« Vorige pagina — Volgende pagina »

in deel 1 vinden we Rousseau (karakter van den beroemden , en geluk der beschaafde volken boven de wilden[161-168] en een stuk over slagers en heelmeesters wordt Emile genoemd [305-312]), Voltaire (in een stuk over de roemzucht, en in een voetnoot over Charles XII oid) en Puffendorf en Suszmilch [zijn Godlyke orde]

maar in de usual suspects:

-vrijheid van godsdienst
-over de pragt en de weelde
-over de koophandel

niets van hume

DEEL 2:

ook niet in een stuk over “wat de oeconomie is” [17-24]

In de borger 54 (4 oktober 1779) gaat het over de “voordelen die de godsdienst der borgerlyke maatschappye aanrengt”
lezen we hoe Montesquieu in Espr. Des Loix Bayle weerlegt als hij zegt dat de christenen geen staat zouden stand laten houden [27]
bygelovigen /dwepers worden inderdaad voor gevaarlijker aangezien in de menschelijke geschiedenis (en hiermee wordt Bayle gelijk gegeven) maar… alleen omdat er veel meer dwepers zijn geweest dan verzaakers.

De onschuldige Spinoza wordt aangewezen als voorbeeld van hoe je niets te vrezen hebt, maar, zegt de borger, Wijsgeeren zijn het zelden[28]
En dan ten slotte Voltaire nog geciteerd met zijn spreuk “van een fraai vernuft” dat men in Frankrijk “den Paus de voeten kussen, maar de handen binden moet”

no 64 en 65 ( 13 en 20 dec 1779) gaan over gierigheid.
Wel geciteerd uit “De Heer PINTO Essay sur le luxe 1762 [118] en de OPMERKER, I. DEEL, bl 79, niet uit Hume.

no 74 (21 feb 1780) in een stuk over vrijheid vd drukpers in ’t algemeen (weken later volgen “omtrent godsdienstige” en politieke zaken) wordt marmontel en zijn Belisaire genoemd

No 77 (13 maart) gaat na drie betogen over de vrijheid van de drukpers in op de boeken die dan wél verboden zouden mogen worden: dat zijn boeken, “die niet strekken tot bevordering der weetenschappen,maar die of byzondere persoonen, of amptenaars, of de hooge overheid zelve, beleedigen”, mits er niet al te veel exemplaren in omloop zijn, want dan heeft het geen zin en vergroot je de aandacht en vraag naar dit soort boeken veels te erg. [210]
Dan ook nog leerstellige boeken, die bijvoorbeeld het “bestaan van een opperwezen, de zeedelyke regeering van god, en het onderscheid tusschen deugd en ondeugd, de zekerheid van eenen toekomenden staat” aantasten óf “vuile denkbeelden” verspreiden, “welken door het streelen eener dartele verbeeldenskragt kwaade lusten opwekken en de zeeden bederven.” Maar een verbod heeft een vergelijkbaar nadeel [211]
[is dit dezelfde borger die ook Pope quote als hij schrijft: To enjoy is to obey?”]
Bovendien “het verbieden van een boek is geene wederlegging. Wanneer ik een godloos boek het berugte Système de la Nature, by voorbeeld, met goedkeuring gelezen heb, en my overreed agt van de stellingen des schryvers, zal ik niet van gedagte veranderen, omdat dat boek verboden wordt.” De schrijver vervolgt te zeggen dat het de plicht is van de overheid om (onderhands, anders valt het teveel op) “bekwaame lieden aantemoedigen tot het wederleggen van alle schadelyke boeken”. Het advies van de borger is, in alle stilte zoveel mogelijk exemplaren bijeenrapen en vernielen. [213]

en op elke titel ook de naam van de uitgever, zodat er geen misbruik wordt gemaakt van drukpersen. Anonimiteit is echter niet per definitie slecht [215]

No 79. (27 maart 1780) Schets van den staat der voorige eeuwen met betrekking tot het geluk der menschen in Europa. Pragt der voorige eeuw. Hedendaagsche pragt. Waaruit ontstaan. [225-232]
Op bladzijde 226 vinden we een verwijzing naar Hume’s “Hist. of Engl. Vol V. p. 503.” en daarna nog één naar Vol VI!
“Hume (kruisje) geeft deze beschryving van de [227] leevenswyze der grooten ten tyde van Koningin Elizabeth, dat is op ’t laatst der zestiende en ’t begin der zeventiende eeuw: “De adel, zegt hy, bleef in deze eeuw nog tot zekeren trap toe by de oude kostbaarheid in gastvryheid en het groote getal zyner bedienden; en de Koningin vond nodig, de kostbaarheid van dit laastse artikel een verbod te bepaalen; doch zy moedigde meer of min het kostbaare gastereeren aan door de menigvuldige bezoeken, welken zy den adel gaf, en de pragtige feesten, die zy van den zelven ontving. De Graaf van Leicester onthaalde haar op ’t kasteel van kenilworth op een feest dat buitengemeen kostbaar en pragtig was. Onder andere byzonderheden vinden wy, dat op het zelve drie honderd vyfenzestig vaten biers gedronken wierden. De graaf het het kasteel met groote kosten versterkt, en men had daar wapenen voor tien duizend mannen. De Graaf van Derby onderhield een gevolg van tweehonderd en veertig knegts. Burleigh, schoon een spaarzaam man, had er honderd. (….) “Maar,” dus gaat hy voort, “schoon ‘er nog veel overbleef van de oude gewoonten, begon evenwel de adel trapsgewyze smaak te krygen in eene meer bevallige pragt; en verscheidene gebouwen, inzonderheid, wierden getimmerd, net, ruim en kostbaar, tot een groot sieraad van ’t koninrijk, zegt Camden, maar tot geen minder verval van de roemryke gastvryheid der natie. Het is, evenwel, waarschynlyker te denken dat deze nieuwe wyze van verteering te maaken de konsten en nyverheid bevorderd hebbe, daar de oude gastvryheid de bron was van ondeugd, wanorder, oproerigheid en lediggang.” De zelfde schryver geeft op eene andere plaats eene schets van de leevenswyze ten tyde van Koning Jacob I. (*)
(*) Vol. VI. p. 109.
[228] “Men had toen zeer veel op met eene hooge geboorte en het was door zekere waardigheid en deftigheid van leevenswyze dat de laage en hooge adel zig van ’t gemeen onderscheiden. Groote schatten, door den handel verkregen, waren toen zeldzaamer, en nog niet, gelyk nu, bekwaam geweest, de rangen der menschen als te verwarren en het geld den voornaamen grondslag van aanzien te maaken. in het gemeene leeven vond de grootste statigheid plaats, en de grooten duldden weinig gemeenzaamheid. De voordeelen, welken de rykdom aanbrengt zyn zo wezenlyk en groot, dat de bezitters derzelven niet behoeven te vreezen, al te na door hunne minderen genaderd te worden. Het onderscheid van geboorte en titels, meer ydel zynde en in verbeelding bestaande, verdwynen welhaast by eenen gemeenzamen omgang en kennis.
De uitgaaven der grooten geschieden veeler in ’t maaken van eene groote vertooning en het houden van een talryk gevolg, dan in ’t neemen van gemak en vermaak. De graaf van nottingham werd, by zyn gezaantschap naar Spanje, verzeld van vyfhonderd persoonen, en de Graaf van hertford, by zyn gezantschap naar brussel, nam drie honderd edellieden mee.” [einde citaat Hume]
Men ziet hieruit, dat in die tyden, welken men geoon is, tyden van eenvouwdigheid en spaarzaamheid te noemen, doch die eerden den naam van ruwe tyden verdienen zouden, eene zeer buitenspoorige pragt heerschte; en, schoon LORD BACON heeft aangemerkt, dat de Engelsche adel van zynen tyd een grooter getal van bedienden onderhield, dan de Poolsche mooglyk uitgenomen, eenige adel in Europa, is het egter zeker, dat dit soort van pragt voor de tyden der grootere beschaaving van ons werelddeel ook in de overige landen van hetzelve veel grooter is geweest dan tegenwoordig”
[Het stuk eindigt als volgt:
“Zeer veelen gaan de maat te buiten. In plaats van volgens hunnen staat en vermogen zig van de voorbrengselen der konsten te bedienen en de voordeelen van eene beschaafde en gelukkige eeuw te genieten, gaan zy buiten hunen staat en boven hun vermogen. In plaats van de vermaaken en gemakken van het leeven te gebruiken, misbruiken zy ze; hun hart hegt zig alleen aan de voorwerpen der pragt en weelde. Bedorven in hun zelven, bederven zy ook anderen door hun voorbeeld. Het verval van veele huisgezinnen komt hier uit voort, en dezen sleepen ook anderen mede in ’t bederf. De goede zeden loopen hierdoor gevaar. Dit zyn de gevolgen onzer hedendaagsche pragt en weelde, tegens de welken onze zedenmeesters niet genoeg waaken en prediken kunnen. Maar zouden alle deze kwaade uitwerkselen wel zo verderflyk zyn , als de ruwe en barbaarsche pragt van de grooten der vroegere eeuwen, die, alleen het goede van het leeven genietende, alle menschen als hunnen slaaven, alleen voor hun vermaak geschapen, beschouwden en behandelden? Wat is beter, dat eenige dwaazen zig bederven, en met hun eenige onschuldigen mede in ’t bederf sleepen, of dat honderd duizenden in slaaverny zugten en alleen strekken tot vervulling van de grillige buitenspoorigheden van weinigen, die ook meest allen bedorven zyn? Men smaale op onze eeuw, men werpe haar de eernaam van verlichte eeuw, als eenen onverdiendeneernaam, tegen, en verheffe hemelhoog de oude eenvouwdigheid: voor ons wy zien geene reden om ons over het lot te beklaagen, ’t welk ons in deeze eeuw heeft doen geboren worden.”
[is ondertekend met W. op blz. 232]

Montesquieu Esprit d. Loix [237] en op [238] Consid. sur la causes de la Grandeur des Romains ch 10

no. 82 (17 april 1780) over het volks karakter; zyn natuur en oorsprong [249-256]

– geeft zowel fysieke als morele oorzaken;

“De leevenswyze der menschen heeft grooteren of kleineren invloed op het volkskarakter, naar mate het geheele volk meer of min de zelfde leevenswyze leidt. een land met veel vissers: gehard. de bewooners van groote koopsteden: “zagter van karakter, zo niet veeltyds laf en verwyfd” [254]
de kleine koophandel waarmee joden en chinezen zich bezighouden maakt hen bedrieglyk (en divery en schelmery worden welhaast de hoofdtrekken van het karakter beider volken) [255]

“Wat de overige zeedlyke oorzaken, welken het volks karakter formeeren, aangaat, dezen zyn juist de zelfden, welken het zeedlyke karakter van byzondere menschenformeeren, ik meen, zeedlyke begrippen, godsdiens, gevoelens van eer, en goede borgerlijke wetten. Den invloed van ieder dezer beginsels hebben wy breedvoerig elders aangewezen, waarom wy thans daar niet op zullen blyven staan.” [niet expliciet gevonden, wel iets over zeedlyke beseffen als gevolg van borgerlyke wetten – in de index wordt verwezen naar een stukje uit het eerste deel over het Nederlandse volkskarakter, en hoe dat te behouden => daarin wordt gerept van nyvere werkzaamheid, zindelykheid, bedagtzaemheid en overleg in ’t ontwerpen, vernuft en vindingskragt in de uitvoering, maa vooral ‘kloekmoedige lydzaemheid by eene onverzetlyke standvastigheid in gevaeren, en volharding in onderneemingen.’ [60-63] en in ’t volgende stukje [ van 23 november 1778, nr. 9 ] wordt daar nog oude Hollandsche eenvoudigheid en maetigheid”, onbewimpelde opregtheid en onkreukbaere trouw, ernst en deftigheid, en Godsdienstigheid, en Vryheid [68] aan toegevoegd. allemaal eigenschappen die we terug moeten vinden als we weer terug willen naar vroeger, aangezien wij niet de natuurlijke rijkdom geschonken gekregen hebben die de, fr en gbr wel hebben – de Heer Ris te Hoorn heeft met zijn is al op de goede weg en geldt als voorbeeld voor de rest van kwakkelend nl [72]]]

“De vryheid heeft ook eenen magtigen invloed op het volks karakter. Een volk van slaaven denkt laaghartig, en agt zig weinig, omdat het geleerdheeft, weinig geagt te worden. Een vry volk, integendeel, gevoelende dat zy menschen zyn, wil ook op eene menschlyke wyze gehadeld worden. Een Bascha mag in Syrie en Egypte het volk knevelen; de menschen zyn daar gewend aan de onderdrukking, en hebben nauwlyks een denkbeeld van de vryheid en de regten der menschlykheid; maar by vrye volken, by menschen die weten dat zy menschen zyn, is alleen het denkbeeld van onderdrukking genoeg, om eene omwenteling te veroorzaken, en het volk aan te zetten, om, ten koste van zyn bloed, zig ten minsten den waan te koopen, dat het vry is.
Magt en voorspoed, eenigen tyd door een volk genoten, heeft ook invloed op het volkskarakter. Een volk, [256] gewoon gevreesd te worden en in den oorlog te overwinnen, wordt gemeenlyk stoutmoedig en gaat daar door veeltyd, ja den meesten tyd heerschzugtig en onregtvaardig. Welk een hoogmoed was niet die der Romeinen in de tijden van hunnen voorspoed; en welke was niet hunne heerszugt en onregtvaardigheid.

Waare of ingebeelde voordeelen, van wat aart oo, hebben dikwyls insgelyks eene magtigen invloed [voorbeeld overmoed Turken jegens Grieken]

Behalven, dit alles, zyn ‘er dikwyls nog verborgene redenen, welken eenen magtigen invloed op het volskkarakter hebben. Oude vooroordeelen en gewoonten, welker oorsprong reeds lang vergeeten is, vermogen dikwyls zeer veel, en daar zyn niet zelden in de karakters der hedendaagschen volken trekken, waarvan men geene reden geeven kan, omdat de oorzaak derzelven gelegen is in byzonderheden, die voor veele eeuwen plaats hadden, en waarvan het geheugen thans volkomen verloren is.

W.”

No 85. op blz [276] Esprit des Loix verwijzing

bon ton = verfynden smaak 294

Verwyzing naar de Opmerker V, blz 139 over de Weelde,

no 90 Esprit de Loix verwijzing 316

no 93, blz 340 nogmaals verwijzing naar De Opmerker (tweede keer “een onzer voorgangeren” genoemd, VI. Deel, bl. 383. en nogmaals naar 189. vertoog op blz 342 als het gaat over “Staatkunde, regstgeleerdheid, godgeleerdheid, zyn weetenschappen, echikt alleen voor weinigen; en , wanneer die weinigen daaromtrent maar juiste denkbeelden hebben , is het genoeg, dewyl het onmooglyk is, dat de menigte zig daarop zou toeleggen”

ook meerdere verwijzingen naar Forster

DE SCHATKAMER DER GELEERDEN.
ONDER DE ZINSPREUK: NIHIL SINE NUMINE FELIX
TWEEDE DEEL.
Voorzien met een’Uitvoerigen en Zaakryken Bladwyzer

Te Amsterdam, By Jacobus Lovering 1764

NO. 1

73-81 in het Vertoog wegens de kracht der Dweeperye tot bevordering der Dwaalingen in ’t Verstand, door JOH. MART. HOFFMAN (*), Oudherder en leeraar van Maassluis
zien we niets over Hume

82-102 Wysgeerig betoog over de Denkeloosheid der Stoffe, of Bewys dat de Stof niet denken kan
tegen de Materialisten (geen namen)

NO. 2

wordt wel verwezen naar “CLARKE’s bewijzen van den Natuurlijken en Geopenbaarden godsdienst. Eerste Voorstel” [157] in een Verhandeling van Squire over “de Zekerheid, ’t Belang en de Overeenstemming van den Natuurlyken en Geopenbaarden Godsdienst, onpartydiglyk beschouwd, en ter betragting aangedrongen” [maar is dat clarke, clarcke?)

NO. 3

In het Tweede Vervolg van S. Squire wordt verwezen naar de “Enquiry into the Evidences of Religion by Mrs Newcome” [324] wanneer het gaat over de manier waarop het doorbreken van die regelmatigheden in de natuur die ons de natuur’wetten’ hebben gegeven, helemaal niets zeggen over het niet KUNNEN bestaan van die doorbraken (wonderwerken) het zegt eerder iets over de regelmatigheid van de regelmatigheden.

J.W.S., Verhandelinge over de Onsterflykheid der Ziele; zoo als dezelve uit de Reden, haren eigene Aaart en de H. Schrift te bewyzen is [347-369] (geen Hume)
In stukken over Ehusiasmus of Geestdryvery, in onderscheiding van het Fanatismus of Dweepery (geen Hume) [369-380]

NO. 4

In het derde vervolg van S. Squire vinden we een verwijzing naar “den zeer Geleerden Dr. Leland in zyne Engelsche Verhandeling tegen den Moral Philsopher en in zyne anders allernuttigste Schriften tegen de Deïstery en ’t ongeloof.

Ook in het tweede stuk over de onsterfelijkheid van de ziel (ditmaal) van J. van Justi lezen we niets over Hume. Wel over monaden,Wolff en wolffianisme. [507-539]

No. 5.

In het Geloofs-onderzoek van een Deensch Wijsgeer (Holberg) worden wel Deïsten genoemd, maar niet met naam [637-657, aldaar 654]

In de index voor boek I en II samen vinden we wel iemand als Woolston, Toland, Tindal die de wonderwerken bestrijdt, dan zou Hume er ook tussen kunnen stan. Dat is niet het geval.

*************
(titelblad Deel 1)

DE SCHATKAMER DER GELEERDEN; OPENGEZET
Voor alle rechtaartige In- en Uitlandsche Hervormde en Euangelische Beoeffenaars, Beminnaars en Voorstanders der Godgeleerdheid, Natuur-geschiedenis- en Oordeelkunde.
(rest idem)
1761

Voorrede spreekt van het opstaan van een ‘advokaat der vaderlandsche kerk’ (Barueth, samen met Hofstede(?) verantwoordelijk voor anti-spectatoriale orthodoxe schriften) die roet in het eten gooide toen de Rhapsodist nét een voorrede zonder boek wilde uitbrengen, maar zich nu genoodzaakt zag om zich te veredigen tegen de Advokaat. Onder andere de levensbeschryving van Voltaire was velen in het verkeerde keelgat geschoten omdat er niet bij was verteld dat er een tekstje uit Der Zufriedene aan de basis stond.
Bij het stukje DE ZELFMOORD IS EEN UITWERKSEL VAN LOUTERE KRANKZINNIGHEID wordt dan ook gelijk vermeld dat het gebaseerd is op en stuk ‘over de vreeze des doods’ van Merian (Ak. Wet. en Let. Berlijn)
Ook komen er enkele brieven in dit deel terug die door orthodoxe briefschrijvers, zoals Zelotes Orthodoxus [327-340] die een ‘ketter-wyk’ voorstelt (328), zodat hij en andere godsvrezenden niet steeds met hen in aanraking komen (hier komen de Remonstranten, Sociniaanen, Mennoniten, Pelagiaanen, (hele en halve), Arriaanen, Deïsten en Lutheranen te wonen). In deze brieven wordt bovendien steeds verwezen naar ‘onzen dierbaaren Advokaat der Vaderlandsche kerk”

[8-25] wordt weer geschreven over ‘den geneefschen filosoof’ gesproken, als voorbeeld van een reden waarom iem. geneigd zou zijn zelfmoord te plegen, na het lezen van een stuk van hem

[63-73] Het meerdelige ‘Berigt wegens de ontdekkingen van ridder izaak newton’ blijkt gebaseerd op “het uitmuntende werk van den Heere COLIN MACLAURIN” (Londen 1748)

[74-103] ZIMá‰O. “Door George Filmer, een Kwaaker van afkomst” – overgenomen uit de Saisons van M. La M. de St. Lambert (Amst 1796, p. 181) eindigt met de uitroep dat Europa nooit echt beschaafd zal zijn als zij volksplantingen kan runnen, zolang niet alle mensen van het natuurrecht op de hoogte zijn. Hiervoor wordt ook verwezen naar Esprit des Loix als voorbeeld (samen met het boek van Burlamaqui) dat nog altijd moet wedijveren met Machiavel en Hobbes als het gaat om ideeën over natuurrecht in Europa.

“Beschaafde geoefende, geleerde volken, neemt dit in opmerking: gy zult noch goede zedenleere, noch goede regeeringen, noch goede zeden hebben, dan wanneer de gronden van het natuurlyk regt bekend zullen zyn by alle menschen; en wanneer gy en uwe wetgeeevers een bestendig gebruik van dezelven maakt in uw gedrag en in uwe wetten. Dan zult gylieden beter, magtiger en geruster, geene dwingelanden en beulen van het overig gedeelte des aardbodems zyn: dan zult gy weeten, dat het den Afrikaanen niet vry staat aan ulieden krygsgevangenen te verkoopen; dat de heeren der groote leenen van de kust van guinée u hunne leenmannen of vassalen niet moogen verkoopen; en dat al uw geld niet in staat is u het regt te geeven van een eenig mensch in slaverny te houden” [103-104]

“De vervolgzieke geestelyke, in zyne woede gestuit [151-153] is overgenomen uit ‘the Gentleman’s Magazine’

In het tweede deel van “HET REDENEEREND VERMOGEN EN DE VERSTANDELYKE VORdERiNGEN DER DIEREN” [179-217] – het eerste deel noemde Bonnet, hier wordt o.a. condillac, de Buffon, Schirach en Wilhelmi

“Model eener goede biddags-predikatie” [244-270] verwijst naar Rousseau en diens pleidooi voor de terugkeer naar de natuurstaat ‘wilde eenzaamheid’

In VERHANDELING OVER HET HUWELIJK – vertaald uit het Fransch van den heere Boucher D’Argis [341-353] wordt l ‘Esprit des Lois geciteerd: “Overal waar zig een plaats bevindt, daar twee persoonen met gemak konnen leeven, geschiedt een huwelyk” [341]

REDEVOERING OVER DEN OORSPRONG EN DE KLEUR DER ZWARTEN, VOORGELEEZEN IN DEN ONTLEEDKONSTIGEN SCHOUWBURG, TE GRONINGEN, DEN 14 VAN SLACHTMAAND [!] 1764. *De schryver deezer Redevoering is de uitmuntende Hoogleeraar PETRUS CAMPER, die ons dezelve gunstig heeft medegedeeld om in ons werk geplaatst te worden.

over het ontleeden van eerst een angoleese jongen en dan oeran-oetangs: dat er nog steeds zijn die een afkomst van de zwarten uit de vermenging van blanken en ‘bosch-menschen’ vermoeden. [380-381]

-ook niet het verbranden van de huid [381] zoals Brownius denkt
– of de aanwezigheid van kwik en zwavel, die samen zwart worden ‘als in een vijzel’

worden ook bijbelse figuren aangehaald, zoals Cham vervloekt door Noach én daardoor zwartgemaakt – misschien zelfs door God maar de redevoerder betoogt dat die redenering echt blank was, omdat zij ‘zig’ hiermee ‘dus eenen voorrang boven de anderen, van kleur verschillende, toeëigenden’. Omgekeerde zouden de arme Amerikaanen waarschijnlijk eerder kunen denken dat God de blankenwit gemaakt heeft, als ze zo toornig zijn. [383]

– daarna enkele stellingen over de verschillende geografische gebieden met bijbehorende uiterlijke kenmerken maar Maupertuis’ “la Venus Physique”[383-384]

de “onsterfelyken” [394] Buffon wordt de grootste Natuurkenner van deeze eeuw genoemd [384] en zijn “Natuurlyke Historie van den Mensch” van harte aangeraden

lees Maupertuis, lees Littre, lees le Cat “en Gylieden zult niet langer zwaarigheid maaken om met my de hand van broederschap aan de Negers en Zwarten te geeven, en dezelve te erkennen voor de waare nazaaten van den eersten mensch, wien wy allen voor onzen Vader erkennen! Ik heb gezegd”[394]

“Verslag wegens het werk van den heere J. P. Suszmilch, een titel voerende de goddelyke orde, heerschende in de veranderingen van het menschelyk geslacht” (waarvan ook al 4 nederlandse veralingen bij P. Meijer zullen zijn verschenen, aldus een voetnoot) [411-429] is misschien nog wel het beste te omschrijven als theodemografisch. Ook hier wordt Montesquieu weer genoemd: “MONTESQUIEU zegt dat er landen zyn, waar de natur alles doet, en waar derhalven de wegever niets te doen heeft. Ten voorbeelde brengt hy CHINA by, waar het onnoodig is de menschen door wetten ter voortteelinge aan te zetten, dewyl de vrugtbaarheid der landstreeke menschen genoeg uitlevert” -> hier gaat suszmilch echter tegenin: zegt dat het vooral komt door de voortdurend vrede en ontbreken van ziekten als kinderpokken en de pest dat de bevolking van China zo hard groeit [425-426]

OVER HET Vá“á“RGEVOEL EN ZEDELYK GEVOEL, Gedeeltelyk gevolgd naar den heer DE BEAUSOBRE * uit de Memoires van de ac. berlin. [513-525]
geen namen behalve die van beausobre.

Uit The expeditions the humphry Clinker komt “Het gedrag van een tederhartigen zoon en broeder” [540-544]

(niet werkelijk goed doorgebladerd)

De onbillykheid van den naaryver, welken de Volkeren tegen malkanderen, byzonderlyk tegen de Hollanders, wegens den Koophandel voeden; door den Heer J. D. P. [1-33]
die noemt geen andere auteurs, behalve CICERO.

503-508:
PROEVE EENER AFSCHETSING VAN HET KARAKTER VAN DEN HEER DE VOLTAIRE, BY GELEGENHEID VAN ZYN OVERLYDEN ONTWORPEN.

opent met

Voltaire, de groote Voltaire, is eindelyk dood! Die uitsteekende man, die zulk eene menigte van jaaren de oplettendheid der waereld tot zich getrokken heeft door zyne gelukkige talenten, en zelfs door het bevallig gewaad dat hy wis te geeven aan zyne vooroordeelen en zwakheden, is thans niet meer.”

locke 5
montaigne 8
hobbes 9
“DE GENEEFSCHE PHILOSOOPH” en “zyne sombere Verhandeling over den oorsprong der ongelykheid.

“Gedachten over het interesseerende in ’t schrijven noemt op blz 34 Pope, Shakespeare, Dufft, Longinus en 41 kleist en gray en hurd op 43. In het tweede deel [250-292] wordt verezen naar Clarissa [275]

REDEVOERING OVER DEN STYL, DOOR DEN HEER DE BUFFON (vertaald, naar een rede uit 1753, wordt melding gemaakt van een ‘Natuurlyke Historie’ bij Schneider waarvan te hopen is dat het mooi is vertaald en uitgevoerd.[59-74]

OVER DE KRAGT EN DUURZAAMHEID VAN HET VERMAAK EN DE SMART, DOOR DEN HEER MERIAN (vertaald uit de Memoires de l’Acadm. des Scienc. et Bell. Lett. de Berlin, p. 381-400, 1766) [75-102]
noemt mallebranche 92, met een opmerking dat niemand zich zou bezatten als de hoofdpijn eerst kwam.

In een stuk over een werk van Suszmilch [293-309] wordt verteld hoe hij de bewering dat in het romeinse rijk door het christendom op een gegeven moment minder bevolkingsgroei was – ivm echtscheidingen – onderzocht [300]

Des Kartes meermaalsgenoemd in het vervolg van een stuk over de ontdekkingen van Newton [327-336], in het vervolg [450-462] wordt ook spinoza erbij gehaald, spinozisme wordt door “De heer Leibnitz zelf noemt de Spinozistery een te ver getrokkene Kartesianery. [451]
Claimt op blz 453 dat Newton genoeg is om Spinoza’s leerredenen te weerleggen

Over het dansen op het graf van Gellert van een zeker jong Duits kunstenaar 474

497 inleiding van de “DE NATUUR. Tweede Beschouwing” wordt verklapt dat deze (net als de eerste) het werk zijn van Buffon [497-518]

538 Vertoog over het bijgeloof opent met een motto van Buckingham, citeert Fontenelle. En ook ‘het gezag van Aristoteles hield de waarheid buiten’
citeert ook op 552 een schrijver die “Opdragt voor de vrye n redelyke Godsdienst {Leiden 1772) heeft geproduceerd. stukje ondertekend met V.E. [558]

« Vorige pagina — Volgende pagina »