Conclusies

  • De tijdschriften kunnen geen afspiegeling zijn van de belangstelling van de burgers, omdat het publiek te klein was voor veel gespecialiseerde bladen. De kosmopolitische instelling van de Hollanders – ze konden ook buitenlandse bladen lezen – droeg hieraan natuurlijk niet bij.
  • “De controverses over het karakter van de NederlandseVerlichting, die ik in het begin van dit artikel schetste, zijn mogelijk mede te verklaren uit dergelijke kleinschaligheidsfenomenen.” [163]
  • Dat er relatief gezien zoveel meer praktische theologie in tijdschriften terugkomt dan hardcore filosofie heeft ook te maken met het liefhebbers-schrijven-voor-andere-liefhebbers-principe. Met name predikanten waren – dankzij hun beroep – bij uitstek geschikt om in hun vrije tijd te schrijven voor tijdschriften, en dus bleef het bij praktische theologie, en was fundamentele filosofie nauwelijks onder de aandacht.
  • Johannes suggereert dat zelfs misschien in de befaamde Nederlandse tolerantie een oorzaak mag worden gezien van het in stand blijven van die paar niet-zulke goede algemeen-culturele tijdschriften. Alles kon, want het blad moest worden gevuld.
  • Noemt voorbeelden van Van Marum (natuurwetenschapper, verwijzend naar Mijnhardt), de vele politieke publicaties in patriottentijd (verwijzend naar Van Sas en H. de Lange), de radicale discussies op religieus, filosofisch en levensbeschouwelijk terrein (verwijzend naar de eerdere verwijzingen naar M. C. Jacob en Hanou) om te bewijzen dat er wel degelijk specialisten aanwezig waren in de Republiek…. maar het bleef bij incidenten – wederom deels door de kleinschaligheid[164]
  • illustreert de misère met het voorbeeld van de politieke tijdschriften, die vaak zo snel na hun oprichting weer verdwenen dat de censuur en repressie – die vaak wordt aangehaald om hun verdwijning te verklaren – niet eens de tijd had om ingezet te worden. ook na het vertrek van de Fransen verdwijnen ze nog altijd als sneeuw voor de zon.
  • betwijfelt of de bovengenoemde tijdschriften door hun korte levensduur wel werkelijk die ‘bindende kracht’ kunnen zijn geweest binnen de verschillende facties.
  • de toenemende politisering beperkte bovendien nogmaals de beschikbare lezers- én schrijversaantallen: een politieke analyse van de tegenstander koop je niet. en ook schreef je er niet voor als ‘mede-helper’.
  • de late terugkeer van het politieke tijdschrift (na 1830) schrijft Johannes dan ook het liefst toe aan de algemene trend dat specialisatie toen mogelijk begon te worden
  • algemeen culturele tijdschriften moesten hun boodschap makkelijker maken en niet te controversieel, deels wellicht vanuit Verlichte beleefdheid, maar ook om zichzelf commercieel niet in de vingers te snijden.

Waar het tijdschrift als spiegel misschien geen goed beeld geeft van de mate van Verlichting in de Republiek en daarna, ontkomt ook Johannes niet aan de conclusie dat de kleinschaligheid voor die andere functie, de motor-functie geen fijne invloed heeft gehad.

Interessante observatie van Johannes vervolgens:
“Door de afwezigheid van bepaalde typen nieuwe bladen konden de bestaande tijdschriften vervolgens hun rol als spiegel alsnog waarmaken, maar dan op indirecte wijze: naarmate de achttiende eeuw voortschreed,
begon de Nederlandse Verlichting soms verbazend veel op haar eigen tijdschriften te lijken.” [165]

De voorkeuren pasten zich er ook op aan: theorievorming vond weinig plaats en werd al gauw tot systeemdwang gebombardeerd. Niet-te-diepgravend was een cultuurspreidende deugd.

Natuurlijk waren dat ook deugden, besluit Johannes, maar het blijft moeilijk om te accepteren dat wij rond 1800 niet meer waren zoals de rest, zoals we zelf waren, en dat dat geen schande is. Ook Johannes heeft het er moeilijk mee.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6

Leave a Reply