21 jan, 2010
J. Christ. Forsters Philosophische Ubhandlung uber die Wunderwerfen in De Nederlandsche letterverlustiging (1762)
Geplaatst door Willem in de categorie: TijdschriftenReacties (0)
In de “BEREDENEERDE CATALOGUS OF NAAM-LYST Van meest Godgeleerde, of daar toe betrekkelyke Boeken, alomme, sedert onlangs, uitgekomen.” behorende bij de
***
NEDERLANDSCHE LETTER-VERLUSTIGING, BESTAANDE IN TAAL- EN OORDEELKUNDIGE AANMERKINGEN OVER DUISTERE SCHRIFTUURPLAATSEN en andere NUTTIGE WEETENSCHAPPEN. Als mede in ZAAKELYKE SCHETZEN Uit de beste Schriften van beroemde In- en Uitlandsche GELEERDEN. Waar achter komt een BEREDENEERDE NAAMLYST Van de voornaamste, sederd onlangs, allomme, uitgekomen Boeken, de Godgeleerdheid inzonderheid betreffenden.
Onder de Zinspreuk
EX OMNIBUS UTILE ET DULCE
Eerste Deel No IV
Te AMSTERDAM By Jacobus Loveringh,
Boekverkooper op den N. Dyk by den Dam.
****
Vinden we op bladzijde [570], bij de in het Duitse Halle uitgekomen boeken:
“Nog is hier by Joan Jacob Curts uitgegeeven: [gothisch] Philosophische Ubhandlung uber die Wunderwerfen[/gothisch], door J. CHRIST. FORSTER, openbaar Leeraar der Wysgeerte, op de Fredriks Universiteit alhier; in kl. 8vo groot 284 Bladzyden, en verdeeld in zes Afdeelingen; welker eerste de Verklaaring der Wonderwerken in zich begrypt; na eene algemeene inleiding, aangaande de Waereld, derzelver Wetten, en wat in dezelve en in de Natuur is, word hier de eigenlyke Natuur der Wonderwerken beschreeven; de Verklaaring, die ‘er andere Wysgeeren, als Clarke, Spinosa, Locke, Malebranche, Chandler en Ludovici aan gegeven hebben, ter teotze gebragt; derzelver moogelykheid beweezen; daarna word de meening van Descartes en Bayle wegens de Natuurwetten wederlegd; voorts over de Hypothetische mogelykheid derzelven gesproken, en eenige Gevolgen, uit het verhandelde in deeze Afdeelinge getrokken. De tweede Afdeeling spreekt van ’t Godlyk Oogmerk in ’t doen eenes Wonders; en vooraf over de gesteldheid van het Ryk er Natur en der Genade; by welke gelegenheid, een gezegde van Newton, en eenige gedachten van den Heere Premontval wederlegd worden. In de derde Afdeeling handelt de Schryver van de gevolgen eenes Wonderwerks; gaande na de algemeene verklaaring over, om van de natuuurlyke, of Wonderen van wederherstellinge te spreeken, en derzelver mogelykheid en bepaalingen aan te wyzen. De vierde Afdeeling loopt over de Kenteekenen der Wonderwerken; en de Schryver onderzoekt by die gelegenheid de Wonderen van Pythagoras, van Apollonius Thyanaeus en van den Abt paris, aantoonende in hoe verre dezelven met de Wonderen van den Christen Godsdienst verschillen. De vyfde Afdeeling behelst de Wonderen in het Ryk der Genade en toont derzever mogelykheid en regte gesteldheid aan; waaar[sic] na in de zesde Afdeeling gehandeld word van de zekerheid der Wonderen van den Christen Godsdienst; en te gelyk het Systema van den Engelschen [!]Wysgeer David Hume grondig wederlegd word. Dit Werkje is ons zoo uitsteekend fraai voorgekomen, dat een Lid van ons Genootschap voornemens is, ‘er ’t een en ander Vertoog voor onze Schatkamer uit op te maaken, en daarin te doen zien of, hoe, en in hoe verre waare Wonderwerken, Bewyzen zyn van de Waarheid eener Leere; en welke de Kenteekenen van zoodanig een waar Wonderwerk zyn; als ook om’er door te vertoonen, hoe een groot en gestreng Wysheid-kenner, teffens een groot en [571] ernstig goed Christen kan zyn: Stukken, zoo we meenen uit hunnen eigenen aart, geschikt om ons Werk zoo wel luister, als Gewigt en Nut by te zetten, en ’t zelve dus langs hoe meer in naam en achtinge te doen toenemen.”