« Vorige pagina — Volgende pagina »

In de “BEREDENEERDE CATALOGUS OF NAAM-LYST Van meest Godgeleerde, of daar toe betrekkelyke Boeken, alomme, sedert onlangs, uitgekomen.” behorende bij de
***
NEDERLANDSCHE LETTER-VERLUSTIGING, BESTAANDE IN TAAL- EN OORDEELKUNDIGE AANMERKINGEN OVER DUISTERE SCHRIFTUURPLAATSEN en andere NUTTIGE WEETENSCHAPPEN. Als mede in ZAAKELYKE SCHETZEN Uit de beste Schriften van beroemde In- en Uitlandsche GELEERDEN. Waar achter komt een BEREDENEERDE NAAMLYST Van de voornaamste, sederd onlangs, allomme, uitgekomen Boeken, de Godgeleerdheid inzonderheid betreffenden.
Onder de Zinspreuk
EX OMNIBUS UTILE ET DULCE

Eerste Deel No IV

Te AMSTERDAM By Jacobus Loveringh,
Boekverkooper op den N. Dyk by den Dam.
****
Vinden we op bladzijde [570], bij de in het Duitse Halle uitgekomen boeken:

“Nog is hier by Joan Jacob Curts uitgegeeven: [gothisch] Philosophische Ubhandlung uber die Wunderwerfen[/gothisch], door J. CHRIST. FORSTER, openbaar Leeraar der Wysgeerte, op de Fredriks Universiteit alhier; in kl. 8vo groot 284 Bladzyden, en verdeeld in zes Afdeelingen; welker eerste de Verklaaring der Wonderwerken in zich begrypt; na eene algemeene inleiding, aangaande de Waereld, derzelver Wetten, en wat in dezelve en in de Natuur is, word hier de eigenlyke Natuur der Wonderwerken beschreeven; de Verklaaring, die ‘er andere Wysgeeren, als Clarke, Spinosa, Locke, Malebranche, Chandler en Ludovici aan gegeven hebben, ter teotze gebragt; derzelver moogelykheid beweezen; daarna word de meening van Descartes en Bayle wegens de Natuurwetten wederlegd; voorts over de Hypothetische mogelykheid derzelven gesproken, en eenige Gevolgen, uit het verhandelde in deeze Afdeelinge getrokken. De tweede Afdeeling spreekt van ’t Godlyk Oogmerk in ’t doen eenes Wonders; en vooraf over de gesteldheid van het Ryk er Natur en der Genade; by welke gelegenheid, een gezegde van Newton, en eenige gedachten van den Heere Premontval wederlegd worden. In de derde Afdeeling handelt de Schryver van de gevolgen eenes Wonderwerks; gaande na de algemeene verklaaring over, om van de natuuurlyke, of Wonderen van wederherstellinge te spreeken, en derzelver mogelykheid en bepaalingen aan te wyzen. De vierde Afdeeling loopt over de Kenteekenen der Wonderwerken; en de Schryver onderzoekt by die gelegenheid de Wonderen van Pythagoras, van Apollonius Thyanaeus en van den Abt paris, aantoonende in hoe verre dezelven met de Wonderen van den Christen Godsdienst verschillen. De vyfde Afdeeling behelst de Wonderen in het Ryk der Genade en toont derzever mogelykheid en regte gesteldheid aan; waaar[sic] na in de zesde Afdeeling gehandeld word van de zekerheid der Wonderen van den Christen Godsdienst; en te gelyk het Systema van den Engelschen [!]Wysgeer David Hume grondig wederlegd word. Dit Werkje is ons zoo uitsteekend fraai voorgekomen, dat een Lid van ons Genootschap voornemens is, ‘er ’t een en ander Vertoog voor onze Schatkamer uit op te maaken, en daarin te doen zien of, hoe, en in hoe verre waare Wonderwerken, Bewyzen zyn van de Waarheid eener Leere; en welke de Kenteekenen van zoodanig een waar Wonderwerk zyn; als ook om’er door te vertoonen, hoe een groot en gestreng Wysheid-kenner, teffens een groot en [571] ernstig goed Christen kan zyn: Stukken, zoo we meenen uit hunnen eigenen aart, geschikt om ons Werk zoo wel luister, als Gewigt en Nut by te zetten, en ’t zelve dus langs hoe meer in naam en achtinge te doen toenemen.”

In het derde deel van de Letter-Verlustiging (ws het eerste deel van 1762) vinden we in het letternieuws uit Londen (in de NAAMLYST van onlangs uitgekomene meest GODGELEERDE SCHRIFTEN)
[409-410]

Millar heeft hier voor eenigen tyd mede uitgegeeven, voor den prys van 6 Eng. Schell. The theory of Moral Sentiments by ADAM SMITH, Prof. of Moral Philosophy in the University of Glasgowy[sic] in 8 vo. Een Werk, ’t welk met genoegen zal geleezen worden door zulken, die de fraaye Weetenschappen met eene juiste kennis der Waereldwysheid trachten faam te paaren; als bestaande in eene beschouwelyke kennis van zedelyke bevindingen of Gevoelens; waar omtrent des schryvers grondstellingen zoo klaar, zyne besluiten zoo bondige, zyne wyze van denken als ook zyn Schryfstyl zoo sterk en kragtig zyn, dat men hem geenszins mede te tellen hebben onder die talryke Bende van Bovennatuurkundigen, die, of uit gebrek van kennis in de overige Deelen der Geleerdheid, o uit eige aangeboren dor- en droog-heid van Verstand, voor den fynen smaak van schrandere Geesten ten walge verstrekken. Deeze Schotse[!] Hoogleeraar gelooft dat de eenige Weg, om de kennis der Zedelyke Natuurkunde te vermeerderen, en de daar aan veeltyds ontbreekende overtuiging, kracht en juistheid by te zetten, besta in ’t volgen der latere Natuurkundigen, die zich standvastelyk op Proefnemingen gronden, en op de eige Ervarin beroepen. Hy merkt aan dat, hoe eigenbaatige sommige Menschen ook somwyl schynen mogen, ‘er in hunnen natuure, toch iets overblyve, ’t welk hun belang doet nemen in alles, wat omtrent anderen gebeurt, en hun eene Medeneiging doet gewaar worden, in en tot het gene hunnen Medemenschen doen of lyden. Door deeze Medeneiging of Sympathie, deelen we in ’t genoegen en de smerten onzer naasten; de kracht der Inbeelding komt hier in on s te hulpe, en drukt hunnen gewaarwordingen zoo krachtig in onzen Geest, dat het luttel scheelt, of we hebben dezelfde bevindingen als zy. Op deeze Grondstelling doet hy ten grooten deele zyn Leergebouw steunen. Zyn Schryftrant, door bevindingen van Deugd bezield, vloeit als een heldere, volle, en ruischende Stroom, en voert ons, zagt en lieflyk, door veel aangenaame Tooneelen des Leevens en door meenige zeldzaame bespiegelingen der Wetenschappen, heen. En of hy schoon in de diepten der Wysheidsbegeerte indringt, spreekt hy nogthans altyd als een Man van de groote Waereld, dat is, beschaafd, duidelyk en verstaanbaar, en tracht alle zyne Bewyzen door de algemeene Gewaarwordingen en Bevindingen op te helderen. En, al waren zyne Naturkundige Besluiten in alles altoos niet even goed of juist niet de allerbesten, ’t welk wy, den Bovennatuurkundigen ten onderzoeke overlaten, zoo is echter dat gen,e, ’t welk hy ter opheldering bybrengt, genoegzaam om elken Liefhebber der Weetenschappen een groot Denkbeeld te geeven van des Schryvers grondig Verstand en verhevenen Geest”

Niet in deel 1

En ook niet in de index:


http://www.kb.nl/stcn/webexpo/post.html

Author(s): Theeuwen, P.J.H.M.
Title: Pieter ’t Hoen en “De Post van den neder-Rhijn” (1781-1787): een bijdrage tot kennis van de Nederlandse geschiedenis in het laatste kwart van de achttiende eeuw
Published: Hilversum: Verloren, 2002. – 842 p., ill
Notes: On the Dutch political periodical, “De Post van den neder-Rhijn” (1781-1787), and its editor, Pieter ’t Hoen. – Doctoral thesis. – With a summary in English
Review(s): Literatuur, 19 (2002), p. 380-282, ill. (Lotte Jensen)
Spiegel historiael, 38 (2003), p. 41-42 (Guido de Bruin)
Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 118 (2003), p. 397-398 (A.H. Huussen Jr.)
Classification: Newspapers, journalism – The Netherlands – 18th century – De Post van den NederRhijn
Newspapers, journalism – The Netherlands – 18th century – Hoen, Pieter ’t
History – The Netherlands
Keyword(s): The Netherlands
18th century
De Post van den NederRhijn
Hoen, Pieter ’t
Database: Book History Online
Sequence no.: No. 9 of 219 hits

in deel 1 vinden we Rousseau (karakter van den beroemden , en geluk der beschaafde volken boven de wilden[161-168] en een stuk over slagers en heelmeesters wordt Emile genoemd [305-312]), Voltaire (in een stuk over de roemzucht, en in een voetnoot over Charles XII oid) en Puffendorf en Suszmilch [zijn Godlyke orde]

maar in de usual suspects:

-vrijheid van godsdienst
-over de pragt en de weelde
-over de koophandel

niets van hume

DEEL 2:

ook niet in een stuk over “wat de oeconomie is” [17-24]

In de borger 54 (4 oktober 1779) gaat het over de “voordelen die de godsdienst der borgerlyke maatschappye aanrengt”
lezen we hoe Montesquieu in Espr. Des Loix Bayle weerlegt als hij zegt dat de christenen geen staat zouden stand laten houden [27]
bygelovigen /dwepers worden inderdaad voor gevaarlijker aangezien in de menschelijke geschiedenis (en hiermee wordt Bayle gelijk gegeven) maar… alleen omdat er veel meer dwepers zijn geweest dan verzaakers.

De onschuldige Spinoza wordt aangewezen als voorbeeld van hoe je niets te vrezen hebt, maar, zegt de borger, Wijsgeeren zijn het zelden[28]
En dan ten slotte Voltaire nog geciteerd met zijn spreuk “van een fraai vernuft” dat men in Frankrijk “den Paus de voeten kussen, maar de handen binden moet”

no 64 en 65 ( 13 en 20 dec 1779) gaan over gierigheid.
Wel geciteerd uit “De Heer PINTO Essay sur le luxe 1762 [118] en de OPMERKER, I. DEEL, bl 79, niet uit Hume.

no 74 (21 feb 1780) in een stuk over vrijheid vd drukpers in ’t algemeen (weken later volgen “omtrent godsdienstige” en politieke zaken) wordt marmontel en zijn Belisaire genoemd

No 77 (13 maart) gaat na drie betogen over de vrijheid van de drukpers in op de boeken die dan wél verboden zouden mogen worden: dat zijn boeken, “die niet strekken tot bevordering der weetenschappen,maar die of byzondere persoonen, of amptenaars, of de hooge overheid zelve, beleedigen”, mits er niet al te veel exemplaren in omloop zijn, want dan heeft het geen zin en vergroot je de aandacht en vraag naar dit soort boeken veels te erg. [210]
Dan ook nog leerstellige boeken, die bijvoorbeeld het “bestaan van een opperwezen, de zeedelyke regeering van god, en het onderscheid tusschen deugd en ondeugd, de zekerheid van eenen toekomenden staat” aantasten óf “vuile denkbeelden” verspreiden, “welken door het streelen eener dartele verbeeldenskragt kwaade lusten opwekken en de zeeden bederven.” Maar een verbod heeft een vergelijkbaar nadeel [211]
[is dit dezelfde borger die ook Pope quote als hij schrijft: To enjoy is to obey?”]
Bovendien “het verbieden van een boek is geene wederlegging. Wanneer ik een godloos boek het berugte Système de la Nature, by voorbeeld, met goedkeuring gelezen heb, en my overreed agt van de stellingen des schryvers, zal ik niet van gedagte veranderen, omdat dat boek verboden wordt.” De schrijver vervolgt te zeggen dat het de plicht is van de overheid om (onderhands, anders valt het teveel op) “bekwaame lieden aantemoedigen tot het wederleggen van alle schadelyke boeken”. Het advies van de borger is, in alle stilte zoveel mogelijk exemplaren bijeenrapen en vernielen. [213]

en op elke titel ook de naam van de uitgever, zodat er geen misbruik wordt gemaakt van drukpersen. Anonimiteit is echter niet per definitie slecht [215]

No 79. (27 maart 1780) Schets van den staat der voorige eeuwen met betrekking tot het geluk der menschen in Europa. Pragt der voorige eeuw. Hedendaagsche pragt. Waaruit ontstaan. [225-232]
Op bladzijde 226 vinden we een verwijzing naar Hume’s “Hist. of Engl. Vol V. p. 503.” en daarna nog één naar Vol VI!
“Hume (kruisje) geeft deze beschryving van de [227] leevenswyze der grooten ten tyde van Koningin Elizabeth, dat is op ’t laatst der zestiende en ’t begin der zeventiende eeuw: “De adel, zegt hy, bleef in deze eeuw nog tot zekeren trap toe by de oude kostbaarheid in gastvryheid en het groote getal zyner bedienden; en de Koningin vond nodig, de kostbaarheid van dit laastse artikel een verbod te bepaalen; doch zy moedigde meer of min het kostbaare gastereeren aan door de menigvuldige bezoeken, welken zy den adel gaf, en de pragtige feesten, die zy van den zelven ontving. De Graaf van Leicester onthaalde haar op ’t kasteel van kenilworth op een feest dat buitengemeen kostbaar en pragtig was. Onder andere byzonderheden vinden wy, dat op het zelve drie honderd vyfenzestig vaten biers gedronken wierden. De graaf het het kasteel met groote kosten versterkt, en men had daar wapenen voor tien duizend mannen. De Graaf van Derby onderhield een gevolg van tweehonderd en veertig knegts. Burleigh, schoon een spaarzaam man, had er honderd. (….) “Maar,” dus gaat hy voort, “schoon ‘er nog veel overbleef van de oude gewoonten, begon evenwel de adel trapsgewyze smaak te krygen in eene meer bevallige pragt; en verscheidene gebouwen, inzonderheid, wierden getimmerd, net, ruim en kostbaar, tot een groot sieraad van ’t koninrijk, zegt Camden, maar tot geen minder verval van de roemryke gastvryheid der natie. Het is, evenwel, waarschynlyker te denken dat deze nieuwe wyze van verteering te maaken de konsten en nyverheid bevorderd hebbe, daar de oude gastvryheid de bron was van ondeugd, wanorder, oproerigheid en lediggang.” De zelfde schryver geeft op eene andere plaats eene schets van de leevenswyze ten tyde van Koning Jacob I. (*)
(*) Vol. VI. p. 109.
[228] “Men had toen zeer veel op met eene hooge geboorte en het was door zekere waardigheid en deftigheid van leevenswyze dat de laage en hooge adel zig van ’t gemeen onderscheiden. Groote schatten, door den handel verkregen, waren toen zeldzaamer, en nog niet, gelyk nu, bekwaam geweest, de rangen der menschen als te verwarren en het geld den voornaamen grondslag van aanzien te maaken. in het gemeene leeven vond de grootste statigheid plaats, en de grooten duldden weinig gemeenzaamheid. De voordeelen, welken de rykdom aanbrengt zyn zo wezenlyk en groot, dat de bezitters derzelven niet behoeven te vreezen, al te na door hunne minderen genaderd te worden. Het onderscheid van geboorte en titels, meer ydel zynde en in verbeelding bestaande, verdwynen welhaast by eenen gemeenzamen omgang en kennis.
De uitgaaven der grooten geschieden veeler in ’t maaken van eene groote vertooning en het houden van een talryk gevolg, dan in ’t neemen van gemak en vermaak. De graaf van nottingham werd, by zyn gezaantschap naar Spanje, verzeld van vyfhonderd persoonen, en de Graaf van hertford, by zyn gezantschap naar brussel, nam drie honderd edellieden mee.” [einde citaat Hume]
Men ziet hieruit, dat in die tyden, welken men geoon is, tyden van eenvouwdigheid en spaarzaamheid te noemen, doch die eerden den naam van ruwe tyden verdienen zouden, eene zeer buitenspoorige pragt heerschte; en, schoon LORD BACON heeft aangemerkt, dat de Engelsche adel van zynen tyd een grooter getal van bedienden onderhield, dan de Poolsche mooglyk uitgenomen, eenige adel in Europa, is het egter zeker, dat dit soort van pragt voor de tyden der grootere beschaaving van ons werelddeel ook in de overige landen van hetzelve veel grooter is geweest dan tegenwoordig”
[Het stuk eindigt als volgt:
“Zeer veelen gaan de maat te buiten. In plaats van volgens hunnen staat en vermogen zig van de voorbrengselen der konsten te bedienen en de voordeelen van eene beschaafde en gelukkige eeuw te genieten, gaan zy buiten hunen staat en boven hun vermogen. In plaats van de vermaaken en gemakken van het leeven te gebruiken, misbruiken zy ze; hun hart hegt zig alleen aan de voorwerpen der pragt en weelde. Bedorven in hun zelven, bederven zy ook anderen door hun voorbeeld. Het verval van veele huisgezinnen komt hier uit voort, en dezen sleepen ook anderen mede in ’t bederf. De goede zeden loopen hierdoor gevaar. Dit zyn de gevolgen onzer hedendaagsche pragt en weelde, tegens de welken onze zedenmeesters niet genoeg waaken en prediken kunnen. Maar zouden alle deze kwaade uitwerkselen wel zo verderflyk zyn , als de ruwe en barbaarsche pragt van de grooten der vroegere eeuwen, die, alleen het goede van het leeven genietende, alle menschen als hunnen slaaven, alleen voor hun vermaak geschapen, beschouwden en behandelden? Wat is beter, dat eenige dwaazen zig bederven, en met hun eenige onschuldigen mede in ’t bederf sleepen, of dat honderd duizenden in slaaverny zugten en alleen strekken tot vervulling van de grillige buitenspoorigheden van weinigen, die ook meest allen bedorven zyn? Men smaale op onze eeuw, men werpe haar de eernaam van verlichte eeuw, als eenen onverdiendeneernaam, tegen, en verheffe hemelhoog de oude eenvouwdigheid: voor ons wy zien geene reden om ons over het lot te beklaagen, ’t welk ons in deeze eeuw heeft doen geboren worden.”
[is ondertekend met W. op blz. 232]

Montesquieu Esprit d. Loix [237] en op [238] Consid. sur la causes de la Grandeur des Romains ch 10

no. 82 (17 april 1780) over het volks karakter; zyn natuur en oorsprong [249-256]

– geeft zowel fysieke als morele oorzaken;

“De leevenswyze der menschen heeft grooteren of kleineren invloed op het volkskarakter, naar mate het geheele volk meer of min de zelfde leevenswyze leidt. een land met veel vissers: gehard. de bewooners van groote koopsteden: “zagter van karakter, zo niet veeltyds laf en verwyfd” [254]
de kleine koophandel waarmee joden en chinezen zich bezighouden maakt hen bedrieglyk (en divery en schelmery worden welhaast de hoofdtrekken van het karakter beider volken) [255]

“Wat de overige zeedlyke oorzaken, welken het volks karakter formeeren, aangaat, dezen zyn juist de zelfden, welken het zeedlyke karakter van byzondere menschenformeeren, ik meen, zeedlyke begrippen, godsdiens, gevoelens van eer, en goede borgerlijke wetten. Den invloed van ieder dezer beginsels hebben wy breedvoerig elders aangewezen, waarom wy thans daar niet op zullen blyven staan.” [niet expliciet gevonden, wel iets over zeedlyke beseffen als gevolg van borgerlyke wetten – in de index wordt verwezen naar een stukje uit het eerste deel over het Nederlandse volkskarakter, en hoe dat te behouden => daarin wordt gerept van nyvere werkzaamheid, zindelykheid, bedagtzaemheid en overleg in ’t ontwerpen, vernuft en vindingskragt in de uitvoering, maa vooral ‘kloekmoedige lydzaemheid by eene onverzetlyke standvastigheid in gevaeren, en volharding in onderneemingen.’ [60-63] en in ’t volgende stukje [ van 23 november 1778, nr. 9 ] wordt daar nog oude Hollandsche eenvoudigheid en maetigheid”, onbewimpelde opregtheid en onkreukbaere trouw, ernst en deftigheid, en Godsdienstigheid, en Vryheid [68] aan toegevoegd. allemaal eigenschappen die we terug moeten vinden als we weer terug willen naar vroeger, aangezien wij niet de natuurlijke rijkdom geschonken gekregen hebben die de, fr en gbr wel hebben – de Heer Ris te Hoorn heeft met zijn is al op de goede weg en geldt als voorbeeld voor de rest van kwakkelend nl [72]]]

“De vryheid heeft ook eenen magtigen invloed op het volks karakter. Een volk van slaaven denkt laaghartig, en agt zig weinig, omdat het geleerdheeft, weinig geagt te worden. Een vry volk, integendeel, gevoelende dat zy menschen zyn, wil ook op eene menschlyke wyze gehadeld worden. Een Bascha mag in Syrie en Egypte het volk knevelen; de menschen zyn daar gewend aan de onderdrukking, en hebben nauwlyks een denkbeeld van de vryheid en de regten der menschlykheid; maar by vrye volken, by menschen die weten dat zy menschen zyn, is alleen het denkbeeld van onderdrukking genoeg, om eene omwenteling te veroorzaken, en het volk aan te zetten, om, ten koste van zyn bloed, zig ten minsten den waan te koopen, dat het vry is.
Magt en voorspoed, eenigen tyd door een volk genoten, heeft ook invloed op het volkskarakter. Een volk, [256] gewoon gevreesd te worden en in den oorlog te overwinnen, wordt gemeenlyk stoutmoedig en gaat daar door veeltyd, ja den meesten tyd heerschzugtig en onregtvaardig. Welk een hoogmoed was niet die der Romeinen in de tijden van hunnen voorspoed; en welke was niet hunne heerszugt en onregtvaardigheid.

Waare of ingebeelde voordeelen, van wat aart oo, hebben dikwyls insgelyks eene magtigen invloed [voorbeeld overmoed Turken jegens Grieken]

Behalven, dit alles, zyn ‘er dikwyls nog verborgene redenen, welken eenen magtigen invloed op het volskkarakter hebben. Oude vooroordeelen en gewoonten, welker oorsprong reeds lang vergeeten is, vermogen dikwyls zeer veel, en daar zyn niet zelden in de karakters der hedendaagschen volken trekken, waarvan men geene reden geeven kan, omdat de oorzaak derzelven gelegen is in byzonderheden, die voor veele eeuwen plaats hadden, en waarvan het geheugen thans volkomen verloren is.

W.”

No 85. op blz [276] Esprit des Loix verwijzing

bon ton = verfynden smaak 294

Verwyzing naar de Opmerker V, blz 139 over de Weelde,

no 90 Esprit de Loix verwijzing 316

no 93, blz 340 nogmaals verwijzing naar De Opmerker (tweede keer “een onzer voorgangeren” genoemd, VI. Deel, bl. 383. en nogmaals naar 189. vertoog op blz 342 als het gaat over “Staatkunde, regstgeleerdheid, godgeleerdheid, zyn weetenschappen, echikt alleen voor weinigen; en , wanneer die weinigen daaromtrent maar juiste denkbeelden hebben , is het genoeg, dewyl het onmooglyk is, dat de menigte zig daarop zou toeleggen”

ook meerdere verwijzingen naar Forster

DE SCHATKAMER DER GELEERDEN.
ONDER DE ZINSPREUK: NIHIL SINE NUMINE FELIX
TWEEDE DEEL.
Voorzien met een’Uitvoerigen en Zaakryken Bladwyzer

Te Amsterdam, By Jacobus Lovering 1764

NO. 1

73-81 in het Vertoog wegens de kracht der Dweeperye tot bevordering der Dwaalingen in ’t Verstand, door JOH. MART. HOFFMAN (*), Oudherder en leeraar van Maassluis
zien we niets over Hume

82-102 Wysgeerig betoog over de Denkeloosheid der Stoffe, of Bewys dat de Stof niet denken kan
tegen de Materialisten (geen namen)

NO. 2

wordt wel verwezen naar “CLARKE’s bewijzen van den Natuurlijken en Geopenbaarden godsdienst. Eerste Voorstel” [157] in een Verhandeling van Squire over “de Zekerheid, ’t Belang en de Overeenstemming van den Natuurlyken en Geopenbaarden Godsdienst, onpartydiglyk beschouwd, en ter betragting aangedrongen” [maar is dat clarke, clarcke?)

NO. 3

In het Tweede Vervolg van S. Squire wordt verwezen naar de “Enquiry into the Evidences of Religion by Mrs Newcome” [324] wanneer het gaat over de manier waarop het doorbreken van die regelmatigheden in de natuur die ons de natuur’wetten’ hebben gegeven, helemaal niets zeggen over het niet KUNNEN bestaan van die doorbraken (wonderwerken) het zegt eerder iets over de regelmatigheid van de regelmatigheden.

J.W.S., Verhandelinge over de Onsterflykheid der Ziele; zoo als dezelve uit de Reden, haren eigene Aaart en de H. Schrift te bewyzen is [347-369] (geen Hume)
In stukken over Ehusiasmus of Geestdryvery, in onderscheiding van het Fanatismus of Dweepery (geen Hume) [369-380]

NO. 4

In het derde vervolg van S. Squire vinden we een verwijzing naar “den zeer Geleerden Dr. Leland in zyne Engelsche Verhandeling tegen den Moral Philsopher en in zyne anders allernuttigste Schriften tegen de Deïstery en ’t ongeloof.

Ook in het tweede stuk over de onsterfelijkheid van de ziel (ditmaal) van J. van Justi lezen we niets over Hume. Wel over monaden,Wolff en wolffianisme. [507-539]

No. 5.

In het Geloofs-onderzoek van een Deensch Wijsgeer (Holberg) worden wel Deïsten genoemd, maar niet met naam [637-657, aldaar 654]

In de index voor boek I en II samen vinden we wel iemand als Woolston, Toland, Tindal die de wonderwerken bestrijdt, dan zou Hume er ook tussen kunnen stan. Dat is niet het geval.

*************
(titelblad Deel 1)

DE SCHATKAMER DER GELEERDEN; OPENGEZET
Voor alle rechtaartige In- en Uitlandsche Hervormde en Euangelische Beoeffenaars, Beminnaars en Voorstanders der Godgeleerdheid, Natuur-geschiedenis- en Oordeelkunde.
(rest idem)
1761

« Vorige pagina — Volgende pagina »