21 dec, 2009
Misvattingen over de invloed van Hume en andere Verlichters
Geplaatst door Willem in de categorie: LiteratuurReacties (0) Tags: 1900+, historiografie, Hume
In de Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 3., van P. J. Blok komt deze passage voorbij in hoofdstuk 4 (De voorboden van den nieuwen tijd) van boek X (De Republike en het erfstadhouderschap):
Vooral onder de burgerklasse, door de regenten eeuwenlang in ondergeschiktheid gehouden, deed zich de behoefte gevoelen aan bevrijding van het opgelegde juk, aan erkenning harer eigen beteekenis; de lagere volksklasse, in geestelijke en economische onmbndigheid verkeerend, was voor dergelijke denkbeelden nog weinig of niet toegankelijk en zou met meer of minder kracht, al naar de beweging onder de hoogere klassen zich zou doen gevoelen, zich laten medesleepen, waarheen de stroom der tijdsomstandigheden haar voerde, of in die omstandigheden berusten. De burgerklasse, die hier en daar vroeger reeds, in 1747 en volgende jaren meer algemeen in de Republiek, hoewel nog zonder veel samenhang in de bewegingen onderling, zwakke pogingen had gewaagd om zich aan de bevoogding der regenten te onttrekken, thans door het voorbeeld van den nieuwen burgerstaat in Amerika bemoedigd, door fransche en engelsche wijsgeeren en staathuishoudkundigen, Voltaire, Montesquieu, Rousseau en de encyclopedisten, Hume, Price en Priestley en de hunnen, in de richting der vernieuwing van staat en maatschappij geleid, begon zich hare werkelijke macht meer bewust te worden en te streven naar de erkenning daarvan. Hier is ten duidelijkste – gelijk van tijd tot tijd in het verloop der geschiedenis – een klassenstrijd te herkennen: de strijd eener welvarende, talrijke groep van ingezetenen, sedert twee eeuwen en langer van allen invloed op de staatszaken beroofd door een zich steeds meer tot een oligarchie inkrimpende aristocratie van eveneens burgerlijke afkomst, tegen het patriciaat, dat zich met de overblijfselen van den ouden adel op één lijn had weten te stellen en met dezen de regeering in stad en land voerde, slechts noode, uit vrees voor verzet, den Prins van Oranje boven zich duldend. Lang had die burgerklasse, de kracht der natie, zich tevredengesteld met de verheffing van enkele harer uitnemendste elementen tot de mederegeering in de Republiek. Nu en dan had zij zich op gewelddadige wijze laten gelden en in een vorst uit het geliefde Oranjehuis een tegenwicht gezocht tegen de willekeurige regentenheerschappij. Hare welvaart was steeds vermeerderd, hare beschaving en ontwikkeling toegenomen – zou zij zich nog langer in onderdanigheid tevredenstellen met de kruimels, die het baatzuchtige patriciaat haar toewierp? zou zij nog langer het gemis aan persoonlijk aanzien, aan persoonlijke veiligheid, aan rechtszekerheid, aan toezicht op het beheer der door haar vooral opgebrachte belastingen verdragen? Hare voorlichters op het gebied van wijsbegeerte en staatsrecht, door de toenemende lectuur meer en meer met hun welsprekend woord indruk makend op hare kringen, gaven haar het antwoord op deze vragen en zij begon de beteekenis ervan duidelijk in te zien.