29 apr, 2010
Hume in de Théodicée, vermeerderd door Petsch
Geplaatst door Willem in de categorie: BronnenReacties (0) Tags: Hume, Leibnitz, moral sense, Petsch
In de inleiding van Petsch schrijft hij dat hij, naast een levensbeschrijving en een historie van de Théodicee, ook een lofrede van Fontenelle heeft gezet.
PROEVEN ENER THEODICá‰E, OF GODS-VERDEDIGING, OVER DE GOEDHEID VAN GOD, ‘S MENSCHEN VRYHEID, EN DEN OORSPRONK VAN HET KWAAD
TWEDE DEEL
[Waarin ‘den heer Bayle in ’t bijzonder’ wordt weersproken – blz 1 – Bayle die in de hoofdtekst dan ook regelmatig wordt aangehaald]
Paragraaf 153 “Van denzelfden aart is de verklaring van de oorzaak des kwaads door een het kwaad voortbrengend [95] of scheppend grondbeginsel, per principium maleficum (171) Het kwaad heeft zo min een ( eigen, oorspronklyk) beginsel nodig, als de koude en de duisternis: er is geen oorspronkelyk beginsel van de koude (Primum frigidum) noch van de duisternis. Het kwaad zelve komt alleen uit de beroving (privatio) voort. Alles wat daarin stellig (Positivum is, heeft ‘er slegts verzellender wyze (Concomitanter) plaats, gelyk het werkzaame (… activum) in de koude.
[voetnoot](171) En van denzelfden aart is, naar ’t my toeschynt, de verklaring van den grondslag der zeedlykheid door een zeedlyk gevoel, ’t welk by zommigen als een zeedlykheidmaken vermogen (facultas moralifica) voorgedragen wordt. De Heer Hume b. v. spreekt van het zeedlyke gevoel of smaak, (moral sense or taste in tegenstelling van de reden, als van een scheppend of voortbrengend vermogen; a productive Faculty. Zie de Append. concern. moral sentiment p.211.) Wie hier over meer begeert kan te regt komen in de door my uitgegevene briefwisseling van PHILAGATHOS en PHILALETHES, over de Leer van het zeedlyke gevoel. bladz. 115 en volg. vergeleken met bladz. 41.