Johannes over de rol van tijdschriften tijdens de Verlichting in BMGN, 1996.

Lange tijd was de gangbare gedachte dat de Verlichting aan Nederland voorbij was gegaan, een gedachte die al stamde uit de late Verlichting zelf, waar menig commentator treurde over de deplorabele geopolitieke, wetenschappelijke en culturele prestaties van de Republiek.

Sinds enkele decennia (twee of drie lijkt me, wie is er ook alweer mee begonnen?) is het ‘vervals’perspectief, zoals Johannes het noemt, verlaten. In plaats daarvan wordt getracht om de aard van de Nederlandse Verlichting te duiden.

Simon Schama en Wijnand Mijnhardt geven de Verlichting in Nederland een gematigd, weinig verheffend karakter. Maar Mijnhardt geeft hieraan nog een draai dat we op het algemene vlak – dus niet wetenschappelijk of politiek-radicaal, maar meer in de breedte, de basis – prima meekwamen en betrokken waren met ontwikkelingen in het buitenland. Met name de verlichte publieke opinie wijzen op een eigen Verlichte cultuur, met een – aldus Schama en Mijnhardt – gematigd-encyclopedische karakter.

De kritiek op deze opvatting, afkomstig van o.a. Niek van Sas, M. C. Jacob en Hanou, met verwijzingen naar de heftige politieke debatten in de Patriottentijd en de radicale denkbeelden uit de buurt van de vrijmetselaars en de Kantiaanse kring rond Kinker, lijkt voort te komen uit ‘een zekere emotionaliteit’ [151]. Er wordt omgegaan met het gematigde karakter alsof het iets vies is. Iets waarvoor je je als landje moet schamen, aldus Johannes.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6

Leave a Reply