« Vorige pagina — Volgende pagina »

Schultens is een goede kennis van Van Goens! (zie post over Wille 1937)

De eerste, en enige veilingcatalogus die (tot nog toe) gecatalogiseerd is door Google is er eentje van Hendrik Mostert, die op maandag 18 september (en elke werkdag tót 12 oktober) in Leiden alle boeken, gefaseerd, van Johan Jacob Schultens veilde, Doctor in de theologie en professor in oosterse talen in de ‘Academia Batava. De hele catalogus is in het Latijn opgesteld en herbergt vier werken van Hume (de eerste en tweede Enquiry, Political Discourses en Essays, Moral en Literary).

A Delineation of the Nature and Obligation of Morality with Reflexions upon Hume’s Inquiry Concerning the Principles of Morals, ibid. [Edinb.] 1762. e.b.

nog meer anti-hume

Wie is deze Adams, vinden we die terug in het Nederlands?

Daarnaast vinden we een heleboel anti-philosophes (schat ik) terug:

Pensées Antiphilsophiques
Theodicée van Leibnitz
“Pensées Raisonnables Opposées aux Pensées Philosophiques
2 x Elie Luzac ‘Recherches sur quelques principes des Connoissances Humaines, Gott. & Leide 1756

Een vertaalde James Beattie “over de natur en onveranderlykheid der Waerheid – Utrecht 1773 [boek 5682]

Joseph Priestley’s Examination of Dr. Reid’s Inquiry into the Human Mind on the Principles of Common Sense, Dr. Beattie’s Essay on the Nature and IMmuability of Truth and Dr. Oswald’s Appeal to Common Sense in Behalf of Religion, Lond. 1774 [blz 504 bovenaan, gevolgd door nog meer Priestley, 3 boeken nog]

Een serie boeken rond Locke’s Essay concerning Human understanding, waaronder een beknopte nl versie uit 1767

Lulofs, Vitringa, Reimarus,

Wollaston. Ebauche de la religion Naturelle, a la Haye

Voet

Musschenbroek

J. B. Robinet de la Nature Amst 1761-1766

Hobbes de Corpore

Hennert over thermometers

Merian – Gods Oneindige Groothed schitterende in het oneindig getal der Werelden / Leyden 1772 [blz509]

Grotius – De jure Belli

Buppendorf’s the Whole Duty of Man according to the Law of Nature with notes of Barbeyrac, Lond 1716.

J. D. Michaëlis von der Verpflichtung der Menschen die wahrheit zu reden, Gott 1773.

Fordyce

Antwoord van een Regtsgeleerde aen zyn Vriend ter vereffening van de geschillen over ’t Zedelyk Gevoel / Utr. 1774.

Montesqui l’Esprit des Loix en Considerations sur les Causes de la Grandeur des Romains & de leur Décadence; avac la defense de l’esprit des loix,

en brieven

locke: Joh Lock over de Opvoeding der kinderen / Rotterdam 1698

J.J. Rousseau Emile

[blz 511]

en dan toch nog een verwijzing naar de rel met Hume in één van de laatste titels in het octavo-bestand: “Exposé de la Contestation entre M. Hume & M. Rousseau”

rousseau vs hume

Maupertuis Zedenkundige verhandeling over het geluk vertaald door El. Wolff geb. Bekker / Hoorn 1773
Verder nog in de 41+156+350 kavels tellende afdeling “Philosophi Veteres & Recentiores”: Locke in Latijn en Frans, Hobbes’ Leviathan en Opera Philosophica, Chr. Wolff in Latijn, Hugo de Groot, Leibnitz in het Frans, Malebranche, Descartes, Lulofs, Van Musschenbroek, Nieuwentyt, Barbeyracs vertaling van Pufendorfs Le Droit de la Nature én in het Latijn, “Sketches of the History of Man” uit Edinburgh (?) 1774 Tydeman, Van der Marck over natuurrecht, en Elie Luzacs uitgave van Wolffs Droit de la Nature. [ dit wel allemaal in quarto wat wel iets luxer is dan octavo natuurlijk] Francis Bacon, Cato, Cicero, Tullius,, Bacons Essays, Balthasar Bekker. “Le philosophe de Rotterdam Accusé Atteint & Convaincu” amst. 1706

[uit de serie Verhandelingen van Teylers, 1796]

JAN BROUWER (dit keer de GOUDEN EERPENNING)

VERHANDELING OVER DE VRAAG: KAN MEN MET GROND BEWEEREN, DAT DE MENSCHEN IMMER, ALLEEN DOOR MIDDEL HUNNER EIGENE REDE OF REDEKAVELINGEN, ZONDER BEHULP VAN EENIG RECHTSTREEKS, OF MEER ONMIDDELYK GODLYK ONDERWYS TOT DE RECHTE DENKBEELDEN VAN GOD EN GODLYKE ZAAKEN ZOUDENHEBBEN KUNNEN KOMEN

DOOR DEN EERWAARDEN HEER JAN BROUWER, LEERAAR DER DOOPSGEZINDE GEMEENTE, TE LEEUWAARDEN.
ONDER DE SPREUK: Sunt certi denique fines: Quos ultra citroque nequit MENS cernere VERUM.

HOOFDDEEL I. Onderzoek of eenig Mensch, by het enkel licht zyner Ree, rechte denkbeelden van God en godlyke zaaken, zoude mogen opvatten.

[par] 1;

Het geen de scharderste Wysgeeren van den al ouden tyd, en onder de meest beschaafde volkeren der wereld, geenzins, of ter naauwer noode (zoo men zulks liever wil,) bereikt hebben, dat ze zeker zoude het dwaasheid zyn van eenen onopgeleiden gantschelyk onbedreeven Mensch, hoedaanig hy zich in den staat der natuure voordoet te verwachten. Men zondere den sterveling af van alle zaamenleeving, men onderstelle, dat hy buiten alle Maatschappelyke betrekking, en in het diepste der woestenyen, op welke wyze ook, groot geworden zy; deeze, of schoon men aan Hem het verstand van eenen NEWTON toeschryve, zal zyn beleid moeten te koste leggen tot vervulling van den geduurigen eisch zyner behoeften, of tot najaaging van zyne ruwe en zinnelyke vermaaken: en, wat zoude aan hem, die als een onmondig kind zijn drift en lusten opvolgt, aanleidinge geeven konnen tot de beoeffening en inspanning zyner redelyke vermogens, of wel tot de vraage naar de onzichtbaare oorzaak van zyn bestaan, en der dingen buiten Hem aanwezig? (c) [noot op 14n dus: “(c) ROBERTSON Hist. de l’Ameriqe liv. IV. [par]. 7 &c. Note 85. Verg. met Iselin Gesch. der Menschheid, D. I., B.II., inzonderheid. H. 8. 9. en 12. Hume The Nat. Hist. of Religion [par]. 6 – Vol. II. of the ESSAYS p. 459. en Montesquieu de l’sprit des Loix Liv. 1 Ch. 2.] Geen wonder ook is deeze volkomen onkunde, nadien volgens getuigenis der nieuwste wereldreizigers zelfs geheele volkeren in afgeleegen oorden des Aardkloots leeven, by wien geene denkbeelden altoos van eenige Godheid waaren op te spooren (d). [noot 2 op 14n dus: “(d) ROBERTSON als vooren, COOK en BOUGAINVILLE in hunne wereldreizen. – Volgens getuigenis van wylen den beroemden MANGER in de reeds aangehaalde STOLP: Verh. p. 124. Locke on Human Understanding B. I. Ch. 4. [par]. 8 zynde dit het Ch. 3 in de Fransche Vertaling en SPARRMAN a Voyage to the Cape of GOOD HOPE Vol. I.. p. 207. Verg. met HUME The Nat. Hist. of Religion, Introd. Vol. II. of the ESSAYS p. 433.

[par] 3;

De zodaanigen, die openlyk de hemelsche zendinge van Christus tegenspreeken en verwerpen, beweeren stoutelyk, dat de Reden alleen genoegzaam zy om den sterveling gezonde begrippen omtrent God en Godlyke zaaken in te boezemen, ja dat de meere verlichtinge, welke zich, na de verkondiging des Euangeliums, ten deezen aanzien onder de Christen Volkeren verspreid heeft, aan geen bovennatuurlyk onderwys is toe te kennen (f) [noot op 19n: “(f) TiNDAL Christianity as old as the Creation pag. 4. BONLINGBROKE volgens LELAND ter aangehaalde plaatze. ROUSSEAU EMILE Tom. III., Oeuvres Tom. VIII. p.110. (Amst. in 8vo.) HUME nochthands verschilt van de rest der Ongeloovigen, en stelt dat het der Reden meoyelyk zy, zich van de grond-waarheden van den godsdienst te overtuigen, het hierom daar voor houdende, dat het Deismus uit het Poletheismus gebooren wierd; welke stelling hy uit de geschiedenis inzonderheid te bewyzen zocht. The Natural History of Religion, Vol II. of his essays, and Treatises, Sect. VI.

[par] 13;

“Overtuigd van het onvermogen der menschelyke reden, om eene grondige kennis uit eigen bespiegeling, of onderzoek te verkrygen van de voornaamsgte Godsdienstige waarheden, ( Hoofd: I doorgaans ) bezeffende daarboven, dat wanneer ik al in dit gevoelen dwaalen mogt, die vereischte zekerheid niet, dan na verloop van eeuwen, en by eene gevorderde beschaafdheid, te erlangen zy; (t) [Nootje opnieuw naar een eerdere noot waarin naar de NHR wordt verwezen.] helde ik steeds over tot de onderstelling dat de weldaadige Oorzaak des Geheelals, reeds by de schepping van den mensch, en in de kindsheid der wereld, zich zelven, op hoedaanige wyze ook, geopenbaard heeft aan de eerste redenmagtige bewoonders der Aarde.”

En een noot bij een stukje de onmogelijkheid om goddelijke openbaringen aan het adres van zeer oude volken met historisch onderzoek tot absolute zekerheden te verheffen – hoezeer “de onsterfelyke de Groot, door zyne vergelyking van sommige Mosaïsche verhaalen met de denkbeelden daar van by de oudste Heidensche natien voorhanden, daar aan die zekerheid gaf” ook – , waarmee tegelijkertijd zou zijn bevestigd dat god dacht dat de mensen zelf niet met behulp van hun eigen Rede tot échte grondige kennis, de waarheid te komen. Maar Brouwer kiest voor de waarschijnlijkste opvatting, namelijk dat pas later in die bijgelovige wereld enige eerbied voor het hogere te vinden was.

“Ook hellen wy te meer over om deeze uit de gezegde bronne voornaamelyk af te leiden, nadien alzoo de Reden ten klaarsten blykt, waarom eerst laatere Reiziger ([par] 1 _ getuigenis gaven van geheele natien, by welke zy geene spooren vonden van eenige kennis of eerbied voor hoogere wezens; deeze geheele gedachte namelyk, was by die Wilden, zints lange in de uiterste woestheid, en in eenen staat, van het overig Deel des Aardbodems afgescheiden, geleefd hebbende, ten eenemaal verlooren; terwyl integendeel dit verschynsel naauwelyks te verklaaren is, zoo lange men beweert dat de Zwervende Geslachten der Oudheid, niet door overlevering, maar gezond verstand, hunne oppervlakkige, en bedorven kennis aangaande Godlyke Zaaken verkreegen, welke nochthans by laatere horden in levenswys en denkvermogen {blz 63] aan de eerste nagenoeg gelyk staande gantschelyk onbekend bleeven (w) [noot dus op 63n. “(w) By uitstek moeijelyk is het deeze zwaarigheid naar de stellingen van Hume in de aangehaalde verhandeling op te lossen; waarom wy ons te liever omtrent die tegenbedenkinge enigszins ter wederlegging van zyne gevoelns uit lieten.”

(mmmmh nog niet helemaal begrepen, deze)

IETS OVER DE KANTISCHE WYSBEGEERTE, DOOR W. SERVAAS M. D. AAN DEN SCHRYVERS VAN DEN N. A. KONST- EN LETTER-BODE (9 en 16 juni 1797)

“Te recht merkt de Journalist aan, dat de aanvallen van Hume op de Overnatuurkunde, Kant hebben aangezet om de tot hier toe algemeen aangenomen denkwyze en deze wetenschap streng ter toets te brengen. Men denk niet, dat deze aanvallen in spitsvindigheden van gering bestonden, waar voor veelen alle Overnatuurkundige vraagstukken houden. De schrandere en diepdenkende Engelsche Wysgeer Hume bedoelde niets minder, dan allen grond voor het begrip van eene oorzaak der waereld, van eenen Schepper, van eenen God, met al wat uit die begrippen volgd, weg te cyfferen. Hy beweerde, dat de grondregel, ‘er kan niets bestaan zonder oorzaak, valsch was; dat alle overreding, die wy daar van hebben, alleen uit de ondervinding voortspruit; daar nu de ondervinding ons alleenlyk leerd, hoe de dingen daadelyk voorkomen, maar niet, dat zy noodzaakelyk zoo en niet anders voorkomen moeten of kunnen, kan zy ons nimmer algemeene noodzakelykheid leeren. Wy kunnen derhalven wel met grond zggen, zoo en zoo geschiedt dit, zoo ondervinden wy bestendig; maar wy kunnen daar uit, nimmer vaststellen, dathet noodzaakelyk altyd zoo zyn moet. Nu hebben wy wel altoos waargenomen, dat elke toestand der dingen, elke verandering in de geheele natuur en in elk byzonder ding derzelve, voorgegaan is door eenen anderen toestand, die de reden of het wezen van die daar op gevolgde verandering in zich scheen te behelzen, en wy ondervinden gestadig, dat wy verandering in de dingen kunnen te weet brengen, door haaren tegenwoordigen toestand te veranderen. Dit noemen wy oorzaaken en gevolgen : maar deze reeks van opvolgende en malkander bepaalende veraneringen en gevolgen, die wy oorzaaken en gewrochten noemen, bepaalt zich alleen binnen den kring, binnen der omvang, der geheele natuur of het Geheelá¤l, voor zover wy dit kunnen waarneemen; maar deze gantsche natuur, dit Geheel-al, kunnen wy nimmer overzien en is dus in zyn geheel niet waarneemen: wy kunnen derhalven daar uit niet besluiten, dat die Geheelá¤l ook eene oorzaak hebben moet. Wy bevinden, dat het bestaat, en de stof van voorwerpen van alle onze ondervindingen en waarneeming behelst, maar het is dwaasheid naar desselvs oorzaak te vraagen en vermetel, herssenschimmig en ongerymd, eene oorzaak daar van te stellen. Vraagt men nu, van waar hebben wy dan toch die sterke overreding, die ( ten minsten schynbaare) zekerheid, dat al wat is, eene oorzaak hebben moet? Hume en zyne instemmers zullen u vertrouwelyk antwoorden, alleen van uwe bestendige gewoonte van waarnemen en ondervinden; daar door is dit besluit, by u, hebbelyk geworden; om dat gy dit zo gestadig ondervindt, meent gy, dat dit niet anders zyn kan; daar gy intusschen [blz180] geen meer recht tot dit besluit hebt, dan een bewoonder der verzengde luchtstreek, die nooit ys gezien heeft, om te besluiten dat het water geen hard en vast lichaam kan worden.”

[ alk 9 juni 1797, blz179]

en dan, op blz187 (16 juni 1797)

“Wanneer wy deze zuivere verstands-begrippen op haar zelven beschouwen, zyn zy, gelyk Kant zich uitdrukt, ledige tituls, of opschriften, zonder inhoud. Hier uit volgt (en het onderzoek van alles, wat wy eigentlyk kennen, bewyst dit ook van agteren) dat wy met alle deze gereedschappen van kennen nimmer buiten de grenzen, of buiten het veld der mogelyke ondervinding komen kunnen; en, in zoo verre, heeft dus Hume gelyk. Daar echter deze onze zuivere verstands-begrippen zelve buiten het veld der eigentlyk gezegde ondervinding leggen; daar wy dezelve, afzonderlyk, dat is, in het afgetrokkene, voor onze aandagt stellen, vergelyken, beoordelen en beredeneeren kunnen; en daar wy ons niet wederhouden kunnen, ja, eer wy het merken, straks by alle nadenken, en bespiegelingen, ons buiten het veld der ondervinding en over haare grenspaalen heen begeven en straks het algemeene, eerste, onvoorwaardelyke, van alles wat wy kennen en als mogelyk kenbaar bezeffen, trachten optespooren, en uit dat alles eene eenheid, een systematisch geheel, pogen te maaken (*), ontdekken wy (volgens Kant) in ons, een hooger vermogen, het welk hy eigentlyk de reden, of het vernuft, noemt.”

In de inleiding van Petsch schrijft hij dat hij, naast een levensbeschrijving en een historie van de Théodicee, ook een lofrede van Fontenelle heeft gezet.

PROEVEN ENER THEODICá‰E, OF GODS-VERDEDIGING, OVER DE GOEDHEID VAN GOD, ‘S MENSCHEN VRYHEID, EN DEN OORSPRONK VAN HET KWAAD

TWEDE DEEL

[Waarin ‘den heer Bayle in ’t bijzonder’ wordt weersproken – blz 1 – Bayle die in de hoofdtekst dan ook regelmatig wordt aangehaald]

Paragraaf 153 “Van denzelfden aart is de verklaring van de oorzaak des kwaads door een het kwaad voortbrengend [95] of scheppend grondbeginsel, per principium maleficum (171) Het kwaad heeft zo min een ( eigen, oorspronklyk) beginsel nodig, als de koude en de duisternis: er is geen oorspronkelyk beginsel van de koude (Primum frigidum) noch van de duisternis. Het kwaad zelve komt alleen uit de beroving (privatio) voort. Alles wat daarin stellig (Positivum is, heeft ‘er slegts verzellender wyze (Concomitanter) plaats, gelyk het werkzaame (… activum) in de koude.

[voetnoot](171) En van denzelfden aart is, naar ’t my toeschynt, de verklaring van den grondslag der zeedlykheid door een zeedlyk gevoel, ’t welk by zommigen als een zeedlykheidmaken vermogen (facultas moralifica) voorgedragen wordt. De Heer Hume b. v. spreekt van het zeedlyke gevoel of smaak, (moral sense or taste in tegenstelling van de reden, als van een scheppend of voortbrengend vermogen; a productive Faculty. Zie de Append. concern. moral sentiment p.211.) Wie hier over meer begeert kan te regt komen in de door my uitgegevene briefwisseling van PHILAGATHOS en PHILALETHES, over de Leer van het zeedlyke gevoel. bladz. 115 en volg. vergeleken met bladz. 41.

Fieser over het origineel

« Vorige pagina — Volgende pagina »