In de Nederlandse Bibliotheek, derde deels, eerste stuk.
UITTREKZELS EN BEOORDEELINGEN VAN BOEKEN.
“Verhandeling over de natuur en Onveranderlijkheid der Waarheid, in tegenstelling der Sophisterij en Twijfelaarij. Uit het Engelsch van den heer JAMES BEATTIE, LL. D. Hooleeraar in de Natuurlijke Wijsgeerte en Redeneerkunde in het Marischals Collegie aan de Universiteit van Aberdeen, vertaald, en met de verbeeteringen en Vermeerderingen van den Autheur verrijkt, en na de laaste uitgaave nagezien door PETRUS GERARDUS DUKER, onder de inspreuk van Juvenlais: Nunquam aliud Natura, aliud Sapientia dixit.
Te Utregt bij J. C. ten Bosch, 1773. in gr. 8vo. Behalven de Vorreden [sic] van den Vertaaler en Inhoud der Hoofdstukken, 606 bladz. De Prij is f 2: 10: -”
in De Nederlandsche Bibliotheek(, waar in beoordeelingen en berigten van verscheidene boeken en kleindere geschriften, benevens eenige mengelstukken worden opgegeeven. Alles tot bevordering van Geleerdheid en Weetenschappen, en voornaamelijk in gerigt tot Bevestiging en Verdediging van den Christelijken Godsdienst in ’t gemeen, en van den Gereformeerden in ’t bijzonder. Candide et Modeste.)
Derden Deels (1775) Eerste Stuk
[305]
De stoffelijke wereld (mundus materialis) brengt somtijds dingen voort, welke van de gelijkformigheid, waar med de natuur gewoon is te werken, wat heel veel afwijken, en die men daar gewoon is monsters te noemen. Dit gebeurt evenwel maar somtijds, op dat men de wijsheid en goedheid van den Formeerder van alles niet zou verdenken. En, als het gebeurt, dan worden zulke wanschepsels van de verstandige wereld (mundus intellectualis) vel bewonderd, en wanneer ze tegelijk ook tot die wereld behooren, van de overige menschen wel beklaagd, als of de natuur hn ongelijk had aangedaan; maar niemand is egter dwaas genoeg, om gedrogten voor wezenlijke schoonheden aan te zien, schoon ze, in ’t algemeen oogmerk van den wijzen Bouwmeester van ’t Geheel-al, zoo min als andere dingen, niet te vergeefsch zijn.
Maar wie zou ooit hebben kunnen denken, dat ‘er, in de verstandige wereld zelve, schepsels waren, die zichzelven tot zulke monsters makten, en dan nog voor schoonheden van den eersten rang wilden doorgaan? En evenwel van lange tijden herwaarts wierden ‘er de zulken onder het geslagt der menschen gevonden, die zich uitgaven [306] voor wijze, daar zij dwaas waren, en zich zelven als de verstandigste van allen aanmerkten, en van anderen wilden aangemerkt worden, wanneer zij voorgaven niets te verstaan.
PYRRHO van Helia, een leerling van Anaxarchus, van een schilder een Wijsgeer geworden, omtrent 300 jaaren voor de geboorte van CHRISTUS, wordt, hoewel misschien ten onregte, voor den stamvader van dit gedrogtelijk geslagt gehouden. Waarom het gevoelen van deeze wonderlijke Secte van hem, ook nog heden, den naam heeft, Pyrrhonismus, dat het zelfde wil zeggen als Septicismus [sic], twijffelarij. Sedert schijnt dezelve niet alleen in stand gebleeven te zijn, maar ook zoo zeer vermeerderd, dat ze voor den Godsdienst zelfs gevaarlijk geworden is; dewijl ‘er zich menschen onder bevinden, die, daar ze in andere weetenschappen toonen bekwaam genoeg te wezen, om het waare van het valsche te onderscheiden, uit dit beginzel, als het zoo genoemd mag worden, durven bestaan den Godsdienst, en de Godheid zelfs, te bestrijden.
Geschiedde dit alleen met woorden, bij menschen, daar het geen kwaad kan doen, men zou het, als gedogtelijke wartaal, kunnen verachten. Maar nu het in openbaar geschrift, met den opschik van valschelijk genaamde Weetenschap, wordt voorgesteld, is elk Christen, en alle die de waarheid beminnen, verpligt zich hier tegen te zetten.
Zoo begreep het ook de Heer BEATTIE, Hoogleeraar in de Natuurlijke Wijsgeerte en Redeneerkunde op pde Hoogeschool te Aberdeen, in Schotland. En dit deed hem, alzoo dit kwaad in het kongingrijk van Groot Brittannien, misschien meer dan elders, veld begint te winnen, de pen daar tegen op te vatten, en dit Vertoog over de Waarheid schrijven, waar van de volledige Titel hier boven staat.
Het werk schijnt het geluk gehad te hebben, dat het, wegens den goeden aftrek, in ’t Engelsch, verscheiden maalen gedrukt is, waarom het dan ook te minder aanprijzing behoeft.
Om dat het evenwel nu, voor de eerstemaal in ’t Neerlandsch te voorschijn komt, is het zelve voorzien met een korte Voorreden, welke ten meesten deele bestaat uit een Brief aan den Heer Vertaaler van den Wel Eerwaarden Heer R. BROWN S. S. Th. D. en Predikant in de [307] Engelsche Gemeente te Utregt, welke het zelve tot geen gemeenen lof verstrekt.
Wat het Werk zelve aangaat. Uit den algemeenen Inhoud, welke terstond agter de Voorreden volgt, blijkt, dat het bestaat uit drie Deelen, ieder in verscheidene Hoofdstukken verdeeld, die wederom, wat de twee eerste betreft, hunne bijzondere onderscheidingen hebben. En het is, zoo als de Schrijver betuigt in de Inleidinge bladz. 21 geen vroegrijpe vrugt van losse en schielijk opkomende gedagten, maar van een welbekookte redeneering; een arbeid van verscheiden jaaren, waar over de schranderste Wijsgeeren van deeze eeuw zijn geraadpleegd.
Wij zullen tragten aan onze Leezers een geleidelijk denkbeeld van het zelve te geeven, en hier en daar ons oordeel zediglijk, maar opregt geeven.
Het eerste dat ons in dit Werk voorkomt, is een gepaste en leezenswaardige Inleiding, welke loopt van bladz. 1 tot 22. In dezelve vindt men, behalven een onpartijdige, en niet onverstandige beöordeling van de voordeelen, welke de tegenwoordige eeuw, ten aanzien van sommige weetenschappen, heeft, boven de voorgaande, en van sommige Schrijvers, en derzelver prijslijke en laakbare hoedanigheden, eene ontvouwing van het oogmerk deezes Geschrits, ’t welk is, om de Twijffelarij, als geheel nutteloos voor waarheid en deugd, ja daar aan ten hoogsten nadeelig, ten toon te stelln, en daar en tegen zulke gronden van zekerheid aan te wijzen, die zonder dat ze een spitsvindige navorsching vereischen, als van zelve voortvloeien uit een oplettend onderzoek van ons eigen hart en gewaarwordingen, en behoorlijke achtgeeving op het gedrag van andere menschen, die met ons in een onderlinge betrekking staan, ten einde de losbandigheid, waar toe deeze eeuw zoo genegen is, tegen te gaan, en met de Goddelijke openbaring, die het leven en de onsterflijkheid aan het licht heeft gebragt, in het aanwijzen van de noodzaaklijkheid eenes toekomenden staats, mede te werken, en daar aan dienstbaar te wezen.
Die Inleiding eindigt met deeze betuiging: “Indien dit stuk, ’t welk hij” (t. w. de Schrijver) “hoopt dat van niemand onbeziens zal veroordeeld worden, eenig licht aan de eerste grondstellingen der Zedekunde mocht bijzetten; indien het den jongen en onbedachtzaamen [308] eenige behoedzaameid mocht inboezemen tegen die bediegelijke redenerings-wijs en losbandigheid van beginselen, welke de verkeering en de schriften deezer eeuw maar al te veel aansteken; indien het, eenigermaate, iets mocht toebrengen tot het genoegen van sommige waarheid en deugdminnaaren; zoo zal zijn oogmerk volkomen beantwoord zijn: en hij zal zich, tot het einde zijns levens, verheugen in de herinnering van den moeilijken arbeid, aan welken hij tot het onderzoek van dit allergewichtigst geschil, zoo veele uuren besteed heeft”.
De Hoogleeraar zijn Werk, gelijk gezegd is, in drie Deelenverdeeld, en reden van die verdeeling gegeeven hebbende, maakt een aanvang in het eerste Deel, van den Proefregel der Waarheid.
Om deezen aan te wijzen, bepaalt hij in het eerste Hoofdstuk van dit Deel vrij nauwkeurig en verstaanbaar verscheiden kundigheden, die veel invloed hebben op dit Vertoog over de Waarheid. Inzondrheid bepaalt de Heer BEATTIE zich tot het groot onderscheid, dat er is tusschen de kennis van sommige waarheden door gevolgtrekkingen uit andere bekender, met behulp van de Reden, en de kennis van andere waarheden, axiomata, (bijvoorbeeld dat 2 en 2, geen 5 of 6, maar 4 zijn, dat een geheel, ’t welk uit veele deelen bestaat, grooter is dan één van die deelen, en meer andere soortgelijke waarheden,) door gemeen natuurlijk begrip, (common sense, in ’t Engelsch,). En wat hij daar door verstaat geeft hij bevattelijk genoeg te kennen bladz. 43 en 44. naamelijk: “een vermogen van den geest, het welk de waarheid gewaar wordt, of het geloof afvordert, niet door een voortgaande redeneering, maar door een oogenblikkelijken, natuurdriftelijken, en onweerstaanbaren aandrang; een vermogen, het welk zijn oorsprong noch uit de opvoeding noch uit de gewoonte heeft, maar alleen uit de natuur zelve; het welk onafhangelijk op onze ziel werkt, zoo dikwils het zijn voorwerp ontmoet, overeenkomstig een vastgestelde wet-; en het welk op gelijke wijs op een ieder werkt, of ten minsten op verre het grootste gedeelte der menschen, en daarom eigenlijk (common sense) gemeene zin genaamd word.”
Dan, na het onderscheid deezer twee vermogens van onze ziel, de Reden, en dit gemeen natuurlijk Begrip, te hebben aangetoond, en ook hunne verknogtheid en onderlinge afhanklijkheid, benevens de uitgestrektheid van elks grondgebied, gelijk hij zich uitrukt, waar in fraaije aanmerkingen tegen BERKELEY en HUME, twee bekende Twijffelaars in Engeland te vinden zijn, besluit hij dit Hoofdstuk met te zeggen: “Ik ben in staat om aan te toonen, dat, zoo wij niet een menigte dingen zonder bewijs gelooven, wij niemmer iets, hoe genaamd, zullen gelooven kunnen; want dat alle gezonde redeneering eindelijk steunen moet op de grondstellingen van het gemeen natuurlijk begrip, [309] dat is, op zulke grondstellingen, die beschouwelijk zeker, of beschouwelijk waarschijnlijk zijn, en bij gevolgd dat het gemeen natuurlijk begrip de laatstee en beslissende rechter der waarheid is, aan welke de Rede gestadig in haare werkinge moet onderschikt blijven.”
Dit belooft de Aucteur bij een onwraakbare afleidin van bijzondere stukken te zullen bewijzen. En daar toe dient het tweede Hoofdstuk, ’t welk in negen Afdeelingen, Stukken van den Schrijver genoemd, verdeeld is.
Dat ‘er zeekere eerste waarheden zijn, die geen betoog, hoe genoaamd, toelaaten, en daar ook geen meerder zekerheid, of klaarheid, kunnen ontfangen, dan zij van zelve hebben door een ingeschapen natuurdrift om ze toe te stemmen, die aan alle menschen gemeen is, wordt in het eerste Stuk getoond plaats te hebben in alle Wiskundige Redeneering.
In het tweede Stuk, beroept de Schrijver zich op het getuigenis der uitwendige zinnen van het gehoor, het gezigt, het gevoel, den reuk, en den smaak. en de tegenwerping, ontleend van de bedrieglijkheid onzer zinnen, in sommige omstandigheden, wordt overtuigend opgelost.
In het derde Stuk wordt gesprooken van het getuigenis des inwendigen gevoels, het welk, met overtuigende redenen, wordt aangetoond dat wij niet kunnen loochenen, zonder onze natuur geweld aan te doen.
Hier is bijzonder aanmerklijk bladz. 80-98. de verstandige redeneering, zoo in den text, als in eene aanteekening op de eerstgenoemde bladz. over de aanwezigheid en eenzelvigheid van onze ziel niet alleen, maar, wat het laatste aangaat, ook zelfs van onze lichaamen, oná¤angezien de geduurige veranderingen, welke de laatste ondergaan. Eene zaak die waardig is in het Boek zelve [310] geleezen te worden, om dat ze veel licht geeft tot oplossing van de zwaarigheid omtrent de opstanding van dezelve lichaamen ten jongste dage, ten aanzien van de vernieuwde hoedanigheden, welke die als dan zullen hebben, schoon de Aucteur ‘er tot dat einde geen gebruik van maakt.
’t Vierde Stuk spreekt, ten zelfden einde, van het getuigenis des Geheugens en bevat fraaije aanmerkingen over het verschil tusschn het Geheugen en de Verbeeldingskragt.
In het vijfde Stuk wordt onwederspreeklijk aangetoond dat de zetregel: “alles wat begint aanweezig te zijn komt van een oorzaak voort” beschouwelijk zeeker is. Dat is te zeggen, dat zij door geen bewijsreden of middel van betoog, klaarblijkelijker kan gemaakt worden, dan zij is, wanneer het verstand dezelve eerst ontwaar wordt; ’t welk vervolgens tegen den Heer HUME wordt aangedrongen. En ‘er wordt bladz. 122-132 een voortreffelijk gebruik van gemaakt tegen de Ongodisten in ’t gemeen, en den genoemden HUME in ’t bijzonder om uit de werken der Scheppinge het eeuwig vermogen en de Godheid des Scheppers aan te toonen.
Dit stuk wordt besloten met den Leezer te wijzen op een Boek, dat het licht reeds zag voor dat HUME’S Verhandeling over de menschelijke natuur in de wereld was. En, dewijl de Schrijver zich dus van deezen Ongodist afmaakt, verschoont hij zich deswegens, en eindgit met deeze opmerkelijke woorden: “Het is bij ongelovige Schrijvers langen tijd de mode geweest (evenwel minder bij eezen Schrijven dan bij verscheiden anderen) om tegenwerpingen tegen den Godsdienst, die meer dan eens en onbeá¤ntwoordelijk wederlegd zijn, als hunne eigene en als geheel en al nieuwe op te geeven. Deeze kunstgeep geeft hunne leerlingen geen aanstoot: zoo die Heeren al iets leezen, bepaalen zij hunnen naspooringen in ’t algemeen tot den eenen kant des geschils: en de Schrijvers zelve haalen ‘er ten opzigt van tijd en uitvining vrij veel mede uit.”
Hier op volgt het zesde Stuk, waar in de redeneering uit waarschijnlijkheid of ondervinding overwogen wordt. En de Schrijver haalt bladz. 137, ter opheldering van zijne gezegdens hier over, eenige regels aan uit MILTON’s Paradijs Verloren, welke hij oordeelt te gelijk uitneemend schoon, en juist wijsgeerig te wezen. Vooral wil hij de aandagt zijner Leezeren bepaalen bij die woorden van MILTON, ter uitbeelding van ’t geen ‘er in Adam’s gemoed omging, toen hij voor de eerste maal uit den slaap ontwaakte.
“Ik was gerust en onbekommerd / Schoon ‘k warlijk dagt, dat ik weer tot mijn eersten staat / Van ongevoel, en tot vernietingeing verviel”
“Adam”(zegt de Schrijver van dit Vertoog hier op,) had ter deezer tijd geen ondervinding van slaap en daarom kon hij met geen waarschijnlijkheid verwachten, dat hij ‘er uit ontwaaken zou. De aannaderingen van den slaap waren met diergelijke gevoelens vergezeld, als hij bij zijn ontwaaken ten levenhad ondervonden, en moeste dat denkbeeld natuurlijker wijze in zijn geest doen opkomen; en terwijl hij geene reden had om te verwachten, dat zijn leven zou blijven duuren, moesten zij hem doen zien hoe waarschijnlijk het was dat hij zich wederom op den kant een’s ongevoeligen staats bevond”
En op het einde der aanteekening, onde raan de bladzijde, zegt de Heer BEATTIE: “ik weet niet wat misschien anderen denken, maar het komt mij wonderlijk schoon en natuurlijk voor.”
Edoch hier moeten wij bekennen, dat wij dat wonderlijk schoone en natuurlijk in MILTON’s woorden niet kunnen vinden.
De woorden zelve schijnen ons iets tegenstrijdigs in zich te behelzen; want, hoe kon gerustheid en onbekommertheid, in den geest van Adam, met zulke gedagten, als MILTON aan hem toeschrijft, samen gaan?
En nog minder schijnen ons zulke gedagten te strooken met ADAM’s kennis, in dn staat der regtheid, (want daar in was hij toen nog, gelijk blijkt uit Gen. 2:21-25), van God en zijne betrekkinge op God, en de belofte van leven, zoo lang hij niet zondigde, aan hem gedaan. MOSES boezemt ons in zijn verhaal van ADAMS bedrijf, na zijne eerste ontwaaking uit dien diepen slaap, welke de Heere op hem deed vallen, geheel andere gedagten van hem in, dan die Engelsche Heldendigter aan hem toeschrijft.
Dit waren wij aan de waarheid schuldig hier aan te teekenen, maar voegen ‘er bij, dat het de kragt van ’s Schrijvers overige redeneeringen, in dit stuk, niet het allerminste benadeelt.
Het zevende Stuk heeft tot onderwerp, het redeneeren uit Evengeá¤artheid of Analogie, alwaar de redeneering van den Schrijver, als Hoogleeraar in de Natuurkunde, over de Waarschijnlijkheid, dat de Planeeten zoo wel als onze Aarde door levendige Schepselen bewoond worden, voor kundige menschen niet aanstootelijk zal weezen. ’t Is ook maar eene gelijkenis, die al houdt imeand ze niet voor waaragtig, egter aaan het bewijs in et algemeen geenzins te kort doet.
In het agtste Stuk wordt gesprooken van het het vertrouwen, dat men gewoonlijk stelt in het getuigenis van anderen. En de Schrijver vergeet zijne Leezers te doen opmerken den invloed, welke dit stuk heeft oop onze gevoelens van Godsdienst, en op onze Gechiedkundige kennis. ’t Welk voortreflijk van hem wordt uitgevoerd.
Eindelijk wordt, in het negende Stuk, dit alles tot een besluit gebragt. De Schrijver trekt zijne redeneeringen bij een, heldert ze op, en verdedigt ze tegen verscheidene bedenkingen. Waar in vooral leezenswaardig is, ’t geen de Aucteur aanmerkt bladz. 160, enz. tot wederlegging van dat ijdel voorgeeven der Ongodisten, als of de Twijffelarij, beter dan de Godsdienst, geschikt was, “om de bloeddorstige grondstellingen der bijgeloovigheid en geestdrijverij te doen ruimen, voor de zachte en onschadelijke beginselen der twijffelaarij en gematigdheid.” ’t Welk verdient in het werk zelve geleezen te worden.
De Hoogleeraar tot dus verre met zijn Vertoog over de Waarheid gevorderd zijnde, begint nu zijn Tweede Deel, waar in voorkomen: Ophelderingen der voorige Leere, met Gevolgtrekkingen.
Het bestaat uit drie Hoofdstukken, waar van de twee eerste wederom verscheidene afdeelingen hebben. Na vooraf gezegd te hebben, wat zijn voornaamste taak in dit Deel wezen zal, en hoe hij daar in wil te werk gaan, begint hij het eerste Hoofdstuk, behelzende een bevestiging zijner Leere uit de beöeffening der Wis- en Natuurkundigen.
Het eerste Stuk dient, om aan te toonen, en doet zulks ook volkomen, dat het in elke Weetenschap, zoo wel als in de Meetkunde, beide met de redeneerkunde en het gezond verstand bestaanbaar is, dat geen voor een beslissend beginsel te houden, ’t welk ons, door zijn eigen inwendige [313] klaarblijkelijkheid, het geloof afperst, en door geen redenen klaarblijkelijker kan gemaakt worden.
En de kundige Schrijver voer hier de Twijffelaars met hunne eigene woorden spreekende in, op eene wijze, die alle opmerking verdient, om het dwaaze, en niet alleen den Godsdienst, maar zelfs alle eerlijkheid en deugd verwoestende, dat in de Twijfelarij is, regt te bevatten, en daar over met verfoeinge aangedaan te worden.
Het tweede Stuk ruimt die tegenwerpingen weg, die uit de natuurlijke Wijsgeerte tegen deeze Leere kunnen ontleend worden.
Het derde Stuk, waar mede dit eerste Hoofdstukeindigt, is een vervolg op het voorgaande, en stelt eenige onderscheidene soorten van beschouwelijke zekerheid voor. Ter deezer gelegenheid berigt de Schrijver ons bladz. 241 en 242 dat hij, tot oplossing van de tegenwerping uit het verschillend oordeel over het geen men deugd noemt, in verscheidene Landstreeken, onder verschillende Godsdiensten, Regeeringsformen, en Zeden, veel moeite genomen heeft, zoo ten aanzien van de geschiedkundige daadelijkheden, daar men zich op beroept, als ten opzigt van de bewijzen, die men daar uit ontleent, ’t welk tot een geheele Verhandeling is uitgedijd, welke hij niet terug meent te houden, indien het wel gelukken van zijne tegenwoordige pooging hem eenigen grond geeft, om te hoopen dat zij van nut mag zijn.
Wij kunnen bij deeze gelegenheid niet nalaaten den bekwaamen Vertaaler van dit tegenwoordige werk, zoo die beloofde Verhandeling in ’t Engelsch reeds het licht ziet, ten nutte van het Gemeen te verzoeken, dezelve onze Landgenooten niet te willen onthouden, gelijk wij, voor ons zelven, bekennen, daar na, als naar een stuk van zeer veel aanbelang, te verlangen.
In het tweede Hoofdstuk wordt de dwaasheid der twijffelschijvers ten toon gesteld. En het eerste Stuk behelst Algemeene Aanmerkingen, en den Oorsprong en Voortgang der Hedendaagsche Twijffelaarij.
In het zelve toont de zeer geleerde Schrijver, dat hij niet alleen eene uitgebreide Geschiedkundige kennis van de gevoelens der oude en hedendaagsche Wijsgeeren bezit, maar dat hij ze ook in haare waardij en schadelijkheid nauwkeurig weet te beöordelen. Alleenlijk boezemt hij misschien, in dit Vertoog, den Leezer denkbeelden [314] in van den Heidenschen SOCRATES, welke hem wat te veel eer ’s aandoen.
In het tweede Stuk wordt de inbeelding van de meesterlijk ten toon gesteld, en aangewezen, dat iemand, die belijdenis van deeze dwaaze leere doet, en nogthans in de gemeene zaaken des levens te werk gaat gelijk een ander, zoo als zij alle doen, die dit voorgeeven, geen geloof verdient, gelijk ook, dat dit heilloos gevoelen, als het algemeen wierdt, dat het egter nooit worden kan, voor de menschelijke natuur, zoo wel als voor de weetenschappen, doodeijk zou wezen. [ is dit een soort nihilisme avant la lettre? ]
Het derde Stuk is het grootste van allen, en beslaat 83 bladzijden in dit werk. De zaak, daar het van handelt, verdiende ook een breedvoeriger ontvouwing, als raakende het redelijk gedrag der menscen, ’t welk noch lof, noch strafwaardig geoordeeld kan wordne, ten zij ieder mensch, inhet doen van deugd of ondeugd, niet uit bedwang of noodzaaklijkheid, maar als een vrij werkend wezen is aan te merken.
Ten dien einde wordt in dit Stuk gehandeld van de Vrijheid en Noodzaaklijkheid. En het oogmerk van den Schrijver is, zoo als klaar blijkt, niet anders dan om tegen de Ongodisten te betoogen, dat de menschen, om dat zij onbedwongen, en uit eigene beweeginge, doen het geen zij doen, en ook laaten dat zij niet begeeren te doen, aanspraalijk zijn voor hunen daaden, en dus, ten aanzien van God, en van de menschen, bevoegde voorwerpen zijn van belooningen, en ook van straffen.
De Aucteur spreekt over deeze zaak, die buiten tegenspraak, van het grootste belan, en aan geen geringe duisterheden onderworpen is, overeenkomstig zijne beginselen, vrij klaar, en toont uit het gemeen natuurlijk begrip, dat, in weerwil van Overnatuurkundige Sophisterij, tot nog toe de overhand behouden heeft, en ook wel zal blijven behouden het gevoelen, dat deze vrijheid van den wil, als ze dien naam zal behouden, niet is af te scheiden.
In zoo verre dan stemmen wij den geëerden Schrijver toe. Maar of hij evenwel dit stuk wel altijd in het midden van den paden des regts gebleeven zij, is een andere vraa. En, als wij ons gevoelen regt uit en zonder bewimpeling zullen zeggen, dan schijnt het ons ook toe [315] dat des Schrijvers uitdrukkingen over deeze zaak, ier en daar, noch met de gezonde Wijsgeerte, noch met de Godgeleerdheid, zoo als die in de Gereformeerde Kerk, waar toe hij behoort, beleden wordt, genoeg overeenkomen. Eene noodzaaklijkheid, die alleen maar eene zekerheid der uitkomst bestaat, en door beweegredenen wordt veroorzaakt, wordt niet enoeg van eene noodzaaklijkheid, die door dwang wordt opgelegd, onderscheiden; en de tegenstelling tusschen noodzaaklijk en vrij wordt veel te algemeen gemaakt; de vrijheid ook wordt in een verkeerd licht voorgesteld, als of ze in onverschilligheid bestond, en enkel toevalligheid was.
Tot een staaltje van dit ons gezegde beroepen wij ons op de wijze, waar van de Aucteur zich bladz. 409. bedient, om ’s menschen vrijheid overeen te brengen met de Goddelijke Voorkennis. Dus laat hij zich hier over uit: “Gelijk men de macht Gods niet verkort, wanneer men zegt, dat Hij geene onmogelijkheden kan doen; zoo verkorten wij, denk ik, zijne kennis niet, als wij zeggen, dat Hij NB. niet als zeker voorzien kan, ’t geen wezendlijk niet zeker, maar alleen toevallig is. “-
Wij bekennen zulk eene Voorkennis zonder zekerheid in God, ja zelfs in de menschen, niet te kunnen bevatte, zoo die Voorkennis niet in eene onzeekere gissing veranderen zal; te minder kunnen wij dat doen, als egte Gereformeerden, welke gewoon zijn de Scientia Visionis de kennis des gezichts, in God, af te leiden van zijn onveranderlijk besluit en geen toevalligheid, aan de zijde Gods, ergens in erkennen, en dat ook aan onze kinderen en leerlingen, bij de allereerste beginselen der zaligmakende leere trachten in te boezemn.
Wij willen dit nothans gaarn aan eene te sterke vooringenomenheid van den Heer BEATTIE met zijne beginselen, en tegen alle Overnatuurkundige redeneeringen toeschrijven, liever dan aan eene opzettelijke afwijking van de Hervoermde Leer. En het Stuk zelve, voor zoo verre als het de Ongodisten raakt, houdt daarom niet op leezenswaardig te wezen.
Het derde en laatste Hoofdstuk deezes tweeden Deels behelst niets dan eene toepassing van het hoofdzaaklijke der voorgaande ophelderingen op het voornaam oogmerk deezer Verhandeling. [316]
Op deeze twee Deelen laat de Heer BEATTIE nog een derde volgen, waar in hij ‘er zijn werk van maakt, om de tegenwerpingen tegen zijne leere, in ’t voorgaande gestaafd, te beá¤ntwoorden. Als: “dat dezelve zou strekken, om den mensch van de Vrijheid van onderzoek af te schrikken, en een ingewikkeld Geloof te bevorderen”als mede “(dit is een andere tegenwerping) “dat zij eene wederleggins-wijze schijnt aan te prijzen, die niet allernauwkeurigst met de redeneerkunde overeenstemt, en dat zij in der daad eenige der gevestigde wetten deezer weetenschap tegenspreekt”
De beantwoording hier van maakt den inhoud uit van het eerste Hoofdstuk deezes Deels. En de Leezer zal ‘er veele oordeelkundige en nuttige aanmeringen in vinden over het redentwisten der oude en nieuwe Schoolgeleerden, toegepast op de zeer gewoone wijze van samenspreeken in sommige hedendaagsche gezelschappen, die aangelegd schijnen, om een gevoelen, dat men heeft aangenomen, tegen zijn partij staande te houden, maar niet om het verstanden het hart van zich zelven, of van een ander, te verbeteren. [anti-sofisterij-gekibbel]
Dit onderwerp wordt in het tweede Hoofdstuk vervolgd; en de Overnatuurkunde, Metaphysica, (van welk woord bladz. 463 een oorsrpong, die misschien aan veelen niet bekend zal zijn, wordt aangeweezen,) wordt naar het gevoelen, dat de Heer BEATTIE daar van heeft, en dat aan deeze weetenschap, (’t welk zij nogthans, onzes oordeels, niet verdient,) de grootste eer niet aandoet, op haare waarde gesteld; en de oorzaken van de verbastering der zedenkundige weetenschappen worden aangetoond.
Bij deeze gelegenheid laat de Aucteur zich in ’t breede uit over het misbruik der woorde, die eene verschillende beteekenis hebben, om de zaaken, daar zij van gebruikt worden, in een verkeerd licht voor te stellen. In dit opzigte is het kunstje waar van HUME, en zijns gelijken, naar des Schrijvers opgave, zich bedienen, zeer opmerkelijk, en de levendigheid waar mede het wordt voorgesteld bladz. 505 en 506 maakt het leezenswaardig. Wij zouden het hier gaarn woordelijk inlasschen; maar dewijl dit berigt alreede vrij groot geworden is, wijzen wij onze leezers tot het werk zelve. Wanneer zij zullen bevinden, dat de geest der Ongodisterij [317] hier vrij wel wordt afgebeeld. Terwijl de Schrijver in dit gantsche Hoofdstuk betoont eene doordringendheid van oordeel te bezitten, en meer dan oppervlakkige kennis van de bijzondere stelsels der Wijgeeren, zoo oudere als nieuwen.
Egter kunnen wij niet voorbij te melden, dat het ons ergert eenen ROUSSEAU al mede onder de zedelijke Schrijvers van een waar vernuft te vinden opgeteld, uit welke men wijsheid kan leeren, die het hartdoet opspringen van vreugde over de verhevene en gelukkige poogingen des menschelijken versand, zoo als de Schrijver zich gelieft uit te drukken bladz. 513. Alwaar sommige van des Heeren BEATTIE’s vriende zelve misschien niet zeer gestigt zullen wezen, dat de groote LEIBNITZ met SPINOSA, en die niet beter zijn, met HUME en HOBBES, wordt gelijk gesteld.
Eindelijk brengt de Heer BEATTIE in het derde Hoofdstuk zijnen leezer onder het oog de zeer verderflijke gevolgen van het Scepticismus, en het Fatalismus, Twijffelarij en Noodlottighid. en hier is hij inzonderheid vol vuur en levendigheid.
Ten besluite laat de Heer BEATTIE op al het gezegde over de Waarheid nog volgen eene Na-rede, waar in hij zich verdedigt wegens het geen, sedert de eerste uitgave van dit zijn Boek, tegen het zelve is ingebragt.
En deeze Na-rede is zoo wel als al het voorgaande leezenswaardig voor Liefhebbers van den Godsdienst, welke ook een bijzonder genoegen zullen neemen in des Schrijvers beoordeeling van den berugten VOLTAIRE, welke voorkomt bladz. 595 en 596.
Maar die onbepaalde vrijheid, in spreeken en schrijven, welke de Aucteur bladz. 599. telt onder de hooge Voorregten van Groot Brittannien, zal een opregt aanklever aan Nederlands Burgerlijke en Godsdienstige constitutie wel voor die Natie willen overlaaten.
Onze aanmerkingen over dit Werk zijn wat uitgebreider geworden, dan wij in ’t eerst dagten, om dat het ons onder het leezen, en wij hebben dit ten aanzien van de voornaamste Hoofdstukken meer dan eens gedaan, voorkwam van te veel aanbelang te wezen, om ‘er onze Leezers niet een geleidelijk denkbeeld van te geeven.
Uitgezonderd eenige weinige bedenkelijkheden, welke wij hebben aangeweezen, is het zelve op eene treffelijke wijze [318] uitgevoerd, die eenen Hoogleeraar in de Naturlijk Wijsgeerte en Redeneerkunde overwaardig is.
Wij prijzen daarom dit Boek aan, als een Geschrift, dat verdient bij de werken, die tegen de Vrijgeesten zijn uitgekomen, geplaatst te worden. En de heer Vertaaler verdient wegens zijnen zuiveren en aangenaamen stijl, waar in hij den heer BEATTIE, in ’t Nederlandsch, doet spreeken, ook allen lof.