« Vorige pagina — Volgende pagina »

Naast too learne to buye and to sell nu ook:

“Annemieke Meijer en Diederik van Werven, “Maar wie, heeren, leescht er Engelsch?” De kennis van het Engels in Nederland rond 1830 en de “English literary society, in: Johannes e.a. (red.) Een groot verleden voor de boeg, 85-107

G. J. Johannes, Geduchte verbeeldingskracht! Een onderzoek naar het literaire denken over de verbeelding – van Van Alphen tot Verwey, proefschrift Universiteit van Amsterdam, 1992.

noemt receptie van Hume op twee plekken:
blz 44, over aspecten van beschouwingen over de verbeelding, m.b.t. het citeren van auteurs die misschien het niet overal met elkaar eens zijn, maar, wanneer je de juiste dingen eruit pikt, wel leiden tot “de” juiste visie op de verbeelding.

Hierdoor komt Hume in rijtjes terecht zoals die van J. L. Wolterbeek in een noot bij zijn redevoering over de verbeeldingskracht (1803):
Socrates
Aristoteles
ZCassiodorus
Averhoes
Melanchton
Ammerbach
Lud. Vives
Hobbes
Cartesius
Malebranche

Verder zegt hij dat “in het begin der jongst verloopene eeuw, door den grooten Wolf, een vaste grond voor de bewerking van dit onderwerp gelegd is, waar op Hartley, Home (=Hume?), Tetens en anderen, met een zeer goed gevolg, voortgebouwd hebben” [Wolterbeek, Redenvoering, noot 1 en 2, p34-36,]

Twintig jaar later beveelt de auteur van een stukje ” Iets over den smaak”, in De recensent, ook der recensenten, ter lezing aan: “Cicero, Quinctilianus, Demosthenes, Demetrius en Longinus” naast “Sulser, Winckelman, Hume, Mozes Mendelzoon, Lessing, Blair, Engel, Ramler en anderen, waarbij wij nog [div. NL De Bosch, Feith en Kantelaar, Van Beek Calkoen, Van Engelen=niet in dat lijstje] kunnen voegen. De recensent, ook der recensenten 1823, II, pp 398-399]

*****
op blz 54:

“De associatieprincipes of “-wetten”, zoals die vooral door Engelse auteurs als Hume en Hartley zijn gepostuleerd, beschout men als zo kenmerkend voor de werking van de verbeelding, dat men ook wel uitdrukkingen als “de regelmaat der verbeelding” of “de wet der verbeeldingskracht” gebruikt”

(noot: “Zie bijv. C.R.T. Kraijenhoff, Specimen philosophicum (1780), paragraaf XI (Idearum associatio) – XIV (Imaginationis Lex) Vgl. de recensie over J.G.E. Maas’ Versuch á¼ber die Einbildungskraft in de Algemeene konst- en letterbode X (1793), p. 140.)

Gepubliceerd in: De Achttiende Eeuw 31 (1999), 1, p. 35-63.

Boekzael der geleerde wereldt (1716-1811)

Oplage BR 800-1200
Oplage BB 1500
Oplage BC (Bibliotheque Choisie 1657-36)1500-2000
Oplage Journal Britannique (Matthieu Maty, Scheurleer, 1750-1755) 500
[12-13]

Luzac had met Maty afgesproken dat hij (M) het Britse nieuws zou doen.

U Janssens, Matthieu Maty and the Journal Britannique 1750-1755 (Amsterdam, 1975)

†œWetstein te Leiden denk ik om. de Luchtmansen zijn te groote krentekakkers. Schouten heb ik reeden toe, het ook niet te geeven; want heeft geen correspondentie genoeg buytenslands; misschien zou Schreuder en Mortier goet zyn, zoo het genereus kunnen uytvoeren, dewyl het een kostbaar werk zal zyn.†60
[9]

Begint artikel met verwerping van de postmoderne kritiek op verlichtingshistoriografie, dat eigenlijk geen nieuwe inzichten kan bieden, omdat ze niet de bronnen induikt, maar slechts schreeuwt dat het niet politiek correct is – en daarbij terloops vergeet dat er bijvoorbeeld wel degelijk studies zijn gedaan naar vrouwelijke Verlichters.

Maar er mag wel op een dieper theoretisch niveau worden gekeken, vooral naar de vroege Verlichting. Margaret Jacob zag een radicale fase van de Europese Verlichting die veel eerder kwam dan de High Enlightnement van de parijse salons, en dat de Engelse vrijdenkers als Toland en Collins, en in de Republiek uitgevers als Prosper Marchand en vrijmetselaren als Rousset de Missy.

Spinozisme is, zo blijkt uit de literatuur van de 15 jaar ervoor (75-93?), nog belangrijker en centraler dan we allemaal zouden hebben gedacht [11]
noemt Baggerman als studie naar een individu die worstelt met heterodoxie

Verwijst naar Buisman, maar vraagt zich af hoe hij de radicale verlichting verklaart en naar Mijnhardt/Kloek en hun socialere geschiedenis-benadering. Ook de decentrale benadering (door bijv. Middelburg te nemen) geeft veel interessante inzichten.

34. Van Gemert, G., F. Korsten, P. Rietbergen & J. de Vet (eds.), Orbis doctus, 1500-1850. Perspectieven op de geleerde wereld van Europa: plaatsen en personen. (2005) UBM

32. Bots, H., & J. de Vet (eds), Stratégies journalistiques de lʼAncien Régime. Les préfaces des «Journaux de Hollande», 1684-1764. (2002) BUS 05.33 B073

31. Meerkerk, E.M. van, Achter de schermen van het boekbedrijf: Henri Du Sauzet (1687-1754) in de wereld van de uitgeverij en boekhandel in de Republiek. (2001) OTM: HB-Zaal ZKW: 74.dus.1

30. Lieshout, H.H.M. van, The making of the Dictionaire Historique et critique by Pierre Bayle (1647-1750), translated from the Dutch, with index of articles and persons and a CD-ROM. (2001). UBM

17. Bots, Hans (ed.), La diffusion et la lecture des journaux sous l’Ancien Régime: actes du colloque international, Nimègue, 3-5 Juin 1987. Circulation and reception of periodicals in the French language during the 17th and 18th centuries: proceedings of the international congress, Nijmegen, June 3-5.(1988) UBM

14. Roelevink, J., Gedicteerd verleden: het onderwijs in de algemene geschiedenis te Utrecht, 1735-1839. (1986) UBM

—————————-

Edwin van Meerkerk. (2007) ʻDevelopments in French translations in the Dutch Republic in the Eighteenth Centuryʼ, in: Ursula Haskins Gonthier & Alain Sandrier (eds), Multilingualisme et multiculturalité dans lʼEurope des Lumières. Multilingualism and Multiculturalism in Enlightenment Europe. Proceedings of the International Seminar for Young Eighteenth-Century Scholars 2004(Paris: Honoré Champion, 2006) 195-211.

« Vorige pagina — Volgende pagina »