« Vorige pagina — Volgende pagina »

In BMGN staat een artikel dat je vindt als je zoekt op Ferguson (overigens verwijst ze niet naar Adam, maar naar een andere, eigentijdse auteur)

Voortgang
De afgelopen weken heb ik me op een aantal dingen gericht, maar de meeste nadruk is – wat mijn scriptie betreft – komen te liggen op het werken aan de bronnentijdbalk. Inhoudelijk ben ik er niet zoveel mee opgeschoten, maar leerzaam was het zeker (al ligt het geleerde meer in het vlak van het programmeren dan ergens anders). Ik hoop dan ook dat het me lukt om op 8 april bij mijn presentatie deze tijdbalk als visueel hulpmiddel kan gebruiken.
Minstens twee middagen heb ik besteed aan het voltooien van mijn ‘oriëntatie’ op de spectatoriale geschriften: in De Denker is in elk geval nauwelijks geschreven over Hume. De enige interessante vondst was een stuk over een werk van Ferguson, een andere Schotse denker, die een hoofdrol speelt in het boek Translating the Enlightenment van Fania Salzberger-Oz. Het is misschien goed om, waar mogelijk, ook digitaal te zoeken naar enkele andere Schotse denkers (in de databases van VLO, en DBNL), om een gevoel te krijgen voor de verhoudingen: was Hume echt het belangrijkste exportproduct van de ‘Schotse Verlichting’, of was hij één van de velen?
Behalve het boek van Salzberger-Oz heb ik ook eindelijk de bundel van mijnheer Velema verder kunnen bestuderen, waardoor ik nu iets beter bekend ben met het soort onderzoek dat zich voornamelijk richt op het blootleggen en ontleden van ‘political languages’. In haar boek over de receptie van Schotse werken in Duitsland legt Salzberger-Oz de nadruk op de moeilijkheden die ontstaan bij het vertalen van specifieke termen van het ene ‘regionale’ discours naar het andere. Hiermee laat ze zien dat het voor genuanceerd receptieonderzoek nodig is om stil te staan bij de betekeniswisselingen die optreden bij het maken van vertalingen, en om te zien dat de onderlinge verschillen in (politiek) discours van invloed kunnen zijn op de receptie van werken uit een ander land.
Nu zal het voor mij onmogelijk zijn om uitspraken te doen over het discours in de Republiek, wanneer ik alleen van mijn eigen bronnen uitga, maar met behulp van secundaire literatuur kan ik hopelijk een beetje feeling krijgen voor de mate waarin de taal van Hume aansluit bij de taal van zijn Nederlandse publiek. En door de vertalingen van zijn werk naast de oorspronkelijke teksten te leggen – zowel die in tijdschriften als later van hele boeken – komen er misschien regelmatigheden aan het licht die ons iets kunnen vertellen over de ontvankelijkheid van het Neder-Duitsch voor de beleefde Engelse concepten van Hume.

Een schrijfplan
Daarmee kom ik aan bij het meest concrete plan dat ik tot nu toe heb gehad voor mijn scriptie: een hoofdstukindeling, onderbouwd met bronnen.
Uitgeven/Verkopen, Vertalen, Recenseren en Gebruiken. Dat zijn de vier terreinen, vier manieren waarop in Holland en elders in de Republiek om werd gegaan met de teksten van Hume, waarover ik zou willen schrijven. Ondertussen heb ik ook eindelijk het idee dat ik in de afgelopen jaren(!) voor elk van deze thema’s behoorlijk veel bruikbare bronnen en informatie heb gevonden – waarschijnlijk te veel om vier hoofdstukken te vullen. Het gaat natuurlijk ook om een mooie verhouding tussen deze thema’s, maar dat merk ik bij het schrijven vanzelf.
Omdat ik de eerste ben die de receptie van de ideeën van Hume in Nederlandstalige bronnen onderzoek, hoef ik geen hoofdstuk te wijden aan mijn positionering in het historiografische debat. Maar wanneer mijn onderzoeksresultaten niet binnen de huidige opvattingen en theorieën passen, zal ik dat natuurlijk duidelijk aangeven. Daarnaast kan ik, wat betreft mijn theoretische en methodologische kader, hopelijk volstaan met een overzicht van het reeds voltooide receptie-onderzoek naar Hume elders, en anderen in Holland – en een verklaring van de wijze waarop mijn onderzoek hiervan afwijkt.
Het liefst schrijf ik ook geen hoofdstuk waarin ik een historisch kader neerzet. Dat is niet alleen omdat ik in deze onderneming, gezien de complexiteit van mijn onderwerp, waarschijnlijk hopeloos zou verzuipen. Een andere reden is namelijk dat ik meer geloof in het gaandeweg blootleggen van de achterliggende ontwikkelingen – dan hoef je als lezer ook niet terug te bladeren naar iets dat al twee hoofdstukken eerder ergens staat geschreven.

De komende twee weken
Zal ik mijn voorstel uitwerken en mijn presentatie voorbereiden. Na 8 april zal ik in elk geval nog één grote verzameling bronnen aanboren, namelijk de Maandelyke Uittreksels, of Boekzaal der Geleerde Waerelt. Dit is, na de Vaderlandsche Letteroefeningen het langst lopende recensietijdschrift van de achttiende eeuw, en daarnaast is het ‘geleerde’ aspect van dit blad voor mij erg interessant. Om te beginnen zal ik waarschijnlijk eerst de publicatiejaren van de Nederlandse vertalingen van Humes werk doornemen. Daarna – afhankelijk van het succes bij deze eerste peiling – zal ik ook andere jaargangen doorzoeken. Het is mogelijk dat de nadruk van mijn onderzoek hierdoor op het thema Recenseren komt te liggen. Dit zou echter alleen maar mooi zijn, want dat zou betekenen dat er in de recensies niet slechts werd samengevat, maar ook inhoudelijk werd ingegaan op de ideeën van Hume.

VII

325: Marmontel

329 verschil verstand wijsheid wetenschap

337: menselijkheid en mensheid

343 Stuk uit Bancoft’s Natuurlijke Historie van Guiana, te vinden op google:
http://books.google.nl/books?id=-8gaAAAAYAAJ
en aan het eind wordt gezegd:
“Hier in [in het claimen dat het geluk zonder vrije kunsten van de Volkeren buiten Europa moest betekenen dat het voor de beschaafde wereld ook beter zou zijn om zonder k&w verder te gaan] hebben zy echter grof gedwaald; naardien deeze dingen, welken in den staat der Natuur nutteloos zyn, zeer heilzaam kunnen zyn, in eene beschaafde Samenleving; om dat Kunsten en Wetenschappen het zekerste tegengif zyn, tegen de kwalijke uitwerksels der Weelde en de zogenaamde Politesse” [240]

Stukje 346 en 347 is een vertaling van een verhandeling van Adam Ferguson:
Adam Ferguson, An Essay on the History of Civil Society, 5th ed. (London: T. Cadell, 1782). Chapter: SECTION I.: Of the question relating to the State of Nature.

Accessed from http://oll.libertyfund.org/title/1428/19704 on 2009-03-11

352: nog een stukje van Bancoft over de huiselijke vrede

354: ene Paoli die in de Republiek de vrijheid heeft gezocht?

364 en 365 over de vrijheid van de drukpers en de beste manier het ongeloof uit te rooien

Pagina's: 1 2 3 4 5 6

W.R.E. Velema: Republican readings of Montesquieu verscheen in 1997 in History of Political Thought, en kwam in 2007 in de bundel Republicans terecht.

– Van de originele versie verscheen een recensie in de Maandelyke Uittreksels, of Boekzaal der Geleerde Waerelt, 69 (1749) 568-588 and 70 (1750) [94]

Waanzinnig interessante bron, vanwege de enorm lange looptijd, vanwege het gespecialiseerde ‘geleerde’ karakter – goede tegenhanger van de VLO dus!

– Gobbers heeft geschreven over het boekenbezit, heeft daarbij niet alleen naar Rousseau gekeken.

–

– De vertaling van Esprit des Lois verscheen tussen 1771 en 1773. Wie het heeft vertaald, is niet bekend.

– “Although it was a declining habit, eighteenth-century writers still attached great importance to indiscriminately citing as many widely recognized authorities as pssible for any given opinion. In the Dutch Republic, as elsewhere, Montesquieu clearly belonged to the top of hieracherchy of Great Minds to be invoked.” [96]

– de adoratie van Montesquieu ging soms zo ver dat de mildste kritiek vooraf werd gegaan door een excuus.

– probleem zit behalve in deze ‘veneration’ en namedropping ook in de breedte van het werk.

– werd als encyclopedie gebruikt in Dld.

– Naast het gegeven dat de lezer altijd zijn eigen betekenis creëert van een boek, bood de EdL zoveel “ambivalence and interpretative openness” dat iedereen er wel iets van kon maken. [97]

Zo kon de Romeinse recht zowel worden bestreden of verdedigd met behulp van het boek.
Velema betoogt dat de ‘apparent anarchy of individual interpretation’ niet betekent dat receptiegeschiedenis niet mogelijk zou zijn. Er zijn wel degelijk patronen te ontdekken wanneer wordt gekeken naar ‘de preoccupaties van de politieke cultuur waarin de receptie plaatsvindt’ – Fransen keken naar z’n behandeling van de monarchie, de Nederlanders keken naar zijn interpretatie van republicanisme. [98]

Montesquieu kwam met een alternatief voor het klassieke rijtje van de drie mogelijke staatsvormen: democratie, monarchie, aristocratie.

Hume schrijft in ONC nog: “the English Government is a Mixture of Monarchy, Aristocracy and Democracy” een drieslag die hij in de Essays in ieder geval nog één keer maakt en in de HoE nog een keer. Niet heel vaak, maar misschien wilde Hume de lezers die ook bekend waren met deze klassieke drie voorbeelden plezieren

Met name Montesquieu’s behandeling van republicanisme was ambigu, mede doordat zijn eigen nieuwe drietaks-systeem soms werd ‘overschaduwd’ door het simpeler onderscheid tussen despotisme en gematigde regering.
– Toch werd het stelsel min of meer klakkeloos overgenomen door Cornelis van Engelen (Brieven over de Weelde, I, ix) [100n] en Ysbrand van Hamelsveld (De zedelyke Toestand, 61-66)

Over de Weelde, controleren op noemen van Hume heeft waarschijnlijk wel zin, omdat het uit 1791 komt. Bovendien kende Corneli(u)s van Engelen Hume in elk geval van zijn Historie van Engeland, getuige de verwijzing (op bladzijde 61) daarnaar in zijn ʻEene wysgeerige verhandeling over den schouwburg in ’t algemeenʼ. (1775), die al uit 1775 stamt.

– Luzac verwierp de drievoudige scheiding van regeringstypes, mede omdat Montesquieu in zijn ogen verderop in het boek een nuttiger onderscheid had ontworpen: dat tussen ‘arbitrary and limited government’ [101], deed dit in de jaren ’50 om zijn punt te maken in zijn dispuut met de staatsgezinden als Jan Wagenaar. Over dit dispuut schrijven Geyl en Leeb. Een republiek was volgens Luzac niet per sé een land zonder monarch of een land waar politieke deugdzaamheid het grootste goed was, maar werd gekenmerkt door de aanwezigheid van ‘a limited and balanced government guaranteeing the freedom of the individual inhabitants’ [102]

– Een andere, zij het mildere, criticus was F.W. Pestel in zijn Fundamenta Iurisprudentiae Naturalis uit 1772, dat ook in het Nederlands verscheen: De Gronden der Natuurlijke Rechtsgeleerdheid, II, 211-212.

uitzoeken hoeveel Hume heeft geschreven over natuurrecht om te kijken of dit soort studies mogelijk interessant zijn om te doorzoeken

– Dirk Hoola van Nooten vertaalde EdL naar De Geest der Wetten, door den Heere Baron de Montesquieu. Uit het Fransch vertaald door Mr. Dirk Hoola van Nooten, etc. Met Wijsgeerige en Staatkundige Aanmerkingen, zo van eenen Onbekenden, als van den Vertaaler (4 vols. and an index, Amsterdam, 1783-7). In dat commentaar schreef hij dat die deugdzaamheid waar Montesquieu de nadruk op legt bij republieken, noodzakelijk is voor alle soorten regeringsvormen.

– “meeste Nederlandse lezers waren verbaasd dat Montesquieu soms de antieke republieken leek te prefereren boven de moderne.
–

Vorige week was ik onverwacht veel tijd kwijt aan ‘niet-academische werkzaamheden’, met als gevolg dat de kleine update die ik heb kunnen schreven nauwelijks het vermelden waard was. Gelukkig heb ik deze week weer iets meer kunnen doen, met gemengd resultaat:

Tijdbalk: een stukje technisch vernuft in de maak
Er moet nog het één en ander gebeuren voordat het werkt, maar ik ben erg onder de indruk van de mogelijkheden van de Timeline-widget van de SIMILE-werkgroep op het MIT. Er is zelfs een plugin die het mogelijk maakt om posts in WordPress (de weblog-omgeving waarin dit werkblog is gemaakt) direct op de tijdbalk te zetten, maar zolang de server-software (nog) niet goed omgaat met data van voor 1970 is dit helaas onbruikbaar voor mij.
In de tijdbalk zou ik zichtbaar willen maken welke bron wanneer verscheen. Dat zou gaan in verschilende categorieën:

  1. oorspronkelijke uitgaven
  2. vertalingen
  3. recensies
  4. andere verwijzingen

Eventueel zouden belangrijke politieke gebeurtenissen of ontwikkelingen ook nog een plekje kunnen krijgen, voor mijn eigen overzicht. En dan bijvoorbeeld nog werken van de concurrentie. Het mooie van de tijdbalk is dat het mogelijk is om een link toe te voegen naar een pagina waarop meer informatie over de bron staat. Op de homepage van het Timeline-project staat een tijdbalk van de gebeurtenissen na de Kennedy-moord als voorbeeld, maar er zijn ook al tijdbalken gemaakt voor de Joodse en Christelijke geschiedenis, en één van het totale reisschema van de middeleeuwse Engelse Koning John.

Niet twee, maar vier keer beet!
Eén van de weinige ontdekkingen van vorige week heb ik vandaag onverwacht kunnen uitbreiden: in de vijfde band van De Philanthrope stonden namelijk nog twee vertalingen van essays van Hume vertaald, dat me in eerste instantie niet was opgevallen.

[singlepic id=1173 w=360 h=480 float=left]

Afleveringen 265 en 266, waarin de vertaling van Of National Characters werd gegeven, werden gevolgd door Vertoog 267, over de “buitensporigheid van gierigheid.” Dit vertoog was gebaseerd op Of avarice, dat Hume uit latere edities van de Essays zou schrappen. Daarna kwam vertoog 268, over de AANDOENLYKHEID VAN SMAAK, blijkt een vertaling te zijn van Of the delicacy of taste and passion. Na een korte onderbreking voor een lofrede op de slaap kwam de tweedelige vertaling van Of Superstition and Enthusiasm.
Dat betekent dat de Philanthrope ruim anderhalve maand in het teken heeft gestaan van de essays van David Hume. Dat zou een aantal dingen kunnen betekenen – zo uit de losse pols, erg lang heb ik er nog niet over nagedacht:

  1. er kwamen positieve reacties op de stukjes, waardoor er werd besloten om nog een aantal andere vertalingen te plaatsen
  2. er waren misschien weinig andere goede stukjes binnengekomen bij de Philanthrope, terwijl het de vertaler relatief weinig moeite hebben gekost om snel een paar andere essays van Hume te leveren.
  3. de Philanthrope vond het zelf uiterst noodzakelijk om deze stukjes te plaatsen, omdat hij de boodschap uit Humes essays – waarvan de vertalingen immers nog niet in boekvorm waren verschenen – persé aan zijn publiek kenbaar wilde maken. Het kwam volgens mij niet heel vaak voor dat er zoveel ruimte beschikbaar kwam voor de werken van één auteur in een spectator – iets om te onderzoeken!

Alle vertalingen zijn ondertekend met “A.A.” - geen spoor dus van de naam van Hume. Ondanks een berg ‘gratis’ publiciteit voor zijn ideeën, zullen maar weinig lezers hebben geweten dat de gepubliceerde vertogen afkomstig waren van de tot dan toe weinig bekende Schotse filosoof. En zijn de ideeën van Hume tijdens de vertaling in tact gebleven?

Teleurstellend vervolg

Na de gouden vondsten in De Philanthrope, waren de verwachtingen hoog gespannen voor zijn opvolger, De Denker. Ik had in Week 3 al een verwijzing gevonden naar Hume, maar nu waren de ongedigitaliseerde banden aan de beurt. Zoals ik al hoopte was het twaalfde en laatste deel voorzien van een “Bladwijzer”.

« Vorige pagina — Volgende pagina »