« Vorige pagina — Volgende pagina »

locke 5
montaigne 8
hobbes 9
“DE GENEEFSCHE PHILOSOOPH” en “zyne sombere Verhandeling over den oorsprong der ongelykheid.

“Gedachten over het interesseerende in ’t schrijven noemt op blz 34 Pope, Shakespeare, Dufft, Longinus en 41 kleist en gray en hurd op 43. In het tweede deel [250-292] wordt verezen naar Clarissa [275]

REDEVOERING OVER DEN STYL, DOOR DEN HEER DE BUFFON (vertaald, naar een rede uit 1753, wordt melding gemaakt van een ‘Natuurlyke Historie’ bij Schneider waarvan te hopen is dat het mooi is vertaald en uitgevoerd.[59-74]

OVER DE KRAGT EN DUURZAAMHEID VAN HET VERMAAK EN DE SMART, DOOR DEN HEER MERIAN (vertaald uit de Memoires de l’Acadm. des Scienc. et Bell. Lett. de Berlin, p. 381-400, 1766) [75-102]
noemt mallebranche 92, met een opmerking dat niemand zich zou bezatten als de hoofdpijn eerst kwam.

In een stuk over een werk van Suszmilch [293-309] wordt verteld hoe hij de bewering dat in het romeinse rijk door het christendom op een gegeven moment minder bevolkingsgroei was – ivm echtscheidingen – onderzocht [300]

Des Kartes meermaalsgenoemd in het vervolg van een stuk over de ontdekkingen van Newton [327-336], in het vervolg [450-462] wordt ook spinoza erbij gehaald, spinozisme wordt door “De heer Leibnitz zelf noemt de Spinozistery een te ver getrokkene Kartesianery. [451]
Claimt op blz 453 dat Newton genoeg is om Spinoza’s leerredenen te weerleggen

Over het dansen op het graf van Gellert van een zeker jong Duits kunstenaar 474

497 inleiding van de “DE NATUUR. Tweede Beschouwing” wordt verklapt dat deze (net als de eerste) het werk zijn van Buffon [497-518]

538 Vertoog over het bijgeloof opent met een motto van Buckingham, citeert Fontenelle. En ook ‘het gezag van Aristoteles hield de waarheid buiten’
citeert ook op 552 een schrijver die “Opdragt voor de vrye n redelyke Godsdienst {Leiden 1772) heeft geproduceerd. stukje ondertekend met V.E. [558]

inleidend verhaal vertelt de Rhapsodist hoe hij zich ergerde aan de vaste maat voor spectatoriale tekstjes [2] en dat hij zich heeft laten inspireren door Rabener, en op bladzijde 9 en 10 zien we tien “WETTEN VAN DE MAATSCHAPPY DER RHAPSODISTEN”,
1. plaatsen van stukken die óf “tot voordeel van drukker en schrijveren en tot nut en vermaak der Lezeren”
2. geen vergaderin, geen ledenverkiezingen
3. iedereen die instuurt is automatisch lid, maar naam hoeft niet bekend te worden
4. alle onderwerpen, zolang het maar aangenaam is en niet strydig met de goede zeden [9-10]
5. zowel vertalingen als eigene vindingen
6. anoniem indien gewenst
7. beloning mag je zelf bedingen
8. uniformiteit in letter, papier en zelfde letter en breedte van randen
9. je mag exemplaren vragen, maar dan niet zeggen dat je niet beloond bent
10. uitgavemoment ligt niet van te voren vast. niet te snel iig. [10]

“uw d.w. dienaar, blandus feci.
c”
is de ondertekening van het eerste stukje over de rhapsodist [19]

melig: register zonder boek! [20-40]

Pope is terug in een stukje “Waardeering van het menschelyk leven” [41-53]

Niet bang om Rousseau te citeren, wel met een waarschuwing in “HET CHRISTENDOM VAN DEN HEER J. J. ROUSSEAU” een verzameling citaten uit Rousseaus werk in een dialoog met een CHINEESCH [58-68]

Levensbeschrijving van Moliere [69-93]

esprit des loix aangehaald in een lofzang op de welsprekenheid der schoone sexe [94-102]

VERSLAG DER KERKELYKE REDEVOERINGEN VAN PROFESSOR CHEAVLIER”[154-188] 2x [231-255]

“VErdRAAGZAAMHEID” naar M. De Romilly, le fils [384-412]
haalt l’Esprit Des Loix aan [409]

Hekelschriften-brief van Rabener uit de andere wereld [413-425]
looft Voltaire en Rousseau [423]

“De MAATSCHAPPIJ. Een troglodytische vertelling” [426-440]
noemt montesquieu en littleton

In de “Levensbeschrijving van den heer de Voltaire (uit het Rabbynsch)” wordt deze geprezen, maar ‘lees hem met voorzigtigheid myn Broeder, en leeszyne vroegste schriften’ [455]
l’ecossoise wordt hier aan Voltaire toegschreven[452]

VERSLAG DER PRYSVERHANDELING OVER DEN WEDERKEERIGEN INVLOED VAN DE AANGENOMEN BEGRIPPEN ONDEr EEN VOLK OP DE NATIONAALE TAAL EN VAN DE TAAL OP DE NATIONAALE WYZE VAN DENKEN, ENZ. DOOR DEN HEER JOH. DAV. MICHAëLIS. [509-539] van van engelens vertaling gedrukt bij van der plaats

In de Nederlandse Bibliotheek, derde deels, eerste stuk.

UITTREKZELS EN BEOORDEELINGEN VAN BOEKEN.

“Verhandeling over de natuur en Onveranderlijkheid der Waarheid, in tegenstelling der Sophisterij en Twijfelaarij. Uit het Engelsch van den heer JAMES BEATTIE, LL. D. Hooleeraar in de Natuurlijke Wijsgeerte en Redeneerkunde in het Marischals Collegie aan de Universiteit van Aberdeen, vertaald, en met de verbeeteringen en Vermeerderingen van den Autheur verrijkt, en na de laaste uitgaave nagezien door PETRUS GERARDUS DUKER, onder de inspreuk van Juvenlais: Nunquam aliud Natura, aliud Sapientia dixit.
Te Utregt bij J. C. ten Bosch, 1773. in gr. 8vo. Behalven de Vorreden [sic] van den Vertaaler en Inhoud der Hoofdstukken, 606 bladz. De Prij is f 2: 10: -”

in De Nederlandsche Bibliotheek(, waar in beoordeelingen en berigten van verscheidene boeken en kleindere geschriften, benevens eenige mengelstukken worden opgegeeven. Alles tot bevordering van Geleerdheid en Weetenschappen, en voornaamelijk in gerigt tot Bevestiging en Verdediging van den Christelijken Godsdienst in ’t gemeen, en van den Gereformeerden in ’t bijzonder. Candide et Modeste.)
Derden Deels (1775) Eerste Stuk

[305]
De stoffelijke wereld (mundus materialis) brengt somtijds dingen voort, welke van de gelijkformigheid, waar med de natuur gewoon is te werken, wat heel veel afwijken, en die men daar gewoon is monsters te noemen. Dit gebeurt evenwel maar somtijds, op dat men de wijsheid en goedheid van den Formeerder van alles niet zou verdenken. En, als het gebeurt, dan worden zulke wanschepsels van de verstandige wereld (mundus intellectualis) vel bewonderd, en wanneer ze tegelijk ook tot die wereld behooren, van de overige menschen wel beklaagd, als of de natuur hn ongelijk had aangedaan; maar niemand is egter dwaas genoeg, om gedrogten voor wezenlijke schoonheden aan te zien, schoon ze, in ’t algemeen oogmerk van den wijzen Bouwmeester van ’t Geheel-al, zoo min als andere dingen, niet te vergeefsch zijn.
Maar wie zou ooit hebben kunnen denken, dat ‘er, in de verstandige wereld zelve, schepsels waren, die zichzelven tot zulke monsters makten, en dan nog voor schoonheden van den eersten rang wilden doorgaan? En evenwel van lange tijden herwaarts wierden ‘er de zulken onder het geslagt der menschen gevonden, die zich uitgaven [306] voor wijze, daar zij dwaas waren, en zich zelven als de verstandigste van allen aanmerkten, en van anderen wilden aangemerkt worden, wanneer zij voorgaven niets te verstaan.
PYRRHO van Helia, een leerling van Anaxarchus, van een schilder een Wijsgeer geworden, omtrent 300 jaaren voor de geboorte van CHRISTUS, wordt, hoewel misschien ten onregte, voor den stamvader van dit gedrogtelijk geslagt gehouden. Waarom het gevoelen van deeze wonderlijke Secte van hem, ook nog heden, den naam heeft, Pyrrhonismus, dat het zelfde wil zeggen als Septicismus [sic], twijffelarij. Sedert schijnt dezelve niet alleen in stand gebleeven te zijn, maar ook zoo zeer vermeerderd, dat ze voor den Godsdienst zelfs gevaarlijk geworden is; dewijl ‘er zich menschen onder bevinden, die, daar ze in andere weetenschappen toonen bekwaam genoeg te wezen, om het waare van het valsche te onderscheiden, uit dit beginzel, als het zoo genoemd mag worden, durven bestaan den Godsdienst, en de Godheid zelfs, te bestrijden.
Geschiedde dit alleen met woorden, bij menschen, daar het geen kwaad kan doen, men zou het, als gedogtelijke wartaal, kunnen verachten. Maar nu het in openbaar geschrift, met den opschik van valschelijk genaamde Weetenschap, wordt voorgesteld, is elk Christen, en alle die de waarheid beminnen, verpligt zich hier tegen te zetten.
Zoo begreep het ook de Heer BEATTIE, Hoogleeraar in de Natuurlijke Wijsgeerte en Redeneerkunde op pde Hoogeschool te Aberdeen, in Schotland. En dit deed hem, alzoo dit kwaad in het kongingrijk van Groot Brittannien, misschien meer dan elders, veld begint te winnen, de pen daar tegen op te vatten, en dit Vertoog over de Waarheid schrijven, waar van de volledige Titel hier boven staat.
Het werk schijnt het geluk gehad te hebben, dat het, wegens den goeden aftrek, in ’t Engelsch, verscheiden maalen gedrukt is, waarom het dan ook te minder aanprijzing behoeft.
Om dat het evenwel nu, voor de eerstemaal in ’t Neerlandsch te voorschijn komt, is het zelve voorzien met een korte Voorreden, welke ten meesten deele bestaat uit een Brief aan den Heer Vertaaler van den Wel Eerwaarden Heer R. BROWN S. S. Th. D. en Predikant in de [307] Engelsche Gemeente te Utregt, welke het zelve tot geen gemeenen lof verstrekt.
Wat het Werk zelve aangaat. Uit den algemeenen Inhoud, welke terstond agter de Voorreden volgt, blijkt, dat het bestaat uit drie Deelen, ieder in verscheidene Hoofdstukken verdeeld, die wederom, wat de twee eerste betreft, hunne bijzondere onderscheidingen hebben. En het is, zoo als de Schrijver betuigt in de Inleidinge bladz. 21 geen vroegrijpe vrugt van losse en schielijk opkomende gedagten, maar van een welbekookte redeneering; een arbeid van verscheiden jaaren, waar over de schranderste Wijsgeeren van deeze eeuw zijn geraadpleegd.
Wij zullen tragten aan onze Leezers een geleidelijk denkbeeld van het zelve te geeven, en hier en daar ons oordeel zediglijk, maar opregt geeven.
Het eerste dat ons in dit Werk voorkomt, is een gepaste en leezenswaardige Inleiding, welke loopt van bladz. 1 tot 22. In dezelve vindt men, behalven een onpartijdige, en niet onverstandige beöordeling van de voordeelen, welke de tegenwoordige eeuw, ten aanzien van sommige weetenschappen, heeft, boven de voorgaande, en van sommige Schrijvers, en derzelver prijslijke en laakbare hoedanigheden, eene ontvouwing van het oogmerk deezes Geschrits, ’t welk is, om de Twijffelarij, als geheel nutteloos voor waarheid en deugd, ja daar aan ten hoogsten nadeelig, ten toon te stelln, en daar en tegen zulke gronden van zekerheid aan te wijzen, die zonder dat ze een spitsvindige navorsching vereischen, als van zelve voortvloeien uit een oplettend onderzoek van ons eigen hart en gewaarwordingen, en behoorlijke achtgeeving op het gedrag van andere menschen, die met ons in een onderlinge betrekking staan, ten einde de losbandigheid, waar toe deeze eeuw zoo genegen is, tegen te gaan, en met de Goddelijke openbaring, die het leven en de onsterflijkheid aan het licht heeft gebragt, in het aanwijzen van de noodzaaklijkheid eenes toekomenden staats, mede te werken, en daar aan dienstbaar te wezen.
Die Inleiding eindigt met deeze betuiging: “Indien dit stuk, ’t welk hij” (t. w. de Schrijver) “hoopt dat van niemand onbeziens zal veroordeeld worden, eenig licht aan de eerste grondstellingen der Zedekunde mocht bijzetten; indien het den jongen en onbedachtzaamen [308] eenige behoedzaameid mocht inboezemen tegen die bediegelijke redenerings-wijs en losbandigheid van beginselen, welke de verkeering en de schriften deezer eeuw maar al te veel aansteken; indien het, eenigermaate, iets mocht toebrengen tot het genoegen van sommige waarheid en deugdminnaaren; zoo zal zijn oogmerk volkomen beantwoord zijn: en hij zal zich, tot het einde zijns levens, verheugen in de herinnering van den moeilijken arbeid, aan welken hij tot het onderzoek van dit allergewichtigst geschil, zoo veele uuren besteed heeft”.
De Hoogleeraar zijn Werk, gelijk gezegd is, in drie Deelenverdeeld, en reden van die verdeeling gegeeven hebbende, maakt een aanvang in het eerste Deel, van den Proefregel der Waarheid.
Om deezen aan te wijzen, bepaalt hij in het eerste Hoofdstuk van dit Deel vrij nauwkeurig en verstaanbaar verscheiden kundigheden, die veel invloed hebben op dit Vertoog over de Waarheid. Inzondrheid bepaalt de Heer BEATTIE zich tot het groot onderscheid, dat er is tusschen de kennis van sommige waarheden door gevolgtrekkingen uit andere bekender, met behulp van de Reden, en de kennis van andere waarheden, axiomata, (bijvoorbeeld dat 2 en 2, geen 5 of 6, maar 4 zijn, dat een geheel, ’t welk uit veele deelen bestaat, grooter is dan één van die deelen, en meer andere soortgelijke waarheden,) door gemeen natuurlijk begrip, (common sense, in ’t Engelsch,). En wat hij daar door verstaat geeft hij bevattelijk genoeg te kennen bladz. 43 en 44. naamelijk: “een vermogen van den geest, het welk de waarheid gewaar wordt, of het geloof afvordert, niet door een voortgaande redeneering, maar door een oogenblikkelijken, natuurdriftelijken, en onweerstaanbaren aandrang; een vermogen, het welk zijn oorsprong noch uit de opvoeding noch uit de gewoonte heeft, maar alleen uit de natuur zelve; het welk onafhangelijk op onze ziel werkt, zoo dikwils het zijn voorwerp ontmoet, overeenkomstig een vastgestelde wet-; en het welk op gelijke wijs op een ieder werkt, of ten minsten op verre het grootste gedeelte der menschen, en daarom eigenlijk (common sense) gemeene zin genaamd word.”
Dan, na het onderscheid deezer twee vermogens van onze ziel, de Reden, en dit gemeen natuurlijk Begrip, te hebben aangetoond, en ook hunne verknogtheid en onderlinge afhanklijkheid, benevens de uitgestrektheid van elks grondgebied, gelijk hij zich uitrukt, waar in fraaije aanmerkingen tegen BERKELEY en HUME, twee bekende Twijffelaars in Engeland te vinden zijn, besluit hij dit Hoofdstuk met te zeggen: “Ik ben in staat om aan te toonen, dat, zoo wij niet een menigte dingen zonder bewijs gelooven, wij niemmer iets, hoe genaamd, zullen gelooven kunnen; want dat alle gezonde redeneering eindelijk steunen moet op de grondstellingen van het gemeen natuurlijk begrip, [309] dat is, op zulke grondstellingen, die beschouwelijk zeker, of beschouwelijk waarschijnlijk zijn, en bij gevolgd dat het gemeen natuurlijk begrip de laatstee en beslissende rechter der waarheid is, aan welke de Rede gestadig in haare werkinge moet onderschikt blijven.”
Dit belooft de Aucteur bij een onwraakbare afleidin van bijzondere stukken te zullen bewijzen. En daar toe dient het tweede Hoofdstuk, ’t welk in negen Afdeelingen, Stukken van den Schrijver genoemd, verdeeld is.
Dat ‘er zeekere eerste waarheden zijn, die geen betoog, hoe genoaamd, toelaaten, en daar ook geen meerder zekerheid, of klaarheid, kunnen ontfangen, dan zij van zelve hebben door een ingeschapen natuurdrift om ze toe te stemmen, die aan alle menschen gemeen is, wordt in het eerste Stuk getoond plaats te hebben in alle Wiskundige Redeneering.
In het tweede Stuk, beroept de Schrijver zich op het getuigenis der uitwendige zinnen van het gehoor, het gezigt, het gevoel, den reuk, en den smaak. en de tegenwerping, ontleend van de bedrieglijkheid onzer zinnen, in sommige omstandigheden, wordt overtuigend opgelost.
In het derde Stuk wordt gesprooken van het getuigenis des inwendigen gevoels, het welk, met overtuigende redenen, wordt aangetoond dat wij niet kunnen loochenen, zonder onze natuur geweld aan te doen.
Hier is bijzonder aanmerklijk bladz. 80-98. de verstandige redeneering, zoo in den text, als in eene aanteekening op de eerstgenoemde bladz. over de aanwezigheid en eenzelvigheid van onze ziel niet alleen, maar, wat het laatste aangaat, ook zelfs van onze lichaamen, oná¤angezien de geduurige veranderingen, welke de laatste ondergaan. Eene zaak die waardig is in het Boek zelve [310] geleezen te worden, om dat ze veel licht geeft tot oplossing van de zwaarigheid omtrent de opstanding van dezelve lichaamen ten jongste dage, ten aanzien van de vernieuwde hoedanigheden, welke die als dan zullen hebben, schoon de Aucteur ‘er tot dat einde geen gebruik van maakt.
’t Vierde Stuk spreekt, ten zelfden einde, van het getuigenis des Geheugens en bevat fraaije aanmerkingen over het verschil tusschn het Geheugen en de Verbeeldingskragt.
In het vijfde Stuk wordt onwederspreeklijk aangetoond dat de zetregel: “alles wat begint aanweezig te zijn komt van een oorzaak voort” beschouwelijk zeeker is. Dat is te zeggen, dat zij door geen bewijsreden of middel van betoog, klaarblijkelijker kan gemaakt worden, dan zij is, wanneer het verstand dezelve eerst ontwaar wordt; ’t welk vervolgens tegen den Heer HUME wordt aangedrongen. En ‘er wordt bladz. 122-132 een voortreffelijk gebruik van gemaakt tegen de Ongodisten in ’t gemeen, en den genoemden HUME in ’t bijzonder om uit de werken der Scheppinge het eeuwig vermogen en de Godheid des Scheppers aan te toonen.
Dit stuk wordt besloten met den Leezer te wijzen op een Boek, dat het licht reeds zag voor dat HUME’S Verhandeling over de menschelijke natuur in de wereld was. En, dewijl de Schrijver zich dus van deezen Ongodist afmaakt, verschoont hij zich deswegens, en eindgit met deeze opmerkelijke woorden: “Het is bij ongelovige Schrijvers langen tijd de mode geweest (evenwel minder bij eezen Schrijven dan bij verscheiden anderen) om tegenwerpingen tegen den Godsdienst, die meer dan eens en onbeá¤ntwoordelijk wederlegd zijn, als hunne eigene en als geheel en al nieuwe op te geeven. Deeze kunstgeep geeft hunne leerlingen geen aanstoot: zoo die Heeren al iets leezen, bepaalen zij hunnen naspooringen in ’t algemeen tot den eenen kant des geschils: en de Schrijvers zelve haalen ‘er ten opzigt van tijd en uitvining vrij veel mede uit.”

Hier op volgt het zesde Stuk, waar in de redeneering uit waarschijnlijkheid of ondervinding overwogen wordt. En de Schrijver haalt bladz. 137, ter opheldering van zijne gezegdens hier over, eenige regels aan uit MILTON’s Paradijs Verloren, welke hij oordeelt te gelijk uitneemend schoon, en juist wijsgeerig te wezen. Vooral wil hij de aandagt zijner Leezeren bepaalen bij die woorden van MILTON, ter uitbeelding van ’t geen ‘er in Adam’s gemoed omging, toen hij voor de eerste maal uit den slaap ontwaakte.

“Ik was gerust en onbekommerd / Schoon ‘k warlijk dagt, dat ik weer tot mijn eersten staat / Van ongevoel, en tot vernietingeing verviel”

“Adam”(zegt de Schrijver van dit Vertoog hier op,) had ter deezer tijd geen ondervinding van slaap en daarom kon hij met geen waarschijnlijkheid verwachten, dat hij ‘er uit ontwaaken zou. De aannaderingen van den slaap waren met diergelijke gevoelens vergezeld, als hij bij zijn ontwaaken ten levenhad ondervonden, en moeste dat denkbeeld natuurlijker wijze in zijn geest doen opkomen; en terwijl hij geene reden had om te verwachten, dat zijn leven zou blijven duuren, moesten zij hem doen zien hoe waarschijnlijk het was dat hij zich wederom op den kant een’s ongevoeligen staats bevond”
En op het einde der aanteekening, onde raan de bladzijde, zegt de Heer BEATTIE: “ik weet niet wat misschien anderen denken, maar het komt mij wonderlijk schoon en natuurlijk voor.”
Edoch hier moeten wij bekennen, dat wij dat wonderlijk schoone en natuurlijk in MILTON’s woorden niet kunnen vinden.
De woorden zelve schijnen ons iets tegenstrijdigs in zich te behelzen; want, hoe kon gerustheid en onbekommertheid, in den geest van Adam, met zulke gedagten, als MILTON aan hem toeschrijft, samen gaan?
En nog minder schijnen ons zulke gedagten te strooken met ADAM’s kennis, in dn staat der regtheid, (want daar in was hij toen nog, gelijk blijkt uit Gen. 2:21-25), van God en zijne betrekkinge op God, en de belofte van leven, zoo lang hij niet zondigde, aan hem gedaan. MOSES boezemt ons in zijn verhaal van ADAMS bedrijf, na zijne eerste ontwaaking uit dien diepen slaap, welke de Heere op hem deed vallen, geheel andere gedagten van hem in, dan die Engelsche Heldendigter aan hem toeschrijft.
Dit waren wij aan de waarheid schuldig hier aan te teekenen, maar voegen ‘er bij, dat het de kragt van ’s Schrijvers overige redeneeringen, in dit stuk, niet het allerminste benadeelt.
Het zevende Stuk heeft tot onderwerp, het redeneeren uit Evengeá¤artheid of Analogie, alwaar de redeneering van den Schrijver, als Hoogleeraar in de Natuurkunde, over de Waarschijnlijkheid, dat de Planeeten zoo wel als onze Aarde door levendige Schepselen bewoond worden, voor kundige menschen niet aanstootelijk zal weezen. ’t Is ook maar eene gelijkenis, die al houdt imeand ze niet voor waaragtig, egter aaan het bewijs in et algemeen geenzins te kort doet.
In het agtste Stuk wordt gesprooken van het het vertrouwen, dat men gewoonlijk stelt in het getuigenis van anderen. En de Schrijver vergeet zijne Leezers te doen opmerken den invloed, welke dit stuk heeft oop onze gevoelens van Godsdienst, en op onze Gechiedkundige kennis. ’t Welk voortreflijk van hem wordt uitgevoerd.
Eindelijk wordt, in het negende Stuk, dit alles tot een besluit gebragt. De Schrijver trekt zijne redeneeringen bij een, heldert ze op, en verdedigt ze tegen verscheidene bedenkingen. Waar in vooral leezenswaardig is, ’t geen de Aucteur aanmerkt bladz. 160, enz. tot wederlegging van dat ijdel voorgeeven der Ongodisten, als of de Twijffelarij, beter dan de Godsdienst, geschikt was, “om de bloeddorstige grondstellingen der bijgeloovigheid en geestdrijverij te doen ruimen, voor de zachte en onschadelijke beginselen der twijffelaarij en gematigdheid.” ’t Welk verdient in het werk zelve geleezen te worden.
De Hoogleeraar tot dus verre met zijn Vertoog over de Waarheid gevorderd zijnde, begint nu zijn Tweede Deel, waar in voorkomen: Ophelderingen der voorige Leere, met Gevolgtrekkingen.
Het bestaat uit drie Hoofdstukken, waar van de twee eerste wederom verscheidene afdeelingen hebben. Na vooraf gezegd te hebben, wat zijn voornaamste taak in dit Deel wezen zal, en hoe hij daar in wil te werk gaan, begint hij het eerste Hoofdstuk, behelzende een bevestiging zijner Leere uit de beöeffening der Wis- en Natuurkundigen.
Het eerste Stuk dient, om aan te toonen, en doet zulks ook volkomen, dat het in elke Weetenschap, zoo wel als in de Meetkunde, beide met de redeneerkunde en het gezond verstand bestaanbaar is, dat geen voor een beslissend beginsel te houden, ’t welk ons, door zijn eigen inwendige [313] klaarblijkelijkheid, het geloof afperst, en door geen redenen klaarblijkelijker kan gemaakt worden.
En de kundige Schrijver voer hier de Twijffelaars met hunne eigene woorden spreekende in, op eene wijze, die alle opmerking verdient, om het dwaaze, en niet alleen den Godsdienst, maar zelfs alle eerlijkheid en deugd verwoestende, dat in de Twijfelarij is, regt te bevatten, en daar over met verfoeinge aangedaan te worden.
Het tweede Stuk ruimt die tegenwerpingen weg, die uit de natuurlijke Wijsgeerte tegen deeze Leere kunnen ontleend worden.
Het derde Stuk, waar mede dit eerste Hoofdstukeindigt, is een vervolg op het voorgaande, en stelt eenige onderscheidene soorten van beschouwelijke zekerheid voor. Ter deezer gelegenheid berigt de Schrijver ons bladz. 241 en 242 dat hij, tot oplossing van de tegenwerping uit het verschillend oordeel over het geen men deugd noemt, in verscheidene Landstreeken, onder verschillende Godsdiensten, Regeeringsformen, en Zeden, veel moeite genomen heeft, zoo ten aanzien van de geschiedkundige daadelijkheden, daar men zich op beroept, als ten opzigt van de bewijzen, die men daar uit ontleent, ’t welk tot een geheele Verhandeling is uitgedijd, welke hij niet terug meent te houden, indien het wel gelukken van zijne tegenwoordige pooging hem eenigen grond geeft, om te hoopen dat zij van nut mag zijn.
Wij kunnen bij deeze gelegenheid niet nalaaten den bekwaamen Vertaaler van dit tegenwoordige werk, zoo die beloofde Verhandeling in ’t Engelsch reeds het licht ziet, ten nutte van het Gemeen te verzoeken, dezelve onze Landgenooten niet te willen onthouden, gelijk wij, voor ons zelven, bekennen, daar na, als naar een stuk van zeer veel aanbelang, te verlangen.
In het tweede Hoofdstuk wordt de dwaasheid der twijffelschijvers ten toon gesteld. En het eerste Stuk behelst Algemeene Aanmerkingen, en den Oorsprong en Voortgang der Hedendaagsche Twijffelaarij.
In het zelve toont de zeer geleerde Schrijver, dat hij niet alleen eene uitgebreide Geschiedkundige kennis van de gevoelens der oude en hedendaagsche Wijsgeeren bezit, maar dat hij ze ook in haare waardij en schadelijkheid nauwkeurig weet te beöordelen. Alleenlijk boezemt hij misschien, in dit Vertoog, den Leezer denkbeelden [314] in van den Heidenschen SOCRATES, welke hem wat te veel eer ’s aandoen.
In het tweede Stuk wordt de inbeelding van de meesterlijk ten toon gesteld, en aangewezen, dat iemand, die belijdenis van deeze dwaaze leere doet, en nogthans in de gemeene zaaken des levens te werk gaat gelijk een ander, zoo als zij alle doen, die dit voorgeeven, geen geloof verdient, gelijk ook, dat dit heilloos gevoelen, als het algemeen wierdt, dat het egter nooit worden kan, voor de menschelijke natuur, zoo wel als voor de weetenschappen, doodeijk zou wezen. [ is dit een soort nihilisme avant la lettre? ]
Het derde Stuk is het grootste van allen, en beslaat 83 bladzijden in dit werk. De zaak, daar het van handelt, verdiende ook een breedvoeriger ontvouwing, als raakende het redelijk gedrag der menscen, ’t welk noch lof, noch strafwaardig geoordeeld kan wordne, ten zij ieder mensch, inhet doen van deugd of ondeugd, niet uit bedwang of noodzaaklijkheid, maar als een vrij werkend wezen is aan te merken.
Ten dien einde wordt in dit Stuk gehandeld van de Vrijheid en Noodzaaklijkheid. En het oogmerk van den Schrijver is, zoo als klaar blijkt, niet anders dan om tegen de Ongodisten te betoogen, dat de menschen, om dat zij onbedwongen, en uit eigene beweeginge, doen het geen zij doen, en ook laaten dat zij niet begeeren te doen, aanspraalijk zijn voor hunen daaden, en dus, ten aanzien van God, en van de menschen, bevoegde voorwerpen zijn van belooningen, en ook van straffen.
De Aucteur spreekt over deeze zaak, die buiten tegenspraak, van het grootste belan, en aan geen geringe duisterheden onderworpen is, overeenkomstig zijne beginselen, vrij klaar, en toont uit het gemeen natuurlijk begrip, dat, in weerwil van Overnatuurkundige Sophisterij, tot nog toe de overhand behouden heeft, en ook wel zal blijven behouden het gevoelen, dat deze vrijheid van den wil, als ze dien naam zal behouden, niet is af te scheiden.
In zoo verre dan stemmen wij den geëerden Schrijver toe. Maar of hij evenwel dit stuk wel altijd in het midden van den paden des regts gebleeven zij, is een andere vraa. En, als wij ons gevoelen regt uit en zonder bewimpeling zullen zeggen, dan schijnt het ons ook toe [315] dat des Schrijvers uitdrukkingen over deeze zaak, ier en daar, noch met de gezonde Wijsgeerte, noch met de Godgeleerdheid, zoo als die in de Gereformeerde Kerk, waar toe hij behoort, beleden wordt, genoeg overeenkomen. Eene noodzaaklijkheid, die alleen maar eene zekerheid der uitkomst bestaat, en door beweegredenen wordt veroorzaakt, wordt niet enoeg van eene noodzaaklijkheid, die door dwang wordt opgelegd, onderscheiden; en de tegenstelling tusschen noodzaaklijk en vrij wordt veel te algemeen gemaakt; de vrijheid ook wordt in een verkeerd licht voorgesteld, als of ze in onverschilligheid bestond, en enkel toevalligheid was.
Tot een staaltje van dit ons gezegde beroepen wij ons op de wijze, waar van de Aucteur zich bladz. 409. bedient, om ’s menschen vrijheid overeen te brengen met de Goddelijke Voorkennis. Dus laat hij zich hier over uit: “Gelijk men de macht Gods niet verkort, wanneer men zegt, dat Hij geene onmogelijkheden kan doen; zoo verkorten wij, denk ik, zijne kennis niet, als wij zeggen, dat Hij NB. niet als zeker voorzien kan, ’t geen wezendlijk niet zeker, maar alleen toevallig is. “-
Wij bekennen zulk eene Voorkennis zonder zekerheid in God, ja zelfs in de menschen, niet te kunnen bevatte, zoo die Voorkennis niet in eene onzeekere gissing veranderen zal; te minder kunnen wij dat doen, als egte Gereformeerden, welke gewoon zijn de Scientia Visionis de kennis des gezichts, in God, af te leiden van zijn onveranderlijk besluit en geen toevalligheid, aan de zijde Gods, ergens in erkennen, en dat ook aan onze kinderen en leerlingen, bij de allereerste beginselen der zaligmakende leere trachten in te boezemn.
Wij willen dit nothans gaarn aan eene te sterke vooringenomenheid van den Heer BEATTIE met zijne beginselen, en tegen alle Overnatuurkundige redeneeringen toeschrijven, liever dan aan eene opzettelijke afwijking van de Hervoermde Leer. En het Stuk zelve, voor zoo verre als het de Ongodisten raakt, houdt daarom niet op leezenswaardig te wezen.
Het derde en laatste Hoofdstuk deezes tweeden Deels behelst niets dan eene toepassing van het hoofdzaaklijke der voorgaande ophelderingen op het voornaam oogmerk deezer Verhandeling. [316]
Op deeze twee Deelen laat de Heer BEATTIE nog een derde volgen, waar in hij ‘er zijn werk van maakt, om de tegenwerpingen tegen zijne leere, in ’t voorgaande gestaafd, te beá¤ntwoorden. Als: “dat dezelve zou strekken, om den mensch van de Vrijheid van onderzoek af te schrikken, en een ingewikkeld Geloof te bevorderen”als mede “(dit is een andere tegenwerping) “dat zij eene wederleggins-wijze schijnt aan te prijzen, die niet allernauwkeurigst met de redeneerkunde overeenstemt, en dat zij in der daad eenige der gevestigde wetten deezer weetenschap tegenspreekt”
De beantwoording hier van maakt den inhoud uit van het eerste Hoofdstuk deezes Deels. En de Leezer zal ‘er veele oordeelkundige en nuttige aanmeringen in vinden over het redentwisten der oude en nieuwe Schoolgeleerden, toegepast op de zeer gewoone wijze van samenspreeken in sommige hedendaagsche gezelschappen, die aangelegd schijnen, om een gevoelen, dat men heeft aangenomen, tegen zijn partij staande te houden, maar niet om het verstanden het hart van zich zelven, of van een ander, te verbeteren. [anti-sofisterij-gekibbel]
Dit onderwerp wordt in het tweede Hoofdstuk vervolgd; en de Overnatuurkunde, Metaphysica, (van welk woord bladz. 463 een oorsrpong, die misschien aan veelen niet bekend zal zijn, wordt aangeweezen,) wordt naar het gevoelen, dat de Heer BEATTIE daar van heeft, en dat aan deeze weetenschap, (’t welk zij nogthans, onzes oordeels, niet verdient,) de grootste eer niet aandoet, op haare waarde gesteld; en de oorzaken van de verbastering der zedenkundige weetenschappen worden aangetoond.
Bij deeze gelegenheid laat de Aucteur zich in ’t breede uit over het misbruik der woorde, die eene verschillende beteekenis hebben, om de zaaken, daar zij van gebruikt worden, in een verkeerd licht voor te stellen. In dit opzigte is het kunstje waar van HUME, en zijns gelijken, naar des Schrijvers opgave, zich bedienen, zeer opmerkelijk, en de levendigheid waar mede het wordt voorgesteld bladz. 505 en 506 maakt het leezenswaardig. Wij zouden het hier gaarn woordelijk inlasschen; maar dewijl dit berigt alreede vrij groot geworden is, wijzen wij onze leezers tot het werk zelve. Wanneer zij zullen bevinden, dat de geest der Ongodisterij [317] hier vrij wel wordt afgebeeld. Terwijl de Schrijver in dit gantsche Hoofdstuk betoont eene doordringendheid van oordeel te bezitten, en meer dan oppervlakkige kennis van de bijzondere stelsels der Wijgeeren, zoo oudere als nieuwen.
Egter kunnen wij niet voorbij te melden, dat het ons ergert eenen ROUSSEAU al mede onder de zedelijke Schrijvers van een waar vernuft te vinden opgeteld, uit welke men wijsheid kan leeren, die het hartdoet opspringen van vreugde over de verhevene en gelukkige poogingen des menschelijken versand, zoo als de Schrijver zich gelieft uit te drukken bladz. 513. Alwaar sommige van des Heeren BEATTIE’s vriende zelve misschien niet zeer gestigt zullen wezen, dat de groote LEIBNITZ met SPINOSA, en die niet beter zijn, met HUME en HOBBES, wordt gelijk gesteld.
Eindelijk brengt de Heer BEATTIE in het derde Hoofdstuk zijnen leezer onder het oog de zeer verderflijke gevolgen van het Scepticismus, en het Fatalismus, Twijffelarij en Noodlottighid. en hier is hij inzonderheid vol vuur en levendigheid.
Ten besluite laat de Heer BEATTIE op al het gezegde over de Waarheid nog volgen eene Na-rede, waar in hij zich verdedigt wegens het geen, sedert de eerste uitgave van dit zijn Boek, tegen het zelve is ingebragt.
En deeze Na-rede is zoo wel als al het voorgaande leezenswaardig voor Liefhebbers van den Godsdienst, welke ook een bijzonder genoegen zullen neemen in des Schrijvers beoordeeling van den berugten VOLTAIRE, welke voorkomt bladz. 595 en 596.
Maar die onbepaalde vrijheid, in spreeken en schrijven, welke de Aucteur bladz. 599. telt onder de hooge Voorregten van Groot Brittannien, zal een opregt aanklever aan Nederlands Burgerlijke en Godsdienstige constitutie wel voor die Natie willen overlaaten.
Onze aanmerkingen over dit Werk zijn wat uitgebreider geworden, dan wij in ’t eerst dagten, om dat het ons onder het leezen, en wij hebben dit ten aanzien van de voornaamste Hoofdstukken meer dan eens gedaan, voorkwam van te veel aanbelang te wezen, om ‘er onze Leezers niet een geleidelijk denkbeeld van te geeven.
Uitgezonderd eenige weinige bedenkelijkheden, welke wij hebben aangeweezen, is het zelve op eene treffelijke wijze [318] uitgevoerd, die eenen Hoogleeraar in de Naturlijk Wijsgeerte en Redeneerkunde overwaardig is.
Wij prijzen daarom dit Boek aan, als een Geschrift, dat verdient bij de werken, die tegen de Vrijgeesten zijn uitgekomen, geplaatst te worden. En de heer Vertaaler verdient wegens zijnen zuiveren en aangenaamen stijl, waar in hij den heer BEATTIE, in ’t Nederlandsch, doet spreeken, ook allen lof.

Arianne Baggerman en Rudolf Dekker, Kind van de Toekomst waar op blz 476 naar Hume wordt verwezen.
KB

De drie samenspraken in leeuwarden? beetje teveel van het goede misschien?
De Koopman (deel 3)

4 andere delen van de opmerker?

Ondanks een verwijzing in de Leydse Courant heb ik geen bespreking van de Historie van Engeland gevonden in de Nederlandsche Bibliotheek:

1774 I – eerste stuk
In de index wél Montesquieu (over de grootheid der Romeinen), Martinet, Gellert, Mosheim, veel van de Hollandsche Maatschappij der Weetenschappen, Sulzer, Priestley, en Betje Wolff, veel Leland ook

[235-43] In de bespreking van “Beschouwing van den Aart en Inborst der Engelschen, Franschen, Italiaanen, Spanjaarden, Duitschers en Hollandes, waarin derzelver onderscheiden uitmuntende hoedanigheden en gebreken onpartydig beschreven worden; doormengd met geschiedkundige aanmerkingen. uit het Engelsch vertaald. Te Amsterdam, by de Erven van F. Houttuin. 1773” wordt wél Montesquieu, maar niet Hume genoemd.

[304] Findlay vs Voltaire

1774 – I eerste deels tweede stuk

vlj ondertekende een “gebed van een advocaat” [165]

“Karakter van Mary Stuart, Koningin van Schotland” komt [Uit Robertson] [559-561]

1774 – II tweede deels, eerste stuk
In een bespreking van Töllners “proeven van den tegenwoordigen smaak der Hoogduitschers in zaken van Godsgeleerdheidt en Wysgeerte” met voorreden en aanmerkingen van de vertaler. [80-104]

“De zeer bijzondere Tijtel; de nieuwsgierigheid, die die daaruit ontstaan kan; het oogwit van den Uitgever, om, langs dezen weg, een zeker soort van Hooogduitsche Godgeleerden en Wijsgeeren bij onzde Nederlanders te veraangenaamen” [80] en legt uit dat het vooral om de smaak gaan van de Duitsers sinds Leibnitz en Wolff.

[90] vertaler verdedigt Cumberland tegen de aantijgingen van töllner dat hij zonder God een zedelijkheidsleer opstelt (Hutcheson wordt ook genoemd, niet verdedigd).

[257-271] in de “UITTREKZELS EN BEOORDEELINGEN VAN BOEKEN” wordt Hume genoemd omdat Lussing i n zijn Negende brief Hume noemt

De noodzaaklijkheid van den Godsdienst, in ’t gemeen; en de Zekerheid en Voortreflijkheid van den Christelijken, in ’t bijzonder; beweerd en aangedrongen tegen Atheïsten, Deïsten, Heidenen, Mohamedaanen en Jooden, door HENDRIK LUSSING, MATTHYSZ. Derde en laatste Deel. Te Amsterdam bij H. Vieroot. 1774. Behalven de Opdragt, Voorrden en het Register, 640 bladz. in 8o. De Prijs is f 2:-:

De Negende betreft I. De Geschiedverhaalen van de Schriften des Nieuwen Testaments, en 2. De Blijken der Godlijkheid van JESUS zendinge naar dezelve. De waarheid van deeze Geschiedverhaalen wordt eerst in ’t gemeen overtuigende beweezen, en dan in ’t bijzonder getoond – ten aanzien van de Wonderwerken, als blijken van JESUS Godlijke zendinge ; welke Wonderwerken in hunne Historische en Philosophische waarheid niet alleen vertoond, maar ook tegen de aanvallen van HUME, WOOLSTON, en anderen , verdedigd worden. – Ten aanzien van JESUS Opstandige uit den dooden ; waar omtrent – tegen ROUSSEAU wordt beweezen, dat JESUS zijne Opstanding voorzegd heeft – en dan, dat JESUS waarlijk uit den dooden is opgestaan

[258]
Op bladzijde 259 wordt “de beruchte TOLAND” nog genoemd, die de tegenwerping dat er in de eerste eeuwen door christenen al werd gediscussieerd over wat nu de écht heilige boeken waren, dus dat wij het helemaal niet kunnen weten, zover als wij er van af staan”

in de index wel “Dumas’traité du Suicide &c. Verhandeling over den zelfsmoord. (in het stukje niets over Hume) – ook Hofstede, Kluit, Iperen, Lussing, Michaëlis, Mosheim tegen de Deïsten” (in het stukje niets over Hume) Vertaald door Van Moerbeek “Aanleiding om de Waarheid en Godlijkheid van den Christelijken Godsdienst grondig te bewijzen, en tegen de Ongeloovigen en Deïsten te verdedigen; opgesteld door wijlen den heere JOH. LAUR. VAN MOSHEIM, Kancelier der koninglijke en Keurvorstelijke Hoogeschool te Gottingen, en uitgegeven door CH. ERNST VAN WINDHEIM; overgezet, volgens den tweeden Hoogduitschen Druk, door A.A. VAN MOERBEEK,” [354]

“De Vrijheid van Godsdienst in de Burgerlijke Maatschappij betoogd en verdeedigd, door Locke, Noodt, Barbeyrac, Hoadly en Drieberge

[169-178] in de bespreking van “De Wysgeerige Leerstellingen, inborst en zeden van eenen hedendaagschen Deïst, in haare kracht, waarde en rampzalige gevolgen voorgesteld, en met de Waarheden van den Godsdienst vergeleeken; in vertrouwlyke Brieven van eenen Aankoomeling in de Wysbegeerte der ongeloovigen aan zynen leermeester. Uit ’t Fransch vertaald. Te Amsterdam by Jan Dóll. 1772. Behalven de Voorreden van den Vertaaler en de opgaaf van den korten Inhoud 327 bladz. in gr. 8o. De Prijs is f. 1:16:-

“t Is bijkans twee volle jaaren geleeden, dat dit boek in onze taal te voorschijn kwam, en uit deezen hoofde zal men zich zekerlijk verwonderen, dat wij met onze beoordeeling zo lang achter aan komen. De reden van dit langwijlig uitstel is deeze: naauwlijks was dit Werk, in een Nederlandsch gewaad, voor den dag gekomen,of de gedachten zelfs van geleerde Mannen waren daaromtrent hemelsbreedte van elkander verschillende; de een prees ’t als een allervernuftigst Werk, waarin de rampzalige gevolgen van ’t zelve tot in den afgrond, en schreeuwde ‘er van, als van ’t verfoeilijkste geschrift, dat in lang in onze taal ’t licht zag. ’t Laatste soort van beoordeelaars overtrof zekerlijk ’t eerste ver weg in aantal, en dit vooroordeel was zo diep gewortld, dat men Christelijke waarschuwingen aan ’t publiek tegen de VERVLOEKTE Wijsgeerige brieven te H…. zag voor den dag komen, en dat men een verzoekschrift aan den E. Kerkenraad van Amsterdam, ter weering van zulk een heilloos Werk, begon aan te bieden. In deeze omstandigheid van zaaken oordelden wij ’t om meer dan eene reden, raadzaam, om ons in dit geschil niet te steeken, en ’t gantsche Werk in deszelfs waarde of onwaarde te laaten. Veelligt zouden wij ‘er voor altoos van gezweegen hebben, dan ’t aanhoudend verzoek van eenen zekeren iemand, gevoegd bij de overweeging, dat de hittigste driften door den tijd verkoeld zijn, waardoor men onze beoordeeling met minder vooroordeel zal leezen, heeft ons bewoogen, om ‘er tegenwoordig rond uit van te zeggen, wat wij ‘er van denken.”

Het boekje, oorspronkelijk Frans onder de titel Confidence Philosophique, gaat over meneer TORMAN, die vertelt hoe hij door de ondeugende DORIVART werd verleid en in het ongeloof gestort werd, evenals Mevrouw HEBERT, die door TORMAN werd verleid. Het loopt natuurlijk erg slecht af.

De recensenten zien in dat de bedoelingen van de auteur goed zijn [176], maar constateren dat er nogal wat ‘bedaardheid’ van de lezers wordt verwacht [177] om de spotternij van de schrijver te kunnen begrijpen [178] daarom denken zij dat het eerder schadelijk is dan voordelig voor de goede zaak van den Godsdienst. “De reden is klaar; jonge lieden, en zulke menschen, wien de banden der zedelijkheid tot eenen last zijn, bezitten de opgegeevene vereischtens niet, om dit Werk met vrcht te leezen, en vinden, zonder eens aan ’t waare oogmerk van den opsteller te denken, hier en eldersin de vrijgeestige redeneeringen van TORMAN al vrij wat voedsel, of voor zedenloosheid, of voor spotternij. De heillooze redeneeringen van den held deezer geschiedenis over de stoffelijkheid en sterffelijkheid der Ziel, over de ongegrondheid der Zedelijke Beginselen en des onderscheids tusschen Deugd en Ondeugd, gelijk ook zijne tegenwerpingen tegen ’t Kristendom, worden hier onbeantwoord gelaaten. Dit vorderde ook ’t oogmerk van den opsteller. Maar met dit alles leest een jongeling ’t een en andern, en, zonder ’t verbogen oogmerk van den opsteller te weeten, maat ’t eenen meerderen of minderen indruk op zijnen geest, en zonder dat hij ‘er zelfs aan denkt, heeft ’t eenen nadeeligen invloed.

IV Onzes erachtens had de opsteller beter gedaan dit boek in ’t Latijn te schrijven; dan zoude hij zijn oogmerk beter bereikt hebben. Door ’t zelve in eene gemeenzaame taal te schrijven, welke bijna van iedere eenen geleezen wordt, heeft hij het allerlei slag van menschen in de hand gegeeven, waar van ver ’t minste gedeelte geschikt is, om dit boek tot wezenlijk nut te leezen. Men kan dit geschrift [178] zeer gevoegelijk beschouwen als een scherp geweer, dat zeer geschikt is ter verdediging, in de handen van des kundigen lieden, maar geenszins te betrouwen is aan kinderen en boosaartigen. V. Om deeze zelfde reden oordeelen wij dat de Vertaaler de moeite wel had kunnen spaaren, van ’t zelve in een Nederlandsch gewaad te steeken. Wij twijffelen ‘er geen ogenblik aan, of ’t oogmerk van deezen braaven man is alleszins goed en loffelijk geweest, maar wij gelooven ‘er tevens bij, dat deeze zijn pooging over ’t algemeen gansch geen voordeelig gevolg gehad hebbe. Wij vreezen dat ‘kwaad gebruik, dat zommige jonge losbollen, en vrijgeesten van deeze overzetting gemaakt hebben, meer dan te veel voedsel verschaft hebben aan den ongodsdienstigen spotgeest.”

De recensent(en) raden iedere verantwoordelijke lezer dan ook aan om te zorgen dat dit boek uit handen blijft van jonge lieden (en lieden van geringe kundigheden). Tis fraai, maar alleen geschikt voor geoeffene verstanden, die weeten wat ‘er, door de voorstanderen van den Godsdienst, op de bedenkingen, uitvluchten en vitterijen, van ’t rampzalig ongeloof, geantwoord zij.”

In de MENGElsTuKKEn ook NIetS

1775 I – derde deels eerste stuk

James Beattie “Verhandeling over de Natuur en Onveranderlijkheid der Waarhei, in tegenstelling der Sophisterij en Twijfelaarij. Uit het Engelsch van den eer JAMES BEATTIE, LL. D. Hooleeraar in de Natuurlijke Wijsgeerte en Redeneerkunde in het Marischals Collegie aan de Universiteit van Aberdeen, vertaald, en met de verbeeteringen en Vermeerderingen van den Autheur verrijk, en na de laaste uitgaave nagezien door PETRUS GERARDUS DUKER” [bespreking op blz. 305-318]

Common sense = natuurlijk begrip [308] HUME op bladzijde 310, 316 en 317 (daar vindenwe ook leibnitz en spinoza voltaire en hobbes, en rousseau)!

*****

In de UITTREKZELS EN BEOORDEELINGEN VAN BOEKEN vinden we ook een bespreking [461-473]:

Voorbehoedzel en Tegengift omtrent de besmetinge van ’t Ongeloof, ten nutte van het tegenwoordige en opkomende Geslachte, enz. ; door JOH. MART. HOFFMAN, Predikant van Maassluis, en lid van de Zeeuwsche Maatschappij der Weetenschappen te Vlissingen. Te Amsteldam, bij de Wed. Loveringh en Allart, 1775. in gr. 8vo. Behalven het Voorbericht en Bladwijzer 379 bladz. De Prijs is f 2: 4: –

bespreking opent met de opmerking dat het een Kerkelijke goedkeuring van de E. Classis van ’s Gravenhage heeft gekregen. en dat Hoffman overleden is.
In het tweede hoofdstuk (wordt opmerkelijk genoemd) beschrijft HOFFMANN de geschiedenis en opkomst der Deïsten, en noemt ze hierbij liever ‘onchristenen [462]’.

Eerst de heidensche wijsgeren (met naam genoemd) dan de Italianen (enkele pausen, en Albert radicati) dan de Fransen (waarbij La Mettrie, Evremond, de Cmt de Boulainvilliers, Rousseau en Voltaire met name genoemd worden) dan de Engelsen, waarbij hij 19 deïsten in een lijst met hun karakters opneemt, blz. 54-81 [463] en er wordt duidelijk dat hij ook al eens een “Proeve van Geschied- en Oordeel-kundige Aanmerkingen over het Ongeloof en de Vrijgeesterij deezer eeuwe” schreef, dat in WATTS “waarschouwing tegen ’t Ongeloof” werd geplaatst. En dat het stuk in dá­t deel hierdoor wat korter is. Alleen ene “THOMAS BROUWNE” wordt eruit gepikt. Ook wordt de Society of Gentlemen genoemd als broedplaats van anti-christelijken [465]
Dan gaat hij naar Nederland

“Onder ons (zegt hij) is ’t vergif van de Deïsten, was later doorgebrooken, dan elder; doch daarom is het getal van ongeloovigen niet minder. Veel Schrijvers van dat slach, die inboorlingen zijn, hebben wij wel niet; echter ontbreekt het ‘er niet aan Deïstische vertaalde en onvertaalde boeken, waar mede de Boekwinkels en letterkasten opgevuld zijn.”

Dan worden hier BAYLE en KOERBACH genoemd.

Dan Duitsland: Matthias Knutzen/ te onderscheiden van Martin Knutzen die juist apologetisch schrijft. Edelman, Charles Etinne Jordan Marquis d’Argens, en “Theodorus Ludov. Leu, den Godloosten van allen, die eer voor een Atheïst en Spinosist, dan Deïst te houden is, gelijk met staaltjes wordt aangetoond [466]

Dan de joden: Acosta, ook spinozist blijkbaar.

In het derde hoofdstuk een schets vanhet algemeen en bijzonder leerstelsel van de deïsten:
“dat ze en Godsdienst der rede op den troon zetten, en den BIJBEL der Christenen, de eenige en onfaalbare grondstut van den Godsdienst der Openbaringe, voor deszelfs voetbank leggen en vertreeden, deszelfs Goddelijken oorsprong, gezag en invloed, bestrijdende.” [466]

er wordt ook verwezen naar een artikel in de Schatkamer der geleerden 2 d. No. 1 bladz. 73-81.

Fenelon genoemd als voorvechter van de kerk?

*******
In een bespreking [521-540] van H. Farmers Verhandeling over de wonderwerken wordt Dr. Clarcke als belangrijkste tegenstrever en daarnaast nog Rousseau, Voltaire, Sherlock. Wordt door zijn vertaler verdedigd tegen de beschuldiging dat het geheel van Le Moine gejat was. Toch nog 6 bladzijden aan kanttekeningen/opmerkingen

*****
Tissot over de gezondehid en ziektens der geleerden [559-565]

*****
Spinoza weerlegd door Schubet oer de vrijheid der menschelijke ziele [606-610, aldaar 606]
******
Van Alphen en Eberhard zijn groot [645.e.v.]

1775 II Derden Deels Tweede Stuk: Mengelstukken

[140] J. Van Hoey, Schets van eene Verdediging van zijne Verhandeling over de Zelfsmoord.
Maakt melding van het werk van Jo. Ja. Sniet die in 1771 een proefschrift over de ongeoorloofdheid van zelfmoord tegen Rousseau “en dergelijke valsch genaamde Wijsgeeren van onzen tijd”. [141] Ook wordt verwezen naar het eerdere stuk over het werk van Dumas over Zelfmoord.
Van Hoey zelf is positiever over Rousseau, en vertelt hem aangehaald te hebben toen hij wilde aantonen dat zelfmoord niet persé laf en verwijfd is: “Maar nog ROUSSEAU, nog mijn gering persoon (die, om het in ’t voorbijgaan te zeggen, naast zoodanig een Man zeer onvoordeelig geplaatst staat) hebben ooit gezegt, dat ‘er in de Zelfsmoord eenige heldenmoed stak” i.t.t wat Zeno en Cleanthes beweerden. [142]
Daarna worden op [143] nog Grotius en Puffendorff en Cumberland “en alle de Aucteurs, die over ’t natuurlijk regt geschreeven hebben” aangehaald om zijn argument dat vaders op een gegeven moment (het volwassen worden van de kinderen) hun autoriteit kwijtraken, maar niet eerder.

[346-356] Berigt van de Middelen, welke onlangs in Frankrijk zijn aangewend tegen den Voortgang der Vrijgeesterij. (*)(*) Ontleend uit de Neueste Relions-geschichte unter Aufsicht van Christian Wilhelm frans Walchs, dat totaal vertaal wordt en bij moeleman in Arnhem wordt gedrukt)
hierin ondermeer een selectie van boeken waarin de beweegredenen en middelen van de Vrygeesten het duidelijkst naar voren komen

1. La contagion Sacrée, ou l’Histoire naturelle de la Superstition van Prima Mali labes (Londen 1768)
2. Dieu & les hommes. Oeuvre Theologique, mais raisonnable; en XLIV Chapitres (Londen 1770)
3. Discours sur les Miracles de Jesus-Christ, traduit de l’Anglois de Woolston “NOSTRUM EST TANTAS COMPONERE LITES XVIII Siecle. “Dit werk is onder ons genoeg bekend. Het onbetwistbaar misbruik, dat de Pausgezinden van de wonderwerken maaken, oorzaak dat dit stuk hun nog nadeeliger is.”
4 Examen critique des Apologistes de la religion chretienne, par Mr. FRERET 1767 “Men twijfelt met reden of Freret in de daad de Schrijver van dit werk zij”
5. Examen impartial des principales religions du monde”
6. Le Christianisme devoilé ou examen des principes & effets de la religion chretienne 1767
7. Systeme de la nature, ou des loix du monde physique & du monde moral par Mr. MIRABAUD, Secretaire perpetuel & l’un des quarante de l’Academie francoise.
[353-54]

Verhandeling over de wonderwerken van Farmer [301-318, 333-346] noemt vooral Dr. Clarcke, één keer Fleetwood en één keer Spinoza.

1776 – IV – Vierde deel, eerste stuk”

Geen Hume in de index van besproken boeken

1776 – IV – Vierde deel, tweede stuk
De nederlandse bibliotheek Vierde deel, eerste stuk, blz 111 (1776)

167 “Elementa Juris Naturalis, Socialis et Gentium, in usum Auditorum adornata a LUDOVICO CONR. SCHROEDER”, professor in Groningen besproken.

Stuk over mosheim en een stuk over een stuk over mosheim resp. 230 en 184

In het Mengelstukken-deel (vierden deels tweede stuk) van 1776 van de Nederlandsche Bibliotheek, “WAAR IN BEOORDEELINGEN EN BERIGTEN Van verscheidene BOEKEN en KLEINDERE GESCHRIFTEN. Benevens eenige MENGELSTUKKEN worden opgegeeven. Alles tot bevordering van Geleerdheid en Weetenschappen, en voornamelyk ingerigt tot bevestiging en verdeediging van den Christelijken Godsdienst in ’t gemeen, en van den Gereformeerden, in ’t bijzonder. / Candide et Modeste

Gedrukt te ROTTERDAM,

door Martinus de Bruyn (Kalverstraat bij de Duifjes-Steeg)

****

Herinneringen aan 1672 in De Nederlandsche Bibliotheek (1776)

Berigt wegens het Eeuwfeest van de herwinning van naarden, door zijn Doorlugtige Hoogheid WILLEM den IIIden Prins van oranje plegtig aldaar gevierd, en wegens een gedenkteken ter eere van dien Vorst, en ter gedagtenis van dien dag opgerigt in de groote Kerk dier Stad

Hierin komen dieverse geschiedschrijvers langs, w.o. Van Meteren en Wagenaar.

“Is he jaar 1572 in onze Vaderlandsche geschiedenissen beroemd wegens den zegepraal van onze Voorouders over hunne Spaansche onderdrukkers (a -> noot naar Van Meteren), het jaar 1672 zal ook wel vermaard blijven, doch wegens gansch verschillende gebeurtenissen. Toen waren wij aan den oever van onzen ondergang (b – > noot naar CLEIN in “Leerrede bij ’t vieren van ’t tweede Eeuwgetij der inneeming van den Brielle, bladz. 49.”)

*********

Hofstede over Voltaire

“Na het leezen van het Tableau Philosophique de la Vie de Mr. de Voltaire kan niemand meer zijne Henriade zelve met genoegen leezen, of hij moet den persoon des Dichters geheel en al van het dichtstuk zelve kunen aftrekken en onderscheiden”

******

Uit de Nederlandsche Bibliotheek voor 1776, vierde deel tweede stuk.

“Die geenen, die voor ons het gevaarlijkste zijn, kunnen tot tweederlei soort worden gebragt. Het eerste soort verwerpt de Godlijke schriften en allen geopenbaarden weg tot zaligheid: dit is het geslacht der zoogenaamde Deïsten, die zich zelven voordoen als wijzer dan anderen in deezen, en als sterke geesten willen worden aangezien. Deeze verachten en bespotten de Apostolische schriften, en voeren in, een volslagen ongeloof aan de Godlijke openbaaring. Een voornaame onder dezelve in onzen tijd is VOLTAIRE, die al ’t vergif zijner voorganger in Engeland, heeft ingezoogen, en met het zonderling vernuft dat hij bezit, heeft weeten te verspreiden in zijn geschriften, tot verder der geenen, die gaarn willen ongeloovig zijn. Hoe menig een onder ons bezit deeze schriften, geeft ze een eerste plaats onder zijne boeken, en maakt daar gebruik van boven alle andere schriften, om door den geest der spotternije te worden opgewekt om God en zijn woord te onteeren, anderen te verleiden! Hoe menig een, zelfs onder onze aanzienlijke jongelingschap, is daar door alreeds tot dit ongeloof en losbandigheid van zeden vervoerd! – Dit is dan het eerste soort van vijanden onzes geloofs, waar tegen wij te strijden hebben.” [Nederlandsche Bibliotheek Vijfden Deels Eerste Stuk, 1777 blz 128-129, in het stuk “Nagelaaten leer-redenen van Wijlen den Wel-Eerw. zeer Gelerden Heere ISAá¤K DE LEEUW, in deszelfs leven waardig Predikant, laatst te Rotterdam: over de zes eerste verzen van den Brief des Apostels JUDAS. Benevens eene doorloopende Verklaaring over den zelven geheele Brief en het Tweede Hoofdstuk des Tweeden Briefs van PETRUS, door G. J. NAHUYS, Philos & Philol. Professor en Predikant te Rotterdam. Te Rotterdam, bij J. Bosch 17776. Behalven het Voorwerk, te zamen 424 bladz. in gr. 8vo. De Prijs is f 2:2:-, blz 125-135]

twee ongeloovigen: Toland, Collins Sykes Chandler

Aanmerking over den aart der burgerlijke vrijheid… Richard Price – vertaald door van der Capellen, verder genoemd, Fletcher, Tydeman

machivel bayle en rousseau over de antithese burgerstaat christendom

VOLTAIRE komt voor in het programma van een genootschap “onder de zinspreuk “non placet nobis orthodoxia fine Pietate, nex Pietas fine orthodoxia, tegen een program van Burmannus secundus? [481-485]

TYDEMAN: “verzameling van verhandelingen tot de Zedekundige Wijsbegeerte…” met o.a. een stuk over de zelfmoord.. recensie noemt heilmannus, hutcheson, schott, harprecht sulzer

Gellert vertaald door Lublink ‘zedkundige lessen’1775

Farmer ‘keurige verhandeling over de wonderwerken 647 (over de Demonische bezetenen in het Nieuwe Verbond Hugh Farmer)

1777 – V – Vijfde deel, eerste stuk

moet nog

1777 – V – Vijfde deel, tweede stuk

MENGELWERK:

index verwijst naar 5-1777-I, blz 633-637 “Gemoedelijke aanprijzing der Bijbelsche Zedekunde, boven alle Heidensche, met aanwijzing van de verderffelijke Zedekunde der Vrijgeesten. B. 633-637”.

1778 VI – Zesde deel, eerste stuk

Geen Hume, wel Bonnet, Kluit, Bates, Marmontel, Martinet, Paape

1778 VI – Zesde deel, tweede stuk

MENGELWERK

geen Hume in mengelwerken-index

Het Women-Writers-onderzoek heeft uitgewezen dat de redactie anti-betje-wolff was.

« Vorige pagina — Volgende pagina »