« Vorige pagina — Volgende pagina »

[uit de serie Verhandelingen van Teylers, 1796]

JAN BROUWER (dit keer de GOUDEN EERPENNING)

VERHANDELING OVER DE VRAAG: KAN MEN MET GROND BEWEEREN, DAT DE MENSCHEN IMMER, ALLEEN DOOR MIDDEL HUNNER EIGENE REDE OF REDEKAVELINGEN, ZONDER BEHULP VAN EENIG RECHTSTREEKS, OF MEER ONMIDDELYK GODLYK ONDERWYS TOT DE RECHTE DENKBEELDEN VAN GOD EN GODLYKE ZAAKEN ZOUDENHEBBEN KUNNEN KOMEN

DOOR DEN EERWAARDEN HEER JAN BROUWER, LEERAAR DER DOOPSGEZINDE GEMEENTE, TE LEEUWAARDEN.
ONDER DE SPREUK: Sunt certi denique fines: Quos ultra citroque nequit MENS cernere VERUM.

HOOFDDEEL I. Onderzoek of eenig Mensch, by het enkel licht zyner Ree, rechte denkbeelden van God en godlyke zaaken, zoude mogen opvatten.

[par] 1;

Het geen de scharderste Wysgeeren van den al ouden tyd, en onder de meest beschaafde volkeren der wereld, geenzins, of ter naauwer noode (zoo men zulks liever wil,) bereikt hebben, dat ze zeker zoude het dwaasheid zyn van eenen onopgeleiden gantschelyk onbedreeven Mensch, hoedaanig hy zich in den staat der natuure voordoet te verwachten. Men zondere den sterveling af van alle zaamenleeving, men onderstelle, dat hy buiten alle Maatschappelyke betrekking, en in het diepste der woestenyen, op welke wyze ook, groot geworden zy; deeze, of schoon men aan Hem het verstand van eenen NEWTON toeschryve, zal zyn beleid moeten te koste leggen tot vervulling van den geduurigen eisch zyner behoeften, of tot najaaging van zyne ruwe en zinnelyke vermaaken: en, wat zoude aan hem, die als een onmondig kind zijn drift en lusten opvolgt, aanleidinge geeven konnen tot de beoeffening en inspanning zyner redelyke vermogens, of wel tot de vraage naar de onzichtbaare oorzaak van zyn bestaan, en der dingen buiten Hem aanwezig? (c) [noot op 14n dus: “(c) ROBERTSON Hist. de l’Ameriqe liv. IV. [par]. 7 &c. Note 85. Verg. met Iselin Gesch. der Menschheid, D. I., B.II., inzonderheid. H. 8. 9. en 12. Hume The Nat. Hist. of Religion [par]. 6 – Vol. II. of the ESSAYS p. 459. en Montesquieu de l’sprit des Loix Liv. 1 Ch. 2.] Geen wonder ook is deeze volkomen onkunde, nadien volgens getuigenis der nieuwste wereldreizigers zelfs geheele volkeren in afgeleegen oorden des Aardkloots leeven, by wien geene denkbeelden altoos van eenige Godheid waaren op te spooren (d). [noot 2 op 14n dus: “(d) ROBERTSON als vooren, COOK en BOUGAINVILLE in hunne wereldreizen. – Volgens getuigenis van wylen den beroemden MANGER in de reeds aangehaalde STOLP: Verh. p. 124. Locke on Human Understanding B. I. Ch. 4. [par]. 8 zynde dit het Ch. 3 in de Fransche Vertaling en SPARRMAN a Voyage to the Cape of GOOD HOPE Vol. I.. p. 207. Verg. met HUME The Nat. Hist. of Religion, Introd. Vol. II. of the ESSAYS p. 433.

[par] 3;

De zodaanigen, die openlyk de hemelsche zendinge van Christus tegenspreeken en verwerpen, beweeren stoutelyk, dat de Reden alleen genoegzaam zy om den sterveling gezonde begrippen omtrent God en Godlyke zaaken in te boezemen, ja dat de meere verlichtinge, welke zich, na de verkondiging des Euangeliums, ten deezen aanzien onder de Christen Volkeren verspreid heeft, aan geen bovennatuurlyk onderwys is toe te kennen (f) [noot op 19n: “(f) TiNDAL Christianity as old as the Creation pag. 4. BONLINGBROKE volgens LELAND ter aangehaalde plaatze. ROUSSEAU EMILE Tom. III., Oeuvres Tom. VIII. p.110. (Amst. in 8vo.) HUME nochthands verschilt van de rest der Ongeloovigen, en stelt dat het der Reden meoyelyk zy, zich van de grond-waarheden van den godsdienst te overtuigen, het hierom daar voor houdende, dat het Deismus uit het Poletheismus gebooren wierd; welke stelling hy uit de geschiedenis inzonderheid te bewyzen zocht. The Natural History of Religion, Vol II. of his essays, and Treatises, Sect. VI.

[par] 13;

“Overtuigd van het onvermogen der menschelyke reden, om eene grondige kennis uit eigen bespiegeling, of onderzoek te verkrygen van de voornaamsgte Godsdienstige waarheden, ( Hoofd: I doorgaans ) bezeffende daarboven, dat wanneer ik al in dit gevoelen dwaalen mogt, die vereischte zekerheid niet, dan na verloop van eeuwen, en by eene gevorderde beschaafdheid, te erlangen zy; (t) [Nootje opnieuw naar een eerdere noot waarin naar de NHR wordt verwezen.] helde ik steeds over tot de onderstelling dat de weldaadige Oorzaak des Geheelals, reeds by de schepping van den mensch, en in de kindsheid der wereld, zich zelven, op hoedaanige wyze ook, geopenbaard heeft aan de eerste redenmagtige bewoonders der Aarde.”

En een noot bij een stukje de onmogelijkheid om goddelijke openbaringen aan het adres van zeer oude volken met historisch onderzoek tot absolute zekerheden te verheffen – hoezeer “de onsterfelyke de Groot, door zyne vergelyking van sommige Mosaïsche verhaalen met de denkbeelden daar van by de oudste Heidensche natien voorhanden, daar aan die zekerheid gaf” ook – , waarmee tegelijkertijd zou zijn bevestigd dat god dacht dat de mensen zelf niet met behulp van hun eigen Rede tot échte grondige kennis, de waarheid te komen. Maar Brouwer kiest voor de waarschijnlijkste opvatting, namelijk dat pas later in die bijgelovige wereld enige eerbied voor het hogere te vinden was.

“Ook hellen wy te meer over om deeze uit de gezegde bronne voornaamelyk af te leiden, nadien alzoo de Reden ten klaarsten blykt, waarom eerst laatere Reiziger ([par] 1 _ getuigenis gaven van geheele natien, by welke zy geene spooren vonden van eenige kennis of eerbied voor hoogere wezens; deeze geheele gedachte namelyk, was by die Wilden, zints lange in de uiterste woestheid, en in eenen staat, van het overig Deel des Aardbodems afgescheiden, geleefd hebbende, ten eenemaal verlooren; terwyl integendeel dit verschynsel naauwelyks te verklaaren is, zoo lange men beweert dat de Zwervende Geslachten der Oudheid, niet door overlevering, maar gezond verstand, hunne oppervlakkige, en bedorven kennis aangaande Godlyke Zaaken verkreegen, welke nochthans by laatere horden in levenswys en denkvermogen {blz 63] aan de eerste nagenoeg gelyk staande gantschelyk onbekend bleeven (w) [noot dus op 63n. “(w) By uitstek moeijelyk is het deeze zwaarigheid naar de stellingen van Hume in de aangehaalde verhandeling op te lossen; waarom wy ons te liever omtrent die tegenbedenkinge enigszins ter wederlegging van zyne gevoelns uit lieten.”

(mmmmh nog niet helemaal begrepen, deze)

IETS OVER DE KANTISCHE WYSBEGEERTE, DOOR W. SERVAAS M. D. AAN DEN SCHRYVERS VAN DEN N. A. KONST- EN LETTER-BODE (9 en 16 juni 1797)

“Te recht merkt de Journalist aan, dat de aanvallen van Hume op de Overnatuurkunde, Kant hebben aangezet om de tot hier toe algemeen aangenomen denkwyze en deze wetenschap streng ter toets te brengen. Men denk niet, dat deze aanvallen in spitsvindigheden van gering bestonden, waar voor veelen alle Overnatuurkundige vraagstukken houden. De schrandere en diepdenkende Engelsche Wysgeer Hume bedoelde niets minder, dan allen grond voor het begrip van eene oorzaak der waereld, van eenen Schepper, van eenen God, met al wat uit die begrippen volgd, weg te cyfferen. Hy beweerde, dat de grondregel, ‘er kan niets bestaan zonder oorzaak, valsch was; dat alle overreding, die wy daar van hebben, alleen uit de ondervinding voortspruit; daar nu de ondervinding ons alleenlyk leerd, hoe de dingen daadelyk voorkomen, maar niet, dat zy noodzaakelyk zoo en niet anders voorkomen moeten of kunnen, kan zy ons nimmer algemeene noodzakelykheid leeren. Wy kunnen derhalven wel met grond zggen, zoo en zoo geschiedt dit, zoo ondervinden wy bestendig; maar wy kunnen daar uit, nimmer vaststellen, dathet noodzaakelyk altyd zoo zyn moet. Nu hebben wy wel altoos waargenomen, dat elke toestand der dingen, elke verandering in de geheele natuur en in elk byzonder ding derzelve, voorgegaan is door eenen anderen toestand, die de reden of het wezen van die daar op gevolgde verandering in zich scheen te behelzen, en wy ondervinden gestadig, dat wy verandering in de dingen kunnen te weet brengen, door haaren tegenwoordigen toestand te veranderen. Dit noemen wy oorzaaken en gevolgen : maar deze reeks van opvolgende en malkander bepaalende veraneringen en gevolgen, die wy oorzaaken en gewrochten noemen, bepaalt zich alleen binnen den kring, binnen der omvang, der geheele natuur of het Geheelá¤l, voor zover wy dit kunnen waarneemen; maar deze gantsche natuur, dit Geheel-al, kunnen wy nimmer overzien en is dus in zyn geheel niet waarneemen: wy kunnen derhalven daar uit niet besluiten, dat die Geheelá¤l ook eene oorzaak hebben moet. Wy bevinden, dat het bestaat, en de stof van voorwerpen van alle onze ondervindingen en waarneeming behelst, maar het is dwaasheid naar desselvs oorzaak te vraagen en vermetel, herssenschimmig en ongerymd, eene oorzaak daar van te stellen. Vraagt men nu, van waar hebben wy dan toch die sterke overreding, die ( ten minsten schynbaare) zekerheid, dat al wat is, eene oorzaak hebben moet? Hume en zyne instemmers zullen u vertrouwelyk antwoorden, alleen van uwe bestendige gewoonte van waarnemen en ondervinden; daar door is dit besluit, by u, hebbelyk geworden; om dat gy dit zo gestadig ondervindt, meent gy, dat dit niet anders zyn kan; daar gy intusschen [blz180] geen meer recht tot dit besluit hebt, dan een bewoonder der verzengde luchtstreek, die nooit ys gezien heeft, om te besluiten dat het water geen hard en vast lichaam kan worden.”

[ alk 9 juni 1797, blz179]

en dan, op blz187 (16 juni 1797)

“Wanneer wy deze zuivere verstands-begrippen op haar zelven beschouwen, zyn zy, gelyk Kant zich uitdrukt, ledige tituls, of opschriften, zonder inhoud. Hier uit volgt (en het onderzoek van alles, wat wy eigentlyk kennen, bewyst dit ook van agteren) dat wy met alle deze gereedschappen van kennen nimmer buiten de grenzen, of buiten het veld der mogelyke ondervinding komen kunnen; en, in zoo verre, heeft dus Hume gelyk. Daar echter deze onze zuivere verstands-begrippen zelve buiten het veld der eigentlyk gezegde ondervinding leggen; daar wy dezelve, afzonderlyk, dat is, in het afgetrokkene, voor onze aandagt stellen, vergelyken, beoordelen en beredeneeren kunnen; en daar wy ons niet wederhouden kunnen, ja, eer wy het merken, straks by alle nadenken, en bespiegelingen, ons buiten het veld der ondervinding en over haare grenspaalen heen begeven en straks het algemeene, eerste, onvoorwaardelyke, van alles wat wy kennen en als mogelyk kenbaar bezeffen, trachten optespooren, en uit dat alles eene eenheid, een systematisch geheel, pogen te maaken (*), ontdekken wy (volgens Kant) in ons, een hooger vermogen, het welk hy eigentlyk de reden, of het vernuft, noemt.”

In de inleiding van Petsch schrijft hij dat hij, naast een levensbeschrijving en een historie van de Théodicee, ook een lofrede van Fontenelle heeft gezet.

PROEVEN ENER THEODICá‰E, OF GODS-VERDEDIGING, OVER DE GOEDHEID VAN GOD, ‘S MENSCHEN VRYHEID, EN DEN OORSPRONK VAN HET KWAAD

TWEDE DEEL

[Waarin ‘den heer Bayle in ’t bijzonder’ wordt weersproken – blz 1 – Bayle die in de hoofdtekst dan ook regelmatig wordt aangehaald]

Paragraaf 153 “Van denzelfden aart is de verklaring van de oorzaak des kwaads door een het kwaad voortbrengend [95] of scheppend grondbeginsel, per principium maleficum (171) Het kwaad heeft zo min een ( eigen, oorspronklyk) beginsel nodig, als de koude en de duisternis: er is geen oorspronkelyk beginsel van de koude (Primum frigidum) noch van de duisternis. Het kwaad zelve komt alleen uit de beroving (privatio) voort. Alles wat daarin stellig (Positivum is, heeft ‘er slegts verzellender wyze (Concomitanter) plaats, gelyk het werkzaame (… activum) in de koude.

[voetnoot](171) En van denzelfden aart is, naar ’t my toeschynt, de verklaring van den grondslag der zeedlykheid door een zeedlyk gevoel, ’t welk by zommigen als een zeedlykheidmaken vermogen (facultas moralifica) voorgedragen wordt. De Heer Hume b. v. spreekt van het zeedlyke gevoel of smaak, (moral sense or taste in tegenstelling van de reden, als van een scheppend of voortbrengend vermogen; a productive Faculty. Zie de Append. concern. moral sentiment p.211.) Wie hier over meer begeert kan te regt komen in de door my uitgegevene briefwisseling van PHILAGATHOS en PHILALETHES, over de Leer van het zeedlyke gevoel. bladz. 115 en volg. vergeleken met bladz. 41.

Fieser over het origineel

Lemniscaat nam Hume op in de eerste bundel die ze maakte over de kopstukken van de filosofie: het betreft een vertaling van A.J Ayer’s lezingen, uit de editie van 1980/1985 (2000 zag ook nog een very short introduction) van de Past Masters serie.

Kopstukken filosofie set 1

bevat: Plato ; Montaigne ; Hume ; Marx ; Wittgenstein

Nederlands – Paperback | 1999

KOPSTUKKEN FILOSOFIE

Een reeks toegankelijke inleidingen in het leven en denken van sleutelfiguren uit de geschiedenis van de westerse filosofie, die onze cultuur blijvend hebben beïnvloed.

Hume, Marx, Montaigne, Plato en Wittgenstein Meer

Boeken: toon alle 37 Boeken

via bol.com | Zoekresultaten: kopstukken filosofie| Alle categorieen.

« Vorige pagina — Volgende pagina »