« Vorige pagina — Volgende pagina »

Israel schrijft in EC 692 in navolging van John Stewart dat Hume een ‘staunch supporter’ werd van de established church. Vreemd.

uit: David Hume’s political theory: law, commerce, and the constitution of government van Neil McArthur

mogelijk ook:
http://www.narcis.info/publication/RecordID/oai:uva.nl:285480/Language/nl/
Edwina Hagen Anti-papisme? 138: GES 50.N.5940

Hume’s friendship with Henry Home, later Lord Kames, a man fifteen years his senior, probably dates from his undergraduate days in Edinburgh University, or from the period immediately following, when he was studying law. Through the correspondence arising from this friendship we learn of the title of a hitherto unknown pamphlet by Hume, published without his prior knowledge by Henry Home: A Letter from a Gentleman to his Friend at Edinburgh; containing some Observations on a Specimen of the Principles Concerning Religion and Morality, said to be maintained in a Book lately published intituled, A Treatise of Human Nature &c. The pamphlet is in defence of the religious and moral principles of the Treatise of Human Nature, which had been attacked by Principal Wishart of Edinburgh at the time when Hume was standing as candidate for the professorship of Ethics and Pneumatical Philosophy; it appeared anonymously at Edinburgh on 21 May 1745, and it has not yet come to light. We hope that other scholars may be more fortunate in tracing it, as it may well prove of philosophical significance.

uit de inleiding van.
New Letters of David Hume, [xiii]

Gezocht op Hume:

Zoals te verwachten viel voornamelijk Engelstalige bronnen van Angelsaksische lezers. James Boswell komt een aantal keer terug, maar van hem wisten we al dat hij een Hume-adept was.

In De Opmerker, band 6, wordt weliswaar slechts in een noot verwezen naar de History, maar in de index wordt melding gemaakt van ‘HUME weerlegd’, op bladzijde 354. Gevonden: Is De Opmerker 45: een stuk over “AFGODERY en VEELGODENDOM” met als motto “Di, Deaeque omnes” van Vergilius.

Denk ook aan artikel in Geschiedenis van de Nederlandse wijsbegeerte, waarin de positie van Petsch als mogelijk schrijver van de opmerker wordt besproken.

Volgens PiCarta was De Opmerker de opvolger van De Onderzoeker.
“Zie J. Hartog, De spectat. geschr. 1741-1800 (2e dr. 1890), p.27 e.v; Buynsters (Spec. geschriften) 42; Hanou 393”

Enorme hoeveelheid drukkers!

R.C. Bakhuizen van den Brink, Studiën en schetsen over vaderlandsche geschiedenis en letteren. Deel 2
115-116

(let op de geloofquote van Hume

“Maar van alle bestrijders des Christendoms won HUME het verreweg in scherpzinnigheid. Na beweerd te hebben dat de rede ons van de waarheid dier leer geénszins kon overtuigen, vervolgt hij: ʻwij trachten hiermede die gevaarlijke vrienden of verborgen vijanden des Christendoms te beschamen, welke ondernomen hebben het te verdedigen uit de beginselen der menschelijke rede. Onze allerheiligste Godsdienst is op geloof, niet op de rede gebouwd; wanneer men haar op eene proef stelt die zij niet kan doorstaan, ondermijnt men haar. – De rede alleen kan ons van hare waarachtigheid niet overtuigen; hij die door het geloof gedrongen wordt haar zijne toestemming te geven, heeft in zich zelven het bewustzijn van een voortdurend wonder, dat de grondbeginselen van zijn verstand omverre werpt, en hem dwingt; aan te nemen, hetgeen geheel en al met de gewoone ondervinding strijdt.ʼ(3)
Naast deze plaats van HUME, stellen wij eene andere. ʻHet geloof is het vermogen datgene te gelooven, ’t welk niet gelooflijk is; of te willen gelooven hetgeen niet
gelooflijk schijnt; of te gelooven, wat gelooflijk schijnt te zijn. In de beide eerste gevallen is eene bijzondere werkzaamheid van het Opperwezen volstrekt noodzakelijk; in het laatste is ieder mensch evenzeer lijdelijk, want het hangt niet van hem af, dat iets hem geloofwaardig schijne. Bijgevolg is ook daartoe eene bijzondere werkzaamheid van God noodig op de ziel van den mensen; en bijgevolg is het zeer waar, dat het geloof slechts eene bijzondere gave Gods zijn kan.ʼ(1) Het verschil der denkbeelden, in beide plaatsen uitgedrukt, is gering; en toch werd HUME om de eerste te regt als vrijgeest beschouwd; – en niettegenstaande de laatste is HEMSTERHUIS door den Heer TYDEMAN als christen geroemd! ʻHet is nog moeijelijker,ʼ zegt HEMSTERHUIS, ʻom de bron eener godsdienst, dan die eener wijsgeerige secte op te sporen: tegenwoordig is het bijna onmogelijk zich de Christelijke Godsdienst in hare zuiverheid voor te stellen, en zich een juist begrip te vormen van de gebeurtenissen die hare geboorte vergezelden.ʼ(2) Hadden TINDAL, COLLINS, MORGAN,anders kunnen spreken?”

Verwijst kort daarvoor ook naar (2) LELAND, A View of the principal Deistical Writers; London, 1764. Vol. I page 133.
(3) HUME’S Essays and Treatises, on several Subjects. Edinburgh: Bell & Bradfull 1800: Of
Miracles Vol. II p. 137, 138.

« Vorige pagina — Volgende pagina »