvoorbeeld wel degelijk studies zijn gedaan naar vrouwelijke Verlichters.

Maar er mag wel op een dieper theoretisch niveau worden gekeken, vooral naar de vroege Verlichting. Margaret Jacob zag een radicale fase van de Europese Verlichting die veel eerder kwam dan de High Enlightnement van de parijse salons, en dat de Engelse vrijdenkers als Toland en Collins, en in de Republiek uitgevers als Prosper Marchand en vrijmetselaren als Rousset de Missy.

Spinozisme is, zo blijkt uit de literatuur van de 15 jaar ervoor (75-93?), nog belangrijker en centraler dan we allemaal zouden hebben gedacht [11]
noemt Baggerman als studie naar een individu die worstelt met heterodoxie

Verwijst naar Buisman, maar vraagt zich af hoe hij de radicale verlichting verklaart en naar Mijnhardt/Kloek en hun socialere geschiedenis-benadering. Ook de decentrale benadering (door bijv. Middelburg te nemen) geeft veel interessante inzichten.

Johannes over de rol van tijdschriften tijdens de Verlichting in BMGN, 1996.

Lange tijd was de gangbare gedachte dat de Verlichting aan Nederland voorbij was gegaan, een gedachte die al stamde uit de late Verlichting zelf, waar menig commentator treurde over de deplorabele geopolitieke, wetenschappelijke en culturele prestaties van de Republiek.

Sinds enkele decennia (twee of drie lijkt me, wie is er ook alweer mee begonnen?) is het ‘vervals’perspectief, zoals Johannes het noemt, verlaten. In plaats daarvan wordt getracht om de aard van de Nederlandse Verlichting te duiden.

Simon Schama en Wijnand Mijnhardt geven de Verlichting in Nederland een gematigd, weinig verheffend karakter. Maar Mijnhardt geeft hieraan nog een draai dat we op het algemene vlak – dus niet wetenschappelijk of politiek-radicaal, maar meer in de breedte, de basis – prima meekwamen en betrokken waren met ontwikkelingen in het buitenland. Met name de verlichte publieke opinie wijzen op een eigen Verlichte cultuur, met een – aldus Schama en Mijnhardt – gematigd-encyclopedische karakter.

De kritiek op deze opvatting, afkomstig van o.a. Niek van Sas, M. C. Jacob en Hanou, met verwijzingen naar de heftige politieke debatten in de Patriottentijd en de radicale denkbeelden uit de buurt van de vrijmetselaars en de Kantiaanse kring rond Kinker, lijkt voort te komen uit ‘een zekere emotionaliteit’ [151]. Er wordt omgegaan met het gematigde karakter alsof het iets vies is. Iets waarvoor je je als landje moet schamen, aldus Johannes.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6