« Vorige pagina — Volgende pagina »

Er zijn catalogi opgesteld door Broekema, Knuttel, Petit, Van Someren, Tiele en Van der Wulp.
G. van Alphen maakte een “Catalogus der pamfletten van de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Groningen” (1947)

L. D. Petit inventariseerde de bibliotheek van Joannes Thysius te Leiden en de bibliotheek der Rijksuniversiteit te leiden (4 delen, Leiden 1882-1934).

Tiele zit te vroeg (1500-1702).

R.C. Bakhuizen van den Brink, Studiën en schetsen over vaderlandsche geschiedenis en letteren. Deel 2
115-116

(let op de geloofquote van Hume

“Maar van alle bestrijders des Christendoms won HUME het verreweg in scherpzinnigheid. Na beweerd te hebben dat de rede ons van de waarheid dier leer geénszins kon overtuigen, vervolgt hij: ʻwij trachten hiermede die gevaarlijke vrienden of verborgen vijanden des Christendoms te beschamen, welke ondernomen hebben het te verdedigen uit de beginselen der menschelijke rede. Onze allerheiligste Godsdienst is op geloof, niet op de rede gebouwd; wanneer men haar op eene proef stelt die zij niet kan doorstaan, ondermijnt men haar. – De rede alleen kan ons van hare waarachtigheid niet overtuigen; hij die door het geloof gedrongen wordt haar zijne toestemming te geven, heeft in zich zelven het bewustzijn van een voortdurend wonder, dat de grondbeginselen van zijn verstand omverre werpt, en hem dwingt; aan te nemen, hetgeen geheel en al met de gewoone ondervinding strijdt.ʼ(3)
Naast deze plaats van HUME, stellen wij eene andere. ʻHet geloof is het vermogen datgene te gelooven, ’t welk niet gelooflijk is; of te willen gelooven hetgeen niet
gelooflijk schijnt; of te gelooven, wat gelooflijk schijnt te zijn. In de beide eerste gevallen is eene bijzondere werkzaamheid van het Opperwezen volstrekt noodzakelijk; in het laatste is ieder mensch evenzeer lijdelijk, want het hangt niet van hem af, dat iets hem geloofwaardig schijne. Bijgevolg is ook daartoe eene bijzondere werkzaamheid van God noodig op de ziel van den mensen; en bijgevolg is het zeer waar, dat het geloof slechts eene bijzondere gave Gods zijn kan.ʼ(1) Het verschil der denkbeelden, in beide plaatsen uitgedrukt, is gering; en toch werd HUME om de eerste te regt als vrijgeest beschouwd; – en niettegenstaande de laatste is HEMSTERHUIS door den Heer TYDEMAN als christen geroemd! ʻHet is nog moeijelijker,ʼ zegt HEMSTERHUIS, ʻom de bron eener godsdienst, dan die eener wijsgeerige secte op te sporen: tegenwoordig is het bijna onmogelijk zich de Christelijke Godsdienst in hare zuiverheid voor te stellen, en zich een juist begrip te vormen van de gebeurtenissen die hare geboorte vergezelden.ʼ(2) Hadden TINDAL, COLLINS, MORGAN,anders kunnen spreken?”

Verwijst kort daarvoor ook naar (2) LELAND, A View of the principal Deistical Writers; London, 1764. Vol. I page 133.
(3) HUME’S Essays and Treatises, on several Subjects. Edinburgh: Bell & Bradfull 1800: Of
Miracles Vol. II p. 137, 138.

http://www.dbnl.org/tekst/kloe003viel01_01/

Geen tekst is ooit geschreven om filologisch door filologen, of historisch door historici gelezen en geïnterpreteerd te worden – op basis van deze gedachte ontwikkelde Hans Robert Jauss in 1967 zijn befaamd geworden programma voor een receptiegeschiedenis. (86)

Hypothetische en reële receptie (87, 88)

onvermeld is niet ongelezen (kloek 100)

Is het niet veeleer zo dat de professionele verwachtingshorizon bij de kritiek tot op zekere hoogte een primitievere verwachtingshorizon bij het publiek veronder-
34Link 1976, p. 99. In principe ook Vodicka 1976, p. 64-65.[p. 101]stelt?

literatuursociologie (noot bij 101)

….gebleken is hoezeer uitspraken van tijdgenoten met betrekking tot de receptie van een werk een zorgvuldige analyse van de context vergen. Men zou hier kunnen spreken van een context in engere en in ruimere zin. In engere zin voorzover het om de waarde van de uitspraak binnen het kader van de tekst gaat (Mevrouw Wildschuts onbetrouwbaarheid als referente), in wijdere zin omdat de tekst waarin een uitspraak wordt gedaan weer onderdeel is van een auteur-lezerrelatie (Wolff en Deken als volkopvoedsters). Op dit punt doet de Drostecacaobusverpleegster haar intrede: om het ʻdialogisches Verhá¤ltnisʼ tussen een tekst en zijn lezers te onderzoeken zoekt men naar uitspraken in andere teksten, waarvan dan weer het ʻdialogisches Verhá¤ltnisʼ met háºn lezers onderzocht moet worden, enzovoorts.

(103)

“Deze voorwaarden brengen met zich mee dat de resultaten doorgaans weinig spectaculair, en in ieder geval nooit onaanvechtbaar zullen zijn. Echter aldus geconditioneerd is receptiegeschiedenis niet alleen mogelijk, maar vooral ook zinvol.”
(105)

Niets

Darnton- In search of the Enlightenment

Op bladzijde 17 staat over Gay’s Verlichting: “But his Enlightenment remains that of David Hume, who receives the most splendid chapter of all.”

Ook: als we Darnton mogen geloven was Hume een ‘full-blooded atheist’ in Gay’s werk.

« Vorige pagina — Volgende pagina »