In de inleiding van Petsch schrijft hij dat hij, naast een levensbeschrijving en een historie van de Théodicee, ook een lofrede van Fontenelle heeft gezet.

PROEVEN ENER THEODICá‰E, OF GODS-VERDEDIGING, OVER DE GOEDHEID VAN GOD, ‘S MENSCHEN VRYHEID, EN DEN OORSPRONK VAN HET KWAAD

TWEDE DEEL

[Waarin ‘den heer Bayle in ’t bijzonder’ wordt weersproken – blz 1 – Bayle die in de hoofdtekst dan ook regelmatig wordt aangehaald]

Paragraaf 153 “Van denzelfden aart is de verklaring van de oorzaak des kwaads door een het kwaad voortbrengend [95] of scheppend grondbeginsel, per principium maleficum (171) Het kwaad heeft zo min een ( eigen, oorspronklyk) beginsel nodig, als de koude en de duisternis: er is geen oorspronkelyk beginsel van de koude (Primum frigidum) noch van de duisternis. Het kwaad zelve komt alleen uit de beroving (privatio) voort. Alles wat daarin stellig (Positivum is, heeft ‘er slegts verzellender wyze (Concomitanter) plaats, gelyk het werkzaame (… activum) in de koude.

[voetnoot](171) En van denzelfden aart is, naar ’t my toeschynt, de verklaring van den grondslag der zeedlykheid door een zeedlyk gevoel, ’t welk by zommigen als een zeedlykheidmaken vermogen (facultas moralifica) voorgedragen wordt. De Heer Hume b. v. spreekt van het zeedlyke gevoel of smaak, (moral sense or taste in tegenstelling van de reden, als van een scheppend of voortbrengend vermogen; a productive Faculty. Zie de Append. concern. moral sentiment p.211.) Wie hier over meer begeert kan te regt komen in de door my uitgegevene briefwisseling van PHILAGATHOS en PHILALETHES, over de Leer van het zeedlyke gevoel. bladz. 115 en volg. vergeleken met bladz. 41.

In De Opmerker, band 6, wordt weliswaar slechts in een noot verwezen naar de History, maar in de index wordt melding gemaakt van ‘HUME weerlegd’, op bladzijde 354. Gevonden: Is De Opmerker 45: een stuk over “AFGODERY en VEELGODENDOM” met als motto “Di, Deaeque omnes” van Vergilius.

Denk ook aan artikel in Geschiedenis van de Nederlandse wijsbegeerte, waarin de positie van Petsch als mogelijk schrijver van de opmerker wordt besproken.

Volgens PiCarta was De Opmerker de opvolger van De Onderzoeker.
“Zie J. Hartog, De spectat. geschr. 1741-1800 (2e dr. 1890), p.27 e.v; Buynsters (Spec. geschriften) 42; Hanou 393”

Enorme hoeveelheid drukkers!