« Vorige pagina — Volgende pagina »

van Leonie Ophof-Maass.

Dissertation in Journal Litéraire 1717. wellicht geïnspireerd door een bezoek aan Engeland.

Van Effen vond (aldus zijn Dissertation) dat de Engelse auteurs te weinig zelfcontrole betrachtten, en hun goede kwaliteiten te weinig ‘middelden’
Britten én Fransen hebben ‘feu, esprit et genie’: Frankrijk won het, want die hielden zich an de regels van het classicisme. [28-29]
Ook al vond hij het satirische werk van Butler en Pope goed, was dat vooral omdat het netjes bleef’ Dryden en Rochester vond hij beroerd [29]
Epische gedichten zoals Milton (100 edities in de achttiende eeuw) kan hij niet erg waarderen, omdat het de gaten in het bijbelverhaal opvult
comedie: moliere ownt [29] want de engelschen zijn te vies [30]
tragedies stelen de engelsen van de fransen. Shakespeare kende de drama-regels niet en dat neemt hij hem niet kwalijk, maar toch vind ‘ie het prut

“Although Van Effen thought that the inferiority of the English productions was due to their lack of discipline, in passing he broached still another problem. It would in his view, not be unthinkable that the English national character was an obstacle in reaching the summit in a particular genre. Van Effen observed that serious-minded people like the English and the Dutch, when writing satire, would always end up at paltry extremes. Essentially cheerful nations, however, were always able to keep a happy middle course. But the French too had to struggle against their national character: they showed so mch enthusism in their work that they were not able to deliver anything of sustained length, because they were bound to lose some of their spirit on the way with the consequence that their reative work lost in expressiveness. Therefore, according to Van Effen, the epic would never really flourish in France” [32]

Arianne Baggerman en Rudolf Dekker, Kind van de Toekomst waar op blz 476 naar Hume wordt verwezen.
KB

De drie samenspraken in leeuwarden? beetje teveel van het goede misschien?
De Koopman (deel 3)

4 andere delen van de opmerker?

Title: Die erste niederlá¤ndische Kant-Rezeption 1786-1850
Source: Kant – Studien ; Philosophische Zeitschrift [0022-8877] Wielema yr:1988 vol:79 iss:1-4 pg:450

“abgesehen von Franz Hemsterhuis (1721-1790) gab es kaum originelle Geister, die die Philosophie há¤tten beseelen können” [2] -> Wielema volgt hier Romein en ook de auteur van De Verlichting in Nederland, 1972

dat er met de Kant-receptie een nieuw filosofisch leven ingeblazen werd: “man polemisierte wieder frisch drauf los” [2]

Geeft al met al een minder positief beeld dan Onnasch, In de loop van de negentiende eeuw werden al deze vroege Kantianen vergeten.

Hume wordt niet genoemd, maar dit is wel een titel die ik nog niet gezien had die de ontwikkelingen in de historiografie over de lees- en schrijfpraktijk bijeenbrengt en vermeerdert aan de hand van een zeventiende-eeuws lezersdagboek.

In de Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 3., van P. J. Blok komt deze passage voorbij in hoofdstuk 4 (De voorboden van den nieuwen tijd) van boek X (De Republike en het erfstadhouderschap):

Vooral onder de burgerklasse, door de regenten eeuwenlang in ondergeschiktheid gehouden, deed zich de behoefte gevoelen aan bevrijding van het opgelegde juk, aan erkenning harer eigen beteekenis; de lagere volksklasse, in geestelijke en economische onmbndigheid verkeerend, was voor dergelijke denkbeelden nog weinig of niet toegankelijk en zou met meer of minder kracht, al naar de beweging onder de hoogere klassen zich zou doen gevoelen, zich laten medesleepen, waarheen de stroom der tijdsomstandigheden haar voerde, of in die omstandigheden berusten. De burgerklasse, die hier en daar vroeger reeds, in 1747 en volgende jaren meer algemeen in de Republiek, hoewel nog zonder veel samenhang in de bewegingen onderling, zwakke pogingen had gewaagd om zich aan de bevoogding der regenten te onttrekken, thans door het voorbeeld van den nieuwen burgerstaat in Amerika bemoedigd, door fransche en engelsche wijsgeeren en staathuishoudkundigen, Voltaire, Montesquieu, Rousseau en de encyclopedisten, Hume, Price en Priestley en de hunnen, in de richting der vernieuwing van staat en maatschappij geleid, begon zich hare werkelijke macht meer bewust te worden en te streven naar de erkenning daarvan. Hier is ten duidelijkste – gelijk van tijd tot tijd in het verloop der geschiedenis – een klassenstrijd te herkennen: de strijd eener welvarende, talrijke groep van ingezetenen, sedert twee eeuwen en langer van allen invloed op de staatszaken beroofd door een zich steeds meer tot een oligarchie inkrimpende aristocratie van eveneens burgerlijke afkomst, tegen het patriciaat, dat zich met de overblijfselen van den ouden adel op één lijn had weten te stellen en met dezen de regeering in stad en land voerde, slechts noode, uit vrees voor verzet, den Prins van Oranje boven zich duldend. Lang had die burgerklasse, de kracht der natie, zich tevredengesteld met de verheffing van enkele harer uitnemendste elementen tot de mederegeering in de Republiek. Nu en dan had zij zich op gewelddadige wijze laten gelden en in een vorst uit het geliefde Oranjehuis een tegenwicht gezocht tegen de willekeurige regentenheerschappij. Hare welvaart was steeds vermeerderd, hare beschaving en ontwikkeling toegenomen – zou zij zich nog langer in onderdanigheid tevredenstellen met de kruimels, die het baatzuchtige patriciaat haar toewierp? zou zij nog langer het gemis aan persoonlijk aanzien, aan persoonlijke veiligheid, aan rechtszekerheid, aan toezicht op het beheer der door haar vooral opgebrachte belastingen verdragen? Hare voorlichters op het gebied van wijsbegeerte en staatsrecht, door de toenemende lectuur meer en meer met hun welsprekend woord indruk makend op hare kringen, gaven haar het antwoord op deze vragen en zij begon de beteekenis ervan duidelijk in te zien.

« Vorige pagina — Volgende pagina »