« Vorige pagina — Volgende pagina »

Jammer genoeg heb ik deze week niet zoveel gedaan als ik hoopte, maar ik heb toch een aantal kleine vondsten gedaan en ingegevingen gekregen die me hoop geven op meer structuur.

Nieuw vergelijkbaar en bruikbaar receptionderzoek
Lange tijd had ik als vergelijkbaar receptie-onderzoek alleen literatuur over Hume-receptie in andere delen van de wereld. Meerdere stukken over de receptie van Hume in Duitsland en Frankrijk, een monografie over de mogelijke invloed van Humes werk op de Amerikaanse revolutie, en dan nog alle bijdragen in Peter Jones’ bundel The reception of David Hume in Europe – waar zo ongeveer alle landen worden behandeld, behalve de Republiek.
Er kleefde echter ook een probleem aan deze studies uit andere landen over andere landen. Enerzijds is een aantal basisvragen ten aanzien van dit soort onderzoek wel bruikbaar voor mijn onderzoeksopzet: welke bronnen worden er gebruikt, op welke werken van Hume ligt de nadruk, welke periode wordt bekeken, en hoeveel aandacht is er voor de boekhistorische kant van het verhaal? Anderzijds kun je je echter afvragen of de markten niet té veel van elkaar verschillen om ook de resultaten aan elkaar te spiegelen.
Het is daarom misschien wel interessanter om te weten hoe de andere Verlichte denkers het deden in Holland in deze periode. In één van mijn opzetten voor mijn onderzoeksvoorstel had ik al eens geschreven dat dat van de Grote (Franse) Drie – Voltaire, Rousseau en Montesquieu – al onderzocht was, maar de literatuur had ik nog nooit gezien. Daarom was ik erg blij toen ik in José de Kruif een verwijzing vond naar een boek van Gobbers over Rousseau in Holland. In de bundel essays van mijnheer Velema vond ik bovendien een heel essay over de receptie van Montesquieus Esprit des Lois in de Republiek, met daarbij de opmerking dat eerder onderzoek naar de receptie van Montesquieus werk ‘unsatisfactory’ was geweest.

  1. Voltaire: De bijdrage van Joris van Eijnatten in Jan Pieter van der Sterres Voltaire en de Republiek. Teksten van Voltaire over Holland en Hollanders (Amsterdam 2006)
  2. Rousseau: W. Gobbers, Jean Jacques Rousseau in Holland. Een onderzoek naar de mens en het werk (ca 1760-ca 60-ca 1810) (Gent 1963).
  3. Montesquieu: Wyger R. E. Velema, “Republican readings of Montesquieu: the Esprit des Lois in the Dutch Republic”, in: idem, Republicans (2007)

Nog mooier zou het zijn als er nu ergens ook nog studies opduiken waarin de ontvangst van andere Engelse of zelfs Schotse denkers centraal staat.
Als deze er nog niet zijn, zou de Anglofilie van de Nederlandse letterliefhebber wel eens mogen worden onderzocht. In de Algemeene Spectator vond ik geen spoor van Hume – daarvoor was het blijkbaar echt nog te vroeg – maar wel een flink aantal artikelen dat met een Engels motto werd ingeleid, waarbij Pope de absolute favoriet lijkt te zijn.

Spectators
Vijf spectatoriale tijdschriften heb ik nu doorzocht, waarvan twee nog niet helemaal; dat alles kostte me bij elkaar ongeveer een volle werkdag. Op volgorde van verschijnen:

De Algemeene Spectator (1742-1746, dit is waarschijnlijk echt nog te vroeg)

IMG_4085.jpg

De Philanthrope (Amsterdam 1756-1762)

IMG_4322.jpg

De Hollandsche Wysgeer (1759-1763)

IMG_3694.jpg

De Denker (1763-1774, opvolger van De Philanthrope, nog altijd in Amsterdam)

IMG_4614.jpg

De Philosooph (1766-1769)

IMG_3931.jpg

De tijd die je kwijt bent met een jaargang varieert behoorlijk. Soms zijn de jaargangen uitgebreid met een index voor de belangrijkste trefwoorden en personennamen. Soms blijft het beperkt tot de korte samenvattingen van de stukjes die wekelijks verschenen – meestal op maandag.
Ook in het geval van De Denker, een relatief succesvol blad (wanneer je uitgaat van de lange looptijd van 1763 en 1774), bleef het bij een dergelijke index. Grappig is het om te zien dat precies de politieke onderwerpen – die we makkelijk met de Verlichting in verband brengen – waarover ook Hume heeft geschreven bij de Denker twee keer overgenomen waren uit een Engelse periodiek. Dat gold voor “Over de vrijheid van Denken en Schryven over godsdienstige onderwerpen” en “Over de bitterheid der Kerkelyke Twisten, en de Heeschzugt der Geestelyken. De redenen daarvan naargespoord.”
De enige directe verwijzing naar Hume van de dag vond ik echter niet in één deze stukken, maar in een stukje getiteld: “Het nut der Verkwisting aangetoond, Ontwerp van den DENKER, om het geld onder den man te brengen, en het algemeen belang der Maatschappy edelmoedig te bevorderen”, ook in De Denker. De auteur stelt hierin voor om alles wat Hume en Mandeville over de weelde hadden gepubliceerd gratis ter beschikking te stellen aan alle burgers.
Stom genoeg had ik juist deze verwijzing al eerder gevonden, ontdekte ik later. De Denker is namelijk voor de helft gedigitaliseerd voor de DBNL, en in mijn zoektocht aldaar had ik deze pagina al gevonden en opgeslagen.
Die mus waar ik zo blij mee was, was dus niet dood, ik had ‘em alleen al in mijn verzameling.

Andere inzichten en vooruitzichten:

  1. Voor mijn eigen inzicht is het wel goed om een tijdbalk te maken/tekenen/bouwen waarin alle publicaties van Hume en alle Nederlandse bronnen en waarin ik Hume tegenkom naast elkaar zet. Zo krijg ik waarschijnlijk een beter inzicht in de periodes. In de receptie-bundel van Peter Jones staat al een vergelijkbare tabel; deze zou ik als richtlijn kunnen houden
  2. Om er achter te kunnen komen of een bepaald type boekhandelaar Hume verkocht is het misschien de moeite waard om enkele namen die op de intekenlijst voor de vertaling voor Hume’s History of England staan te checken met de database met (veiling)catalogi die is gemaakt naar aanleiding van het werk van H.W. de Kooker te Leiden.
  3. Hoewel ik weet dat het waarschijnlijk te ver gaat, zou ik graag Mijnhardts Tot heil van ’t menschdom : culturele genootschappen in Nederland, 1750-1815 er nog eens op naslaan om de mogelijkheden te onderzoeken om een klein uitstapje te maken richting de gezelligheid.

Het plan voor de komende week:

  • Mijn eerste verkenning rondom de spectatoren afmaken, en me daarbij zo veel mogelijk laten sturen door de bronnen die zijn gebruikt door Gobbers, Van Eijnatten en Velema. De niet-gedigitaliseerde delen van De Denker komen in elk geval aan de beurt.
  • Bovengenoemde publicatie/bronnen-tijdbalk in elkaar sleutelen.
  • Leeb en Salzberg-Oz bestuderen

Beste Jouke en Jeroen (en mijnheer Velema),

Hieronder de eerste update met betrekking tot mijn scriptie-vorderingen. Vanaf nu zal ik proberen elke week een stukje te schrijven, zodat jullie op de hoogte blijven van wat ik allemaal doe in het kader van mijn scriptie. Als er al sprake is van voortschrijdend inzicht, dan hoop ik dat ik dat op de een of andere manier in deze wekelijkse items te kunnen beschrijven. Dat is handig voor mij, en voor jullie, lijkt me! Dit werkblog is een tijdrovend experiment, maar ik begin het steeds meer onder de knie te krijgen en hopelijk zal het me bij het schrijven uiteindelijk veel opleveren. Ik heb nog nooit geprobeerd of het ook mogelijk is om commentaar te plaatsen, maar in theorie moeten jullie eventuele feedback gelijk achter dit soort posts kwijt kunnen. Daarvoor dient op het rode linkje “Reacties” te worden geklikt, hierboven.

En nu ter zake:

Ik heb de enquête ingevuld en werd bij vraag 12 vriendelijk verzocht terug te gaan naar vraag 10 of 9. Op dit moment heb ik dus nog altijd geen duidelijk beeld van de mogelijkheden met de vele beschikbare bronnen, en ziet het er naar uit dat ik een aantal keuzes moet gaan maken. Het leukst lijkt me nog steeds om zoveel mogelijk verschillende bronnen te gebruiken, zodat het niet blijft bij het turven van tijdschriftartikelen waarin de naam Hume wordt genoemd – zoals Jouke tijdens het eerste college al opmerkte. Een soort hybride-vorm, waarbij informatie over de vertalers, de drukkers, de uitgaven zelf, de verkopers, de recensenten en een aantal uiteindelijke lezers samenkomt heeft nog steeds mijn voorkeur.
Ik zal dus moeten uitzoeken hoe ik deze gegevens het mooist samen kan brengen, zonder dat er grote gaten vallen in mijn verhaal, of dat ik te weinig bronnen van één soort heb bestudeerd om tot redelijk harde conclusies te kunnen komen.

Deze week wil ik daarom twee dingen doen.

Allereerst zal ik bezig blijven met het bestuderen van de drie titels die ik in de enquete heb genoemd, te weten:

– Fania Oz-Salzberger – Translating the Enlightenment (1995)
– I. L. Leeb – The ideological origins of the Batavian Revolution (1973)
– Wyger R. E. Velema – Republicans (2007)

Daarnaast zal ik, gewapend met Buijnsters’ Spectatoriale geschriften en een fotocamera, Bijzondere collecties gaan bewonen om te inventariseren hoe veel tijd het kost om van spectatoriale tijdschriften te bepalen of Hume in één van de jaargangen wordt genoemd. Hiermee hoop ik langzamerhand een beter idee te krijgen hoe haalbaar de door mij gewenste hybride-vorm eigenlijk is.

Dr. Esther Mijers lijkt vooralsnog meer geïnteresseerd in Willem III en andere zeventiende-eeuwse onderwerpen.

Dept. of History
University of Reading, Whitenights
Reading RG6 6AA, U.K.
e.mijers@reading.ac.uk
Scotland & the Netherlands; intellectual & political history

Voor mijn tweede lezing over de Verlichting die ik begin deze maand bezocht, moest ik naar de concurrent: in Felix Meritis zou de eerste Burgerhartlezing worden gehouden, georganiseerd door de Werkgroep 18e Eeuw.
Dankzij de website van het Huizinga-instituut, het instituut voor Cultuurgeschiedenis, waarvan in elk geval het postadres zich op mijn Universiteit bevindt, kwam ik op het idee om erheen te gaan. Dit had als bijkomend voordeel dat ik bijna zeker wist dat ik die avond ook mijn scriptiebegeleider Wyger Velema zou treffen. Hij is ook aangesloten bij het Huizinga-instituut, en zo groot is het wereldje van historici die zich bezighouden met de achttiende-eeuwse geschiedenis in Nederland nou ook weer niet.

(meer…)

“Ik werk hier, maar ik kom ook stiekem voor Spinoza”, antwoordde ik quasi-kloek toen de mevrouw achter de ontvangstbalie mij vroeg of ik ook voor de studiedag over Spinoza kwam.

In de Rode Hoed, niet toevallig ook de plek waar ik mijn geld verdien als podiumbouwer en stoelensjoeler, organiseerde de Maá§onnieke Stichting Ritus en Tempelbouw een studiedag over Spinoza. De grote zaal was gevuld met keurige heren en dames van middelbare (en nog respectabeler) leeftijd, waarvan er een aantal een soort ketting droegen – het teken van een hoge rang binnen de vrijmetselaars? Tijdens het inleidende praatje bedankte een breedsprakige spreekstalmeester op bijzonder vriendelijke wijze enkele broeders die zich verdienstelijk hadden gemaakt voor de studiedag, of voor de orde in het algemeen. Ook sprak hij zijn vreugde uit over het feit dat er zoveel dames waren (mee)gekomen naar de studiedag. Ik stel me zo voor dat er zich een aantal mannen in het gezelschap bevonden, die schoorvoetend hebben moeten toestaan hoe ook dat leuke exclusivistische element verdween uit de toch-al-niet-meer-zoals-het-vroeger-was jongensclub die de vrijmetselaarsloge heet. De vrijmetselaars hebben hun gezicht gericht op de buitenwereld; op de aankondiging voor de studiedag stond nadrukkelijk vermeld dat ook buitenstaanders van harte welkom waren . Ik geloof niet dat er veel buitenstaanders op die uitnodiging in zijn gegaan, maar er waren er in elk geval twee: Willem en Wiep.

De leden van de Stichting (en de loge) onderbreken hun dagelijkse complotsmederijen natuurlijk niet voor elke willekeurige filosofie-liefhebber. Om het academisch gehalte van de studiedag te waarborgen, waren er dan ook maar liefst twee hoogleraren geregeld. Eén van hen was Wiep van Bunge, hoogleraar in de Geschiedenis van de Wijsbegeerte aan de Erasmus-universiteit. Hij was uitgenodigd om als eerste spreker het één en ander over Spinoza en diens leer te vertellen. En hoe interessant ik het inkijkje in dit merkwaardige rituele overblijfsel uit mysterieuzer tijden tot dan toe ook had gevonden, toen Wiep achter het katheder plaatsnam, wist ik waarvoor ik was gekomen. De spoedcursus Spinoza.

De belangrijkste aantekeningen lees je in het volgende item.

« Vorige pagina — Volgende pagina »