« Vorige pagina — Volgende pagina »

Frans Blom doet onderzoek naar web-based onderzoek. Ondergebracht bij het Huygens-instituut doet het streven naar online annotatie denken aan het VLO-project waar het Women Writers-project van een dergelijk systeem gebruik maakte. De digitalisering, die geen onderdeel uitmaakt van het onderzoekstraject (logisch misschien), is al zo ingeburgerd dat er gelijk verder wordt gekeken naar mogelijkheden om hiervan gebruik te maken. Interessant!

Gevonden op de website van het Huygens Instituut:

Circulation of knowledge and learned practices in the 17th-century Dutch Republic. A web-based Humanities’ collaboratory on correspondences

“The scientific revolution of the 17th century was driven by countless discoveries in the observatory, at sea, in the workshop, in society at large and in the library. There was a dramatic increase in the amount of information, giving rise to new knowledge, theories and world images. The Dutch Republic played a key role in this ‘information society’ avant la lettre. Its global trade network, its prosperity and its relative tolerance made the Republic a refuge for intellectuals from around Europe. But how did the 17th-century scientific information system actually work? How were new elements of knowledge picked up, processed, disseminated and – ultimately – accepted in broad circles of the educated community? In short: how did knowledge circulate? The 17th-century Republic offers an ideal case for exploring the answers to this question, and correspondence between scholars is the ideal research subject. That is because until the publication of the first scientific journals in the 1660s, letters were by far the most direct and important means of communication between intellectuals. In order to answer the research question, it will be necessary to analyze a huge amount of such correspondence systematically. Traditional research methods are inadequate, and for that reason a consortium of universities, research institutes and cultural heritage institutions aims to build a multidisciplinary collaboratory to analyze a machine-readable and growing corpus starting with, but not limited to, the approximately 20,000 letters of scholars who lived in the 17th-century Dutch Republic. The grant of 495,000 euro being requested from the Netherlands Organization for Scientific Research (NWO) will not be used to fund the digitization of the letters – the consortium will bear the costs of that itself – but to build the web-based tools to analyze and visualize the 17th-century intellectual networks and their themes of interest, and to enrich this corpus with annotations. The collaboratory will not only contribute to our understanding of the circulation of knowledge in the 17th century, but also generate useful technologies for cross-disciplinary collaborations involving data-sharing and data-enrichment in the Humanities. As such, this web-based Humanities collaboratory on correspondences is a valuable prototype for possible future research collaborations focusing on large, heterogeneous datasets in the Humanities.”

Eerste samenvattende studie is van H. H. Zwager ” Nederland en de Verlichting” uit 1972. Hij vroeg zich af wat de Verlichting voor het ‘geestelijk klimaat’ (Wielema) in de Republiek tijdens de achttiende eeuw. Daarbij ging Zwager uit van de radicale Franse verlichting en hij moest teleurstellend concluderen dat er sprake was van een ‘beperkt effect zonder reden voor trots’.

Mijnhardt was niet de eerste die de Verlichting anders typeerde voor Nederland; Sassen had al gesproken van een reformatorische Verlichting.

Verder onderzoek naar de Verlichting in de rest van Europa suggereerde zelfs dat de Franse Verlichting de uitzondering was geweest. Onderzoek naar de Verlichting binnen verschillende socio-culturele contexten (nationale) was dus gewenst – Porter.

‘het uniforme radicale Verlichtingsmodel maakte … plaats voor het model van een spectrum van verlichte tendenties’ [16]

uit de onderzoeken zou naar voren komen dat de radicale Franse / Engelse philosophes niet slechts verworpen werden om hun onorthodoxie, maar ook om hun frivole manier van denken – die niet strookte met het Nederlands-verlichte streven naar ‘redelijkheid en deugdzaamheid’. Zelfs de kosmopolitische denkers, ‘zoals Van Effen, Luzac, De Pinto, Hemsterhuis en Kinker, vertegenwoordigden deze gematigd-verlichte houding.’

Mijnhardt signaleert het ontstaan van een ‘nationaal georiënteerde culturele communicatiegemeenschap’ als alternatief voor de hoofdzakelijk Franse Republiek der letteren. Het ging er in deze communiecatiegemeenschap vooral om het zoeken naar oplossingen voor de problemen van de Republiek.
‘Opbouw van het vaderland’ was, liet Cornelis Singeling zien in “Gezellige schrijvers” zelfs een hoofdthema.

Mijnhardt suggereerde bovendien dat de onderwerpen die in de NL Verlichting werden besproken volledig afweken van de rest van Europa – dit bestrijdt Wielema. in “The Dutch Enlightenment: humanism, nationalism, and Decline worden de revoluties besproken, de republiekeinse traditie, de Verlichting en de sociale achtergrond van de nederlandse cultuur.” Wielema noemt bovendien de definitie van radicalisme die Jacob hanteert ‘verwarrend’ [17n]
Buijnsters heeft biografieën geschreven over Van Alphen, Wolff-Deken en Van Effen. Van Effen koppelde het verval aan de verslechtering van nationale waarden door de invloed van Franse zedeloosheid aan te geven als één van de hoofdredenen voor het verval. Dit deed hij overigens al toen hij Franstalige spectators maakte. Maar met de Hollandsche Spectator luidde hij een periode in die door Mijnhardt als het Nederlandse alternatief werd gesignaleerd.
Ockerse (patriot) schreef een belangrijk traktaat over de Nederlandse Volksaard. “Ontwerp tot eene algemeene characterkunde”

Het zelfbeeld van de Nederlander in de achttiende eeuw” was een themanr van de Werkgroep Achttiende Eeuw, met thema’s als politiek (republikanisme), economie (weelde als deugd), het vaderlands recht, de houding tegenover minderheden, het gezin, het Nederlands als literaire taal, en de schilderkunst’ Frijhoff schreef hierin over Ockerse.

Effen was een common sense – promotor, die overigens wel sodomie als oorzaak van de paalwormepidemie zag. [18] Hij was dan ook heel wat onverlichter dan zijn voorganger Pierre Bayle, aangezien hij de redelijke godsdienst n essentiële rol in het Verlichtingsproces toedeelde. Anderzijds was hij ook niet gecharmeerd van religieus fanatisme, dat de vrijheid van denken beperkte.

Zowel Pieter Rabus als Van Effen mogen van Wielema gezien worden als belangrijke werk-verzetters in de popularisering van een gematigd-verlichte geesteshouding, en ‘de Nederlanders een model van Verlichting heeft voorgehouden dat lange tijd maatgevend is gebleven’.

Pas na 1750 zouden religieuze zienswijzen als het straf-op-de-zonde-idee expliciet ter discussie worden gesteld. Dat blijkt wel uit het feit dat Rienk Vermij in zijn studie naar Bernard Nieuwentijt de invloed van zijn fysico-theoloog beperkte tot de eerste helft van de achttiende eeuw. Nieuwentijt bepleitte immers de juistheid/goddelijkheid van de bijbel gebruikmakend van natuurwetenschappelijke argumenten. Ook ging hij in tegen de Spinozisten. De harmonie tussen wetenschap en literatuur werd door Nieuwentijt onderstreept, aldus Vermij.
Wielema wil benadrukken dat N. een problematisch geval was doordat hij moderne met uiterst traditionele opvattingen combineerde – enerzijds gezondverstand en proefondervindelijkheid, anderzijds dat apologetische element.

Ook in Velema’s studie over Luzac komt naar voren hoe hij de Fransen (d’alembert, rousseau) verwaarlozing van de wiskunde en wiskundig beoefende metafysica verweet, en zuiver experimentele paradigma (wat dat ook mogen zijn). Ook de patriotten werd imitatie van Franse retoriek verweten.
Volgens Wielema onderschat Velema de invloed van Leibniz (t.o.v Wolff) op Luzac, omdat Leibniz meer nadruk legt op harmonie en volmaaktheid. De pro-stadhouderlijke houding van Luzac zou dan beter te verklaren zijn adhv diens positie als ‘ziel’ van de samenleving. ook koopmannen met hun eigenbelang passen in dat harmonische model [20]

Ook De Pinto is een aanhanger van Leibniziaans harmonisch wereldbeeld. Nijenhuis laat zien hoe DePinto een deel uitmaakte van een politiek-economisch debat dat op internationaal vlak plaatsvond, met mensen als mirabeau, quesnay, adam smith en david hume. Weelde was voor hem een deugd, maar hij stond hierin alleen (dit zou te verifieren moeten zijn mbv dat artikel in De Achttiende Eeuw).

Bulhof heeft over Willem Emmery de Perponcher geschreven, maar dieis ‘typisch nederlands’ en erg braaf, nergens origineel.

Belle van Zuylen is beschreven door Dubois, en zij las vooral Frans (maar ook Schots) Verlichtingswerk, maar ze verhuisde in 1771 (na haar huwelijk? volgens Eskens trouwde ze in 1777 in Zwitserland) uit de Republiek. In 1766 ontmoette ze Hume in Londen “een hoogtepunt in haar leven” aldus Erno Eskens 348

Wielema wijst op openliggende kansen voor recep tieonderzoek van Verlichte ideeën bij het grote publiek, en op de grote aantallen bronnenteksten die nog op onderzoek wachten. Noemt ook het werk van Buisman, maar zet vraagtekens bij diens eigen relativering van de resultaten van zijn kwantitatieve onderzoek [23]
Noemt bovendien de prosopografische resultaten “nauwelijks verrassend”, aangezien ze weer wijzen op de aristocratie en hoge burgerij als bron voor verlichte reacties.
Kantianen waren de radicaalste verlichters maar dat moet weer met een korrel zout genomen worden, laat Wielema zien aan de hand van een voorbeeld van Kinker.

Hanou had de kantianen al bestempeld als radicaalst, en heeft nu brieven van kinker uitgegeven. Kinker zat achter het Magazijn voor de critische wijsbegeerte, maar over de motieven hierachter komen we door niet-beschikbare bronnen niets meer te weten. Erg trouw aan Kants methode. Veel inzichten over het literaire genootschappelijke en politieke gebeuren tijdens diens leven.
Zowel de ‘radicale’ stroming als de gematigde hielden zich bezig met volksverlichting, in tegenstelling tot in Frankrijk, waar er een flinke kloof gaapte tussen philosophe en volk [24]
Het meeste werk om zo’n kloof tegen te gaan werd gedaan door de mensen ahter het Nut (Martinus Nieuwenhuyzen), over wie is geschreven door Helsloot ism Dodde. John Locke werd er voor zijn pedagogische werk bijgehaald. Met name de alfabetisering werd door ’t Nut bbevorderd, en Buisman stelt de hypothese dat deze geletterdheid onder bredere lagen polarisatie tussen vromen en verlichten tegenging.
Verlichte lui onderling hadden meer discussie in NL en andere landen met een gematigde verlichting. De Verlichting werd ook gedragen door vromen én verlichten en niemand werd gedwongen te kiezen. Secularisering kwam pas in de tweede helft vna de negentiende eeuw, een EUUUUUUUUUUEW later dus. Waarover Noordenbos heeft geschreven (1931).

Gezocht op Hume:

Zoals te verwachten viel voornamelijk Engelstalige bronnen van Angelsaksische lezers. James Boswell komt een aantal keer terug, maar van hem wisten we al dat hij een Hume-adept was.

In De Opmerker, band 6, wordt weliswaar slechts in een noot verwezen naar de History, maar in de index wordt melding gemaakt van ‘HUME weerlegd’, op bladzijde 354. Gevonden: Is De Opmerker 45: een stuk over “AFGODERY en VEELGODENDOM” met als motto “Di, Deaeque omnes” van Vergilius.

Denk ook aan artikel in Geschiedenis van de Nederlandse wijsbegeerte, waarin de positie van Petsch als mogelijk schrijver van de opmerker wordt besproken.

Volgens PiCarta was De Opmerker de opvolger van De Onderzoeker.
“Zie J. Hartog, De spectat. geschr. 1741-1800 (2e dr. 1890), p.27 e.v; Buynsters (Spec. geschriften) 42; Hanou 393”

Enorme hoeveelheid drukkers!

1750 eerste leesbibliotheek in de Republiek door Scheurleer in Den Haag via José de Kruif [17] via Hannie van Goinga “Vercierde Historiën in Over beesten en boeken. Opstellen over de geschiedenis van de geneeskunde en de boekwetenschap (Rotterdam 1995) 286.

Bert van Selm wijdde in Inzichten en vergezichten een hoofdstuk aan bibliotheken.
Over boekcollecties zegt De Kruif dat de zestiende eeuw getypeerd kan worden door het dualisme van humanisme (Bijbel VS Klassieken), er in de zeventiende eeuw steeds meer plaats komt voor allerlei vakgebieden, waarna in de achttiende eeuw speciale collecties, met belangstelling voor één vakgebied opkomen. Maar er zijn maar zeer weinigen die daadwerkelijk een bibliotheekje hebben.
Lezen is dus ook vier eeuwen na de introductie van de boekdrukkunst nog altijd niet massaal.

Bibliografie van gedrukte catalogi betrekking hebbend op het bezit van de Universiteitsbibliotheek te Leiden en de daarin opgenomen bruiklenen. Leiden 1989. Verschenen in de reeks Kleine publikaties van de Leidse Universiteitsbibliotheek.

via hannie van goinga’s Alom te bekomen

Scheurleer 1751, BSC 3072-3073
Scheurleer en van Balen 1757 BSC 2057-2060
Scheurleer 1762 BSC 2052-2055

Bakhuyzen, publieke leesbibliotheek in s’hage 1777 (352 zegt ze dat de catalogus uit 1763 gewoon de scheurleer is):

Murray 1772 BSC (franse boeken)

******

Literatuur over bibliotheekgebruik: uit Blauwdrukken: (84,85)

“Behalve in de netwerkvorming en de informatieverbetering komt de modernisering van het
boekbedrijf nog in een derde ontwikkeling tot uiting en dat is de opkomst van de winkelbibliotheek. Al van oudsher moet het in de boekhandel gebruikelijk zijn geweest dat boeken niet alleen werden verkocht maar dat ze ook werden verhuurd: tegen een bescheiden bedrag kon de klant voor een beperkte tijd een boek uit de voorraad lenen. Ook kranten en tijdschriften werden vaak tegen betaling ter inzage gegeven. Rond 1750 kreeg deze vorm van lectuurvoorziening een institutionele variant: ter wille van de lenende klanten werd een deel van de voorraad apart opgesteld en beschreven in een gedrukte catalogus. Bovendien werd de mogelijkheid geschapen om in plaats van per geleend deel te betalen lid te worden voor een half of heel jaar. Daarmee had de commerciële leenbibliotheek haar intrede gedaan. Zij maakte een in principe onbeperkte lectuurconsumptie mogelijk tegen een beperkte prijs. Gegeven het succes van deze formule voorzag zij in een behoefte. Het is overigens moelijk om greep te krijgen op het verschijnsel van de leenbibliotheken. Hun bestaan is bijna uitsluitend gedocumenteerd in de vorm van krantenadvertenties en gedrukte catalogi. Maar het waren alleen de grote, aan vooraanstaande boekhandels verbonden bibliotheken waarvoor het maken van propaganda en het drukken van een catalogus lonend waren. Kleinere zaakjes zullen leenbibliotheekjes hebben gehad in de vorm waarin ze nog tot diep in de twintigste eeuw hebben bestaan: een of enkele aparte kasten met uniform gekafte, vaak wat smoezelige bandjes, en de catalogus in een schrijfte of in het hoofd van de verkoper. De eerste boekhandelaar van wie een bibliotheekcatalogus is overgeleverd, is de Hagenaar Hendrik
Scheurleer. Hij opende zijn zaak in 1750. Naar eigen zeggen was hij geïnspireerd door Engeland, waar de bibliotheektraditie inderdaad al eerder was begonnen, rond 1730. Op zijn beurt kreeg Scheurleer navolging van Nederlandse confraters en rond 1760 was in de meeste grote steden wel één grote boekhandel die ook een bibliotheek exploiteerde. Blijkens de catalogi boden zij doorgaans een breed assortiment van wetenschappelijke, informatieve en literaire werken in diverse talen. Een enkeling specialiseerde zich in Franse literatuur. In vrijwel alle catalogi tekent zich al vroeg een trend af om het zwaartepunt van de collectie te leggen bij genres die door de tijdgenoten als ʻwerken van smaakʼ
werden aangeduid: reisbeschrijvingen, biografieën en romans. In de loop van de tijd zou deze trend alleen maar sterker worden en in de negentiende eeuw zou met name de roman de kurk worden waarop de bibliotheken dreven. Ontwikkeling en ontspanning voor een cultureel geïnteresseerd publiek, met dat doel lijken de bibliotheken te zijn ingericht. Voorzover in catalogi of advertenties prijzen worden genoemd, blijken ze ook niet bedoeld te zijn geweest om brede, minder vermogende lagen van de bevolking aan te trekken. De lidmaatschapsprijzen lagen doorgaans in de buurt van de twaalf gulden per jaar en dat
moet meer dan genoeg geweest zijn om een exclusieve klantenkring te waarborgen. Wie zich een dergelijk bedrag niet kon permitteren was dus aangewezen op de collectie van een eenvoudiger boekhandeltje. Dat er inderdaad ook al vroeg bibliotheekjes voor de mindere man of vrouw zijn ingericht, weten we dankzij enkele toevalstreffers. Zo zou de Utrechter C.J. Nagtglas zich uit zijn vroege jeugd in de jaren tachtig herinneren:

“De man hield in de Predikheerenstraat een papierwinkeltje, en verhuurde boeken vooreen stuiver in de week, waarmede hij onder de hand nog al wat verdiende, daar er toen
nog geen openbare leesbilbiotheken bestonden, waarvan de oprichting door het
boekverkoopersgild tegengehouden werd.”3

Evenmin zijn we trouwens geïnformeerd over de aanzienlijker zaken die niet adverteerden en geen gedrukte catalogus publiceerden. Maar gemeten aan de overstelpende hoeveelheid materiaal die in Engeland en vooral Duitsland omtrent de commerciële bibliotheken is overgeleverd, moet de verbreiding ervan in Nederland rond 1800 nog tamelijk beperkt zijn geweest. Misschien had dat te maken met het feit dat een andere organisatievorm voor goedkope lectuurconsumptie hier juist een ongeëvenaarde vlucht nam: het leesgezelschap. Het leesgezelschap was echter niet een product van
de modernisering van de boekhandel, al kwam het wel voort uit dezelfde behoefte als de
leenbibliotheek. Het was een publieksinitiatief en zal dan ook hierna, in de paragraaf over het lezend publiek, nader worden belicht.”

« Vorige pagina — Volgende pagina »