5 jan, 2010
Ondanks een verwijzing in de Leydse Courant heb ik geen bespreking van de Historie van Engeland gevonden in de Nederlandsche Bibliotheek:
1774 I – eerste stuk
In de index wél Montesquieu (over de grootheid der Romeinen), Martinet, Gellert, Mosheim, veel van de Hollandsche Maatschappij der Weetenschappen, Sulzer, Priestley, en Betje Wolff, veel Leland ook
[235-43] In de bespreking van “Beschouwing van den Aart en Inborst der Engelschen, Franschen, Italiaanen, Spanjaarden, Duitschers en Hollandes, waarin derzelver onderscheiden uitmuntende hoedanigheden en gebreken onpartydig beschreven worden; doormengd met geschiedkundige aanmerkingen. uit het Engelsch vertaald. Te Amsterdam, by de Erven van F. Houttuin. 1773” wordt wél Montesquieu, maar niet Hume genoemd.
[304] Findlay vs Voltaire
1774 – I eerste deels tweede stuk
vlj ondertekende een “gebed van een advocaat” [165]
“Karakter van Mary Stuart, Koningin van Schotland” komt [Uit Robertson] [559-561]
1774 – II tweede deels, eerste stuk
In een bespreking van Töllners “proeven van den tegenwoordigen smaak der Hoogduitschers in zaken van Godsgeleerdheidt en Wysgeerte” met voorreden en aanmerkingen van de vertaler. [80-104]
“De zeer bijzondere Tijtel; de nieuwsgierigheid, die die daaruit ontstaan kan; het oogwit van den Uitgever, om, langs dezen weg, een zeker soort van Hooogduitsche Godgeleerden en Wijsgeeren bij onzde Nederlanders te veraangenaamen” [80] en legt uit dat het vooral om de smaak gaan van de Duitsers sinds Leibnitz en Wolff.
[90] vertaler verdedigt Cumberland tegen de aantijgingen van töllner dat hij zonder God een zedelijkheidsleer opstelt (Hutcheson wordt ook genoemd, niet verdedigd).
[257-271] in de “UITTREKZELS EN BEOORDEELINGEN VAN BOEKEN” wordt Hume genoemd omdat Lussing i n zijn Negende brief Hume noemt
De noodzaaklijkheid van den Godsdienst, in ’t gemeen; en de Zekerheid en Voortreflijkheid van den Christelijken, in ’t bijzonder; beweerd en aangedrongen tegen Atheïsten, Deïsten, Heidenen, Mohamedaanen en Jooden, door HENDRIK LUSSING, MATTHYSZ. Derde en laatste Deel. Te Amsterdam bij H. Vieroot. 1774. Behalven de Opdragt, Voorrden en het Register, 640 bladz. in 8o. De Prijs is f 2:-:
De Negende betreft I. De Geschiedverhaalen van de Schriften des Nieuwen Testaments, en 2. De Blijken der Godlijkheid van JESUS zendinge naar dezelve. De waarheid van deeze Geschiedverhaalen wordt eerst in ’t gemeen overtuigende beweezen, en dan in ’t bijzonder getoond – ten aanzien van de Wonderwerken, als blijken van JESUS Godlijke zendinge ; welke Wonderwerken in hunne Historische en Philosophische waarheid niet alleen vertoond, maar ook tegen de aanvallen van HUME, WOOLSTON, en anderen , verdedigd worden. – Ten aanzien van JESUS Opstandige uit den dooden ; waar omtrent – tegen ROUSSEAU wordt beweezen, dat JESUS zijne Opstanding voorzegd heeft – en dan, dat JESUS waarlijk uit den dooden is opgestaan
[258]
Op bladzijde 259 wordt “de beruchte TOLAND” nog genoemd, die de tegenwerping dat er in de eerste eeuwen door christenen al werd gediscussieerd over wat nu de écht heilige boeken waren, dus dat wij het helemaal niet kunnen weten, zover als wij er van af staan”
in de index wel “Dumas’traité du Suicide &c. Verhandeling over den zelfsmoord. (in het stukje niets over Hume) – ook Hofstede, Kluit, Iperen, Lussing, Michaëlis, Mosheim tegen de Deïsten” (in het stukje niets over Hume) Vertaald door Van Moerbeek “Aanleiding om de Waarheid en Godlijkheid van den Christelijken Godsdienst grondig te bewijzen, en tegen de Ongeloovigen en Deïsten te verdedigen; opgesteld door wijlen den heere JOH. LAUR. VAN MOSHEIM, Kancelier der koninglijke en Keurvorstelijke Hoogeschool te Gottingen, en uitgegeven door CH. ERNST VAN WINDHEIM; overgezet, volgens den tweeden Hoogduitschen Druk, door A.A. VAN MOERBEEK,” [354]
“De Vrijheid van Godsdienst in de Burgerlijke Maatschappij betoogd en verdeedigd, door Locke, Noodt, Barbeyrac, Hoadly en Drieberge
[169-178] in de bespreking van “De Wysgeerige Leerstellingen, inborst en zeden van eenen hedendaagschen Deïst, in haare kracht, waarde en rampzalige gevolgen voorgesteld, en met de Waarheden van den Godsdienst vergeleeken; in vertrouwlyke Brieven van eenen Aankoomeling in de Wysbegeerte der ongeloovigen aan zynen leermeester. Uit ’t Fransch vertaald. Te Amsterdam by Jan Dóll. 1772. Behalven de Voorreden van den Vertaaler en de opgaaf van den korten Inhoud 327 bladz. in gr. 8o. De Prijs is f. 1:16:-
“t Is bijkans twee volle jaaren geleeden, dat dit boek in onze taal te voorschijn kwam, en uit deezen hoofde zal men zich zekerlijk verwonderen, dat wij met onze beoordeeling zo lang achter aan komen. De reden van dit langwijlig uitstel is deeze: naauwlijks was dit Werk, in een Nederlandsch gewaad, voor den dag gekomen,of de gedachten zelfs van geleerde Mannen waren daaromtrent hemelsbreedte van elkander verschillende; de een prees ’t als een allervernuftigst Werk, waarin de rampzalige gevolgen van ’t zelve tot in den afgrond, en schreeuwde ‘er van, als van ’t verfoeilijkste geschrift, dat in lang in onze taal ’t licht zag. ’t Laatste soort van beoordeelaars overtrof zekerlijk ’t eerste ver weg in aantal, en dit vooroordeel was zo diep gewortld, dat men Christelijke waarschuwingen aan ’t publiek tegen de VERVLOEKTE Wijsgeerige brieven te H…. zag voor den dag komen, en dat men een verzoekschrift aan den E. Kerkenraad van Amsterdam, ter weering van zulk een heilloos Werk, begon aan te bieden. In deeze omstandigheid van zaaken oordelden wij ’t om meer dan eene reden, raadzaam, om ons in dit geschil niet te steeken, en ’t gantsche Werk in deszelfs waarde of onwaarde te laaten. Veelligt zouden wij ‘er voor altoos van gezweegen hebben, dan ’t aanhoudend verzoek van eenen zekeren iemand, gevoegd bij de overweeging, dat de hittigste driften door den tijd verkoeld zijn, waardoor men onze beoordeeling met minder vooroordeel zal leezen, heeft ons bewoogen, om ‘er tegenwoordig rond uit van te zeggen, wat wij ‘er van denken.”
Het boekje, oorspronkelijk Frans onder de titel Confidence Philosophique, gaat over meneer TORMAN, die vertelt hoe hij door de ondeugende DORIVART werd verleid en in het ongeloof gestort werd, evenals Mevrouw HEBERT, die door TORMAN werd verleid. Het loopt natuurlijk erg slecht af.
De recensenten zien in dat de bedoelingen van de auteur goed zijn [176], maar constateren dat er nogal wat ‘bedaardheid’ van de lezers wordt verwacht [177] om de spotternij van de schrijver te kunnen begrijpen [178] daarom denken zij dat het eerder schadelijk is dan voordelig voor de goede zaak van den Godsdienst. “De reden is klaar; jonge lieden, en zulke menschen, wien de banden der zedelijkheid tot eenen last zijn, bezitten de opgegeevene vereischtens niet, om dit Werk met vrcht te leezen, en vinden, zonder eens aan ’t waare oogmerk van den opsteller te denken, hier en eldersin de vrijgeestige redeneeringen van TORMAN al vrij wat voedsel, of voor zedenloosheid, of voor spotternij. De heillooze redeneeringen van den held deezer geschiedenis over de stoffelijkheid en sterffelijkheid der Ziel, over de ongegrondheid der Zedelijke Beginselen en des onderscheids tusschen Deugd en Ondeugd, gelijk ook zijne tegenwerpingen tegen ’t Kristendom, worden hier onbeantwoord gelaaten. Dit vorderde ook ’t oogmerk van den opsteller. Maar met dit alles leest een jongeling ’t een en andern, en, zonder ’t verbogen oogmerk van den opsteller te weeten, maat ’t eenen meerderen of minderen indruk op zijnen geest, en zonder dat hij ‘er zelfs aan denkt, heeft ’t eenen nadeeligen invloed.
IV Onzes erachtens had de opsteller beter gedaan dit boek in ’t Latijn te schrijven; dan zoude hij zijn oogmerk beter bereikt hebben. Door ’t zelve in eene gemeenzaame taal te schrijven, welke bijna van iedere eenen geleezen wordt, heeft hij het allerlei slag van menschen in de hand gegeeven, waar van ver ’t minste gedeelte geschikt is, om dit boek tot wezenlijk nut te leezen. Men kan dit geschrift [178] zeer gevoegelijk beschouwen als een scherp geweer, dat zeer geschikt is ter verdediging, in de handen van des kundigen lieden, maar geenszins te betrouwen is aan kinderen en boosaartigen. V. Om deeze zelfde reden oordeelen wij dat de Vertaaler de moeite wel had kunnen spaaren, van ’t zelve in een Nederlandsch gewaad te steeken. Wij twijffelen ‘er geen ogenblik aan, of ’t oogmerk van deezen braaven man is alleszins goed en loffelijk geweest, maar wij gelooven ‘er tevens bij, dat deeze zijn pooging over ’t algemeen gansch geen voordeelig gevolg gehad hebbe. Wij vreezen dat ‘kwaad gebruik, dat zommige jonge losbollen, en vrijgeesten van deeze overzetting gemaakt hebben, meer dan te veel voedsel verschaft hebben aan den ongodsdienstigen spotgeest.”
De recensent(en) raden iedere verantwoordelijke lezer dan ook aan om te zorgen dat dit boek uit handen blijft van jonge lieden (en lieden van geringe kundigheden). Tis fraai, maar alleen geschikt voor geoeffene verstanden, die weeten wat ‘er, door de voorstanderen van den Godsdienst, op de bedenkingen, uitvluchten en vitterijen, van ’t rampzalig ongeloof, geantwoord zij.”
In de MENGElsTuKKEn ook NIetS
1775 I – derde deels eerste stuk
James Beattie “Verhandeling over de Natuur en Onveranderlijkheid der Waarhei, in tegenstelling der Sophisterij en Twijfelaarij. Uit het Engelsch van den eer JAMES BEATTIE, LL. D. Hooleeraar in de Natuurlijke Wijsgeerte en Redeneerkunde in het Marischals Collegie aan de Universiteit van Aberdeen, vertaald, en met de verbeeteringen en Vermeerderingen van den Autheur verrijk, en na de laaste uitgaave nagezien door PETRUS GERARDUS DUKER” [bespreking op blz. 305-318]
Common sense = natuurlijk begrip [308] HUME op bladzijde 310, 316 en 317 (daar vindenwe ook leibnitz en spinoza voltaire en hobbes, en rousseau)!
*****
In de UITTREKZELS EN BEOORDEELINGEN VAN BOEKEN vinden we ook een bespreking [461-473]:
Voorbehoedzel en Tegengift omtrent de besmetinge van ’t Ongeloof, ten nutte van het tegenwoordige en opkomende Geslachte, enz. ; door JOH. MART. HOFFMAN, Predikant van Maassluis, en lid van de Zeeuwsche Maatschappij der Weetenschappen te Vlissingen. Te Amsteldam, bij de Wed. Loveringh en Allart, 1775. in gr. 8vo. Behalven het Voorbericht en Bladwijzer 379 bladz. De Prijs is f 2: 4: –
bespreking opent met de opmerking dat het een Kerkelijke goedkeuring van de E. Classis van ’s Gravenhage heeft gekregen. en dat Hoffman overleden is.
In het tweede hoofdstuk (wordt opmerkelijk genoemd) beschrijft HOFFMANN de geschiedenis en opkomst der Deïsten, en noemt ze hierbij liever ‘onchristenen [462]’.
Eerst de heidensche wijsgeren (met naam genoemd) dan de Italianen (enkele pausen, en Albert radicati) dan de Fransen (waarbij La Mettrie, Evremond, de Cmt de Boulainvilliers, Rousseau en Voltaire met name genoemd worden) dan de Engelsen, waarbij hij 19 deïsten in een lijst met hun karakters opneemt, blz. 54-81 [463] en er wordt duidelijk dat hij ook al eens een “Proeve van Geschied- en Oordeel-kundige Aanmerkingen over het Ongeloof en de Vrijgeesterij deezer eeuwe” schreef, dat in WATTS “waarschouwing tegen ’t Ongeloof” werd geplaatst. En dat het stuk in dát deel hierdoor wat korter is. Alleen ene “THOMAS BROUWNE” wordt eruit gepikt. Ook wordt de Society of Gentlemen genoemd als broedplaats van anti-christelijken [465]
Dan gaat hij naar Nederland
“Onder ons (zegt hij) is ’t vergif van de Deïsten, was later doorgebrooken, dan elder; doch daarom is het getal van ongeloovigen niet minder. Veel Schrijvers van dat slach, die inboorlingen zijn, hebben wij wel niet; echter ontbreekt het ‘er niet aan Deïstische vertaalde en onvertaalde boeken, waar mede de Boekwinkels en letterkasten opgevuld zijn.”
Dan worden hier BAYLE en KOERBACH genoemd.
Dan Duitsland: Matthias Knutzen/ te onderscheiden van Martin Knutzen die juist apologetisch schrijft. Edelman, Charles Etinne Jordan Marquis d’Argens, en “Theodorus Ludov. Leu, den Godloosten van allen, die eer voor een Atheïst en Spinosist, dan Deïst te houden is, gelijk met staaltjes wordt aangetoond [466]
Dan de joden: Acosta, ook spinozist blijkbaar.
In het derde hoofdstuk een schets vanhet algemeen en bijzonder leerstelsel van de deïsten:
“dat ze en Godsdienst der rede op den troon zetten, en den BIJBEL der Christenen, de eenige en onfaalbare grondstut van den Godsdienst der Openbaringe, voor deszelfs voetbank leggen en vertreeden, deszelfs Goddelijken oorsprong, gezag en invloed, bestrijdende.” [466]
er wordt ook verwezen naar een artikel in de Schatkamer der geleerden 2 d. No. 1 bladz. 73-81.
Fenelon genoemd als voorvechter van de kerk?
*******
In een bespreking [521-540] van H. Farmers Verhandeling over de wonderwerken wordt Dr. Clarcke als belangrijkste tegenstrever en daarnaast nog Rousseau, Voltaire, Sherlock. Wordt door zijn vertaler verdedigd tegen de beschuldiging dat het geheel van Le Moine gejat was. Toch nog 6 bladzijden aan kanttekeningen/opmerkingen
*****
Tissot over de gezondehid en ziektens der geleerden [559-565]
*****
Spinoza weerlegd door Schubet oer de vrijheid der menschelijke ziele [606-610, aldaar 606]
******
Van Alphen en Eberhard zijn groot [645.e.v.]
1775 II Derden Deels Tweede Stuk: Mengelstukken
[140] J. Van Hoey, Schets van eene Verdediging van zijne Verhandeling over de Zelfsmoord.
Maakt melding van het werk van Jo. Ja. Sniet die in 1771 een proefschrift over de ongeoorloofdheid van zelfmoord tegen Rousseau “en dergelijke valsch genaamde Wijsgeeren van onzen tijd”. [141] Ook wordt verwezen naar het eerdere stuk over het werk van Dumas over Zelfmoord.
Van Hoey zelf is positiever over Rousseau, en vertelt hem aangehaald te hebben toen hij wilde aantonen dat zelfmoord niet persé laf en verwijfd is: “Maar nog ROUSSEAU, nog mijn gering persoon (die, om het in ’t voorbijgaan te zeggen, naast zoodanig een Man zeer onvoordeelig geplaatst staat) hebben ooit gezegt, dat ‘er in de Zelfsmoord eenige heldenmoed stak” i.t.t wat Zeno en Cleanthes beweerden. [142]
Daarna worden op [143] nog Grotius en Puffendorff en Cumberland “en alle de Aucteurs, die over ’t natuurlijk regt geschreeven hebben” aangehaald om zijn argument dat vaders op een gegeven moment (het volwassen worden van de kinderen) hun autoriteit kwijtraken, maar niet eerder.
[346-356] Berigt van de Middelen, welke onlangs in Frankrijk zijn aangewend tegen den Voortgang der Vrijgeesterij. (*)(*) Ontleend uit de Neueste Relions-geschichte unter Aufsicht van Christian Wilhelm frans Walchs, dat totaal vertaal wordt en bij moeleman in Arnhem wordt gedrukt)
hierin ondermeer een selectie van boeken waarin de beweegredenen en middelen van de Vrygeesten het duidelijkst naar voren komen
1. La contagion Sacrée, ou l’Histoire naturelle de la Superstition van Prima Mali labes (Londen 1768)
2. Dieu & les hommes. Oeuvre Theologique, mais raisonnable; en XLIV Chapitres (Londen 1770)
3. Discours sur les Miracles de Jesus-Christ, traduit de l’Anglois de Woolston “NOSTRUM EST TANTAS COMPONERE LITES XVIII Siecle. “Dit werk is onder ons genoeg bekend. Het onbetwistbaar misbruik, dat de Pausgezinden van de wonderwerken maaken, oorzaak dat dit stuk hun nog nadeeliger is.”
4 Examen critique des Apologistes de la religion chretienne, par Mr. FRERET 1767 “Men twijfelt met reden of Freret in de daad de Schrijver van dit werk zij”
5. Examen impartial des principales religions du monde”
6. Le Christianisme devoilé ou examen des principes & effets de la religion chretienne 1767
7. Systeme de la nature, ou des loix du monde physique & du monde moral par Mr. MIRABAUD, Secretaire perpetuel & l’un des quarante de l’Academie francoise.
[353-54]
Verhandeling over de wonderwerken van Farmer [301-318, 333-346] noemt vooral Dr. Clarcke, één keer Fleetwood en één keer Spinoza.
1776 – IV – Vierde deel, eerste stuk”
Geen Hume in de index van besproken boeken
1776 – IV – Vierde deel, tweede stuk
De nederlandse bibliotheek Vierde deel, eerste stuk, blz 111 (1776)
167 “Elementa Juris Naturalis, Socialis et Gentium, in usum Auditorum adornata a LUDOVICO CONR. SCHROEDER”, professor in Groningen besproken.
Stuk over mosheim en een stuk over een stuk over mosheim resp. 230 en 184
In het Mengelstukken-deel (vierden deels tweede stuk) van 1776 van de Nederlandsche Bibliotheek, “WAAR IN BEOORDEELINGEN EN BERIGTEN Van verscheidene BOEKEN en KLEINDERE GESCHRIFTEN. Benevens eenige MENGELSTUKKEN worden opgegeeven. Alles tot bevordering van Geleerdheid en Weetenschappen, en voornamelyk ingerigt tot bevestiging en verdeediging van den Christelijken Godsdienst in ’t gemeen, en van den Gereformeerden, in ’t bijzonder. / Candide et Modeste
Gedrukt te ROTTERDAM,
door Martinus de Bruyn (Kalverstraat bij de Duifjes-Steeg)
****
Herinneringen aan 1672 in De Nederlandsche Bibliotheek (1776)
Berigt wegens het Eeuwfeest van de herwinning van naarden, door zijn Doorlugtige Hoogheid WILLEM den IIIden Prins van oranje plegtig aldaar gevierd, en wegens een gedenkteken ter eere van dien Vorst, en ter gedagtenis van dien dag opgerigt in de groote Kerk dier Stad
Hierin komen dieverse geschiedschrijvers langs, w.o. Van Meteren en Wagenaar.
“Is he jaar 1572 in onze Vaderlandsche geschiedenissen beroemd wegens den zegepraal van onze Voorouders over hunne Spaansche onderdrukkers (a -> noot naar Van Meteren), het jaar 1672 zal ook wel vermaard blijven, doch wegens gansch verschillende gebeurtenissen. Toen waren wij aan den oever van onzen ondergang (b – > noot naar CLEIN in “Leerrede bij ’t vieren van ’t tweede Eeuwgetij der inneeming van den Brielle, bladz. 49.”)
*********
Hofstede over Voltaire
“Na het leezen van het Tableau Philosophique de la Vie de Mr. de Voltaire kan niemand meer zijne Henriade zelve met genoegen leezen, of hij moet den persoon des Dichters geheel en al van het dichtstuk zelve kunen aftrekken en onderscheiden”
******
Uit de Nederlandsche Bibliotheek voor 1776, vierde deel tweede stuk.
“Die geenen, die voor ons het gevaarlijkste zijn, kunnen tot tweederlei soort worden gebragt. Het eerste soort verwerpt de Godlijke schriften en allen geopenbaarden weg tot zaligheid: dit is het geslacht der zoogenaamde Deïsten, die zich zelven voordoen als wijzer dan anderen in deezen, en als sterke geesten willen worden aangezien. Deeze verachten en bespotten de Apostolische schriften, en voeren in, een volslagen ongeloof aan de Godlijke openbaaring. Een voornaame onder dezelve in onzen tijd is VOLTAIRE, die al ’t vergif zijner voorganger in Engeland, heeft ingezoogen, en met het zonderling vernuft dat hij bezit, heeft weeten te verspreiden in zijn geschriften, tot verder der geenen, die gaarn willen ongeloovig zijn. Hoe menig een onder ons bezit deeze schriften, geeft ze een eerste plaats onder zijne boeken, en maakt daar gebruik van boven alle andere schriften, om door den geest der spotternije te worden opgewekt om God en zijn woord te onteeren, anderen te verleiden! Hoe menig een, zelfs onder onze aanzienlijke jongelingschap, is daar door alreeds tot dit ongeloof en losbandigheid van zeden vervoerd! – Dit is dan het eerste soort van vijanden onzes geloofs, waar tegen wij te strijden hebben.” [Nederlandsche Bibliotheek Vijfden Deels Eerste Stuk, 1777 blz 128-129, in het stuk “Nagelaaten leer-redenen van Wijlen den Wel-Eerw. zeer Gelerden Heere ISAá¤K DE LEEUW, in deszelfs leven waardig Predikant, laatst te Rotterdam: over de zes eerste verzen van den Brief des Apostels JUDAS. Benevens eene doorloopende Verklaaring over den zelven geheele Brief en het Tweede Hoofdstuk des Tweeden Briefs van PETRUS, door G. J. NAHUYS, Philos & Philol. Professor en Predikant te Rotterdam. Te Rotterdam, bij J. Bosch 17776. Behalven het Voorwerk, te zamen 424 bladz. in gr. 8vo. De Prijs is f 2:2:-, blz 125-135]
twee ongeloovigen: Toland, Collins Sykes Chandler
Aanmerking over den aart der burgerlijke vrijheid… Richard Price – vertaald door van der Capellen, verder genoemd, Fletcher, Tydeman
machivel bayle en rousseau over de antithese burgerstaat christendom
VOLTAIRE komt voor in het programma van een genootschap “onder de zinspreuk “non placet nobis orthodoxia fine Pietate, nex Pietas fine orthodoxia, tegen een program van Burmannus secundus? [481-485]
TYDEMAN: “verzameling van verhandelingen tot de Zedekundige Wijsbegeerte…” met o.a. een stuk over de zelfmoord.. recensie noemt heilmannus, hutcheson, schott, harprecht sulzer
Gellert vertaald door Lublink ‘zedkundige lessen’1775
Farmer ‘keurige verhandeling over de wonderwerken 647 (over de Demonische bezetenen in het Nieuwe Verbond Hugh Farmer)
1777 – V – Vijfde deel, eerste stuk
moet nog
1777 – V – Vijfde deel, tweede stuk
MENGELWERK:
index verwijst naar 5-1777-I, blz 633-637 “Gemoedelijke aanprijzing der Bijbelsche Zedekunde, boven alle Heidensche, met aanwijzing van de verderffelijke Zedekunde der Vrijgeesten. B. 633-637”.
1778 VI – Zesde deel, eerste stuk
Geen Hume, wel Bonnet, Kluit, Bates, Marmontel, Martinet, Paape
1778 VI – Zesde deel, tweede stuk
MENGELWERK
geen Hume in mengelwerken-index
Het Women-Writers-onderzoek heeft uitgewezen dat de redactie anti-betje-wolff was.