« Vorige pagina — Volgende pagina »

[nggallery id=29]

Recensie van de hand van Berry Dongelmans van Hannie Goinga’s ʻAlom te bekomenʼ. Veranderingen in de boekdistributie in de Republiek 1720-1800  (Amsterdam 1999) in Quá¦rendo 32/1-2 (2002). Dit is vooral een samenvatting van zijn samenvatting.

Hier een artikel dat Van Goinga eerder schreef, met bijna dezelfde titel: ‘Alom te bekomen’: veranderingen in de boekdistributie in de Republiek, 1725-1770, Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis 3 (1996), 55-85.

Hannie Goinga

  • schrijft niet vanuit een theorie – de vraag of er een lezersrevolutie plaatsvond in de tweede helft van de 18e eeuw wordt zo onbevangen mogelijk benaderd
  • schrijft vanuit de distributie, en niet zoals Kloek, Mijnhardt, Brouwer en De Kruif vanuit boek(ver)kopers en -bezitters.
  • wil met hte boek een gat vullen in onze kennis over de achttiende-eeuwse boekhandel
  • schrijft over de rol van lees-bibliotheken en lees-gezelschappen
  • blijft voorzichtig met conclusies, waar het gaat om de vraag of er sprake was van een nieuw publiek.  Ze durft te zeggen dat er blijkbaar een vraag naar bibliotheken was, maar daar laat ze het bij. Ook de relatie tussen het gestegen aantal bibliotheken en leesgenootschappen en het gestegen aantal publicaties in de moerstaal blijft onaangeroerd.. Wederom blijft ’t bij een observatie, namelijk dat in deze gezelschappen met name fanatieke lezers kwamen die het ter recreatie deden.
  • laat onder de noemer ‘leesgenootschappen’ een hele schare aan clubjes vallen, van kaartclubjes tot revolutionaire milities. Het lidmaatschap had economische redenen, en sociabiliteit played an important role.
  • Gaat uit van de uitspraak van James Tierney, dat krantenadvertenties van boekverkopers de belangrijkste bron zijn om onderzoek te doen naar de boekgeschiedenis in de achttiende eeuw. Het is geen makkelijke taak, maar ze slaagt erin te laten zien dat de advertenties in een aantal kranten (Leydsche Courant voorop) de afwisselende groei en afname van de boekverkoop weerspiegelen in de verschillende decennia van de achttiende eeuw. Zo duidt de afname van de hoeveelheid advertenties tussen 1745 en 1750 op een afname van de hoeveelheid boekverkopers in de Republiek – die veroorzaakt lijkt door de oostenrijkse successie-oorlog (1742-1748), de afname van de exporten naar Frankrijk en algehele handelsafname met Engeland Daarna volgt stabiliteit, die we terugzien in de aantalleen advertenties.
  • Leiden is alleen aan de oppervlakte de centrale speler in haar boek, want vergelijkingn met Den Haag, Delft en Amsterdam. Veel van haar conclusies over Leiden hebben een reikwijdte voor het hele land.
  • laat in hoofdstuk 3 zien dat advertenties niet zozeer kunnen vertellen  hoeveel boekhandelaren er op een gegeven moment en een geven plek werkzaam zijn. Maar uit een analyse van voorraadlijsten trekt van Goinga de conclusie dat het tssenhandelaar/groothandels-aspect steeds belangrijker wordt – afgaande op de relatief grote hoeveelheden die soms in voorraad zijn. Er kan dan ook op commissie worden verkocht, en inkopen op krediet van cellega’s. Allemaal zaken die de administratie/distributie steeds complexer maken.
  • toont hoe langzaam de scheiding tussen uitgever en boekhandelaar zichtbaar werd, doordat sommige handelaren zich gingen richten op distributie, en anderen alleen hun geld uitleenden zodat anderen daar boeken mee konden inkopen
  • liet zich door boekveiling-aankondigingen leiden naar een beschrijving en ‘inventory’ van veilingen – “unbound auctions”. Er zijn veel verschillende lokale richtlijnen/regels, maar de doelen zijn overal gelijk: copy-right handelen, overschotten kwijtraken en ’t voor een klein prijsje in- en verkopen van redelijk recente binnenlandse en buitenlandse werken, waarbij vooral faillisementen erg aantrekkelijk waren.
  • vertelt hoe jaarlijkse veilingen in de tweede helft v/d eeuw op enorme belangstelling konden rekenen van boekhandelaren uit de hele Republiek.
  • Met korting verkopen van restanten gebeurt in de tweede helft van de achttiende eeuw stteds vaker, deels door de vele veilingen, maar ook door een vergroot aanbod op een gelijkgebleven lezerspubliek. Van Goinga laat zich niet verleiden om uit de nieuwe beschikbaarheid van veel goedkopere titels de conclusie te trekken dat er dan ook wel een nieuwe markt-met-de-kleine-portemonnee zal zijn aangeboord.  De smaak van de lezers zou zijn veranderd, richting de recentste literatuur – waardoor traditionele boeken minder goed liepen. 
  • Waar eerst vooral duurdere uitgaven goedkoper werden aangeboden, strekte het gereduceerde aanbod zich later uit naar alle genres.
  • Een nieuw publiek zou vooral te vinden zijn in de aangesproken doelgroep in advertenties – waarvan dan nog altijd de vraag blijft of die werken ook verkochten.
  • Dankzij de toename in openbare veilingen groeit ook de tweedehands- en antiquare boekhandel uit tot een aparte tak van sport
  • heeft heel veel geteld (1115 advertenties alleen in de Leydsche Courant in 1740) en geïnventariseerd (1825 veilingen in Leiden in de periode 1721-1805). Het zou cool zijn om te kijken of er in het decennium na de Treatise advertenties zijn geweest voor de Engelse uitgave, maar die kom je natuurlijk niet tegen in Van Goinga.
  • blijft voorzichtig met haar conclusies, en herhaalt dat de stelling van de leesrevolutie geen leitmotif is, ook wanneer De Kruif heeft laten zien dat, tot mid-18e-eeuw boekenbezit groeit. Ze durft geen verband te leggen tussen dat gegeven en de veranderingen in de boekdistributie.
  • wordt hierbij voornamelijk gehinderd door het feit dat de aard van de werken waarvoor is geadverteerd, niet is onderzocht.
  • doet geen uitspraken of de veranderingen in de distributie misschien toch hebben ingespeeld op een bepaalde vraag, of dat die vraag pas is ontstaan toen het sterk uitgebreid en gevarieerder aanbod er was. Kip en ei!
  • Dongelmans vraagt zich af of de snellere distributie – dankzij commissies – niet een reactie was op een gestegen vraag naar recenter werk.. of zou de consument van toen niet sterk genoeg zijn geweest om dusdanige grote verschuivingen te veroorzaken in het distributieveld. Werden de handelaren niet gewoon gedwongen door de straffe concurrentie? Specialisatie zou hiervan een logisch gevolg zijn.
  • bespreekt ook de vraag of de vorm van het boek bewijzen bij zich draagt over de veranderingen in het publiek.  Maar de verschijning in het Nederlands is hierin de opzienbarendste shift.

De voor mij interessantste gegevens bevinden zich waarschijnlijk in de appendices, waar naast een glossarium een overzicht is geplaatst van de boekverkopers en drukkers actief in Amsterdam in 1740, gerangschikt naar inkomen (deze heb ik gezien, maar ook gekopieerd?). Een derde appendix toont de sjiekere boekwinkels in Amsterdam uit 1742 en daarna toont ze de een overzicht van geciteerde catalogi.

De vraag die Dongelmans ten slotte nog stelt is of de ontdekte verschuivingen ook doorzetten. Waren het slechts initiatieven of werden ze ook daadwerkelijk overgenomen?

Aantekeningen bij :
Brouwer, Han, Lezen en schrijven in de provincie : de boeken van Zwolse boekverkopers, 1777-1849 (Leiden 1995).

Koper David Thomassen a Thuessink kocht bij Tijl in Zwolle voor bijna 400 gulden aan boeken in 11 jaar. (169)

(auteur van “Aan het Volk van Nederland”, dat in 1781 werd verboden en waar middels een plakkaat over bekend werd gemaakt dat de overheid op zoek was naar de auteur en zijn handlangers (Kruseman’s Aanteekeningen 365)!)
Joan Derck Van der Capellen had hij ontmoet in de vergaderingen van het Zwolse departement van de Oeconomische Tak. (168)

Een flink deel van zijn budget was bestemd voor historische werken. Kennis van de geschiedenis, het grote theater van morele exempla, behoorde tot de verplichte intellectuele bagage van een heer van stand. Hij schafte niet de klassieken van de Nederlandse geschiedschrijving aan – vermoedelijk stonden deze thuis al op de plank – maar moderne veeldelige werken van een verlichte signatuur. Voor veertien gulden kocht hij een werk van een naamgenoot: de David met wie Belle van Zuylen in Londen babbelde over roastbeef een plumpudding, de Schotse verlichtingsfilosoof David Hume. Een dergelijk bedrag voor diens ontluisterende Natural History of Religion, zal de Zwolse David wel wat zwaar op de maag hebben gelegen. Hij prefereerde dan ook een ander werk, diens proeve van de ‘new cultural history’, de achtdelige Historie van Engeland.

NOOT Had de burgervader zich laten adviseren door zijn goede vriend Van der Capellen? Deze had dit werk vijf jaar eerder onder handen. In een brief v an 27 juni 1772 schreef hij aan zijn oude studievriend Tydeman:

‘ik heb Hume hist. of Engl. voor de tweede maal onder handen; ik heb een bezondere agting voor dien schrijver, dien ik geen zwarigheid make den Tacitus van dezen tijd te noemen; daar is in dat werk en schat van staatkunde en wat een Regent meer te weten heeft om een land gelukkiglijk te regeren.’

Met het pyrrhonisme van Hume had ook Van der Capellen niet veel op. Hij vervolgde dan ook met: ‘de godsdienstige begrippen van den schrijver laat ik voor hem zelven over’ (Sillem, Brieven van en aan Joan Derck van der Capellen tot den Pol, p. 41)
169
Andere proeven uit deze school mochten bij hem eveneens op een gunstig onthaal rekenen, bijvoorbeeld werken van de Schotse predikant William Robertson en de Opkomst en bloei van de Republiek der Vereenigde Nederlanden van diens Nederlandse navolger Simon Stijl. De Zwolse burgemeester had voor meer Schotten belangstelling. In 1780 liet hij bijvoorbeeld een werk van de ‘common sense’ filosoof James Beattie van een nieuwe band voorzien. Was het uit de kast getuimeld of had hij dit boek tijdens het lezen ruggelings op de grond laten vallen bij de vertwijfelde uitroep ‘o god, er is geen god’? Dit laatste is niet uitgesloten, want in het betreffende boek, niet zijn luchtige Proeve over het lachen en gelach verwekkende, maar de Nederlandse vertaling uit 1772 van zijn zwaarwichtige Essay on the Nature and Immutability of Truth, polemiseerde Beattie heftig met de ‘que sais-je’-implicaties van David Humes even radicale als serene scepticisme.
NOOT
(op pag 170)
Beattie schuwde argumenten ‘ad hominem’ niet en plaatste ‘godly David’ in het gezelschap van notoire ongelovigen als Spinoza en Hobbes. Was Beattie daarom zo populair in de Republiek? Vgl. Mijnhardt, ‘De Nederlandse Verlichting’, p.67,
170
Een bijzondere voorliefde legde de vaderlandse regent aan de dag voor de werken van Jan Wagenaar. Diens Vaderlandsche Historie, de ‘historie der getergde, verdrukte, herleevende en zegepraalende Vryheid des Vaderlands’, zal hij al eerder hebben aangeschaft.

Brouwer schreef ook:

ʻSociale ideeëngeschiedenis en bestedingspatronen: de kopers van de Katechismus der Natuur in Zwolle, 1777-1785.ʼ In: Spektator 18 (1988-1989), p. 191-202.

ʻRondom het boek. Historisch onderzoek naar leescultuur, in het bijzonder in de achttiende eeuw. Een overzicht van bronnen en benaderingen, resultaten en problemenʼ, in: Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw 20 (1988), p. 51-120.

E. F. Kossman, De boekhandel te ‘s-gravenhage tot het eind van de 18de eeuw: Biographisch woordenboek van boekverkoopers, uitgevers, boekdrukkers, boekbinders enz. Met vermelding van hun uitgaven en de veilingen door hen gehouden (‘s-Gravenhage 1937)

is precies dat.

(meer…)

P. J. Buijnsters, Spectatoriale geschriften (Utrecht 1991), is al sinds de jaren ’60 overtuigd dat in deze “door velen als duf beschouwde tijdschriftjes het grote debat van de Verlichting – natuurlijk naar Nederlandse maat – gevoerd werd.”, een gevoel dat versterkt werd n.a.v. Wolfgang Martens over de Duitse spectators (1968) [7]

1. Geboorte van een nieuw Genre:

Columnisten zijn de spectatoren van nu. Lange traditie, die in Engeland in 1709 begon met The Tatler van Addison en Steele. Gelijk daarna The Spectator, die nagenoeg precies samenviel met Van Effens Le Misantrope (maart/mei 1711)

“Het woord spectator kreeg zo van de aanvag af een dubbele betekenis: het verwijst naar een bepaald type tijschrift, als hier besproken; maar het duidt ook – en zelfs op de eerste plaats – de fictieve figuur aan die zich in deze geschriften tot het publiek richt en die niet identiek is met de auteur. Om deze spectator-figuur gestalte te geven moest de feitelijke schrijver als het ware verdwijnen.” [11]

Om de revolutionaire aanpak van de spectatoren te waarderen, zegt Buijnsters , moeten we kijken naar wat er meer voor tijdschriften verschenen. Voor (het begin van) de achttiende eeuw is er nauwelijks een strenge scheiding in te maken naar typen – hoogtij van het literaire kosmopolitisme, maar voor de periode voor 1709 kan dat ruwweg wel (gelukkig maar). Namelijk die van
1. nouvelles, die vaak iets met Mercurius in de naam hadden. Niet altijd even betrouwbare broodschrijvers.
2. geleerdentijdschriften waarvan Pierre Bayle een van de hoogtepunten afleverde. Pieter Rabus’ Boekzaal was weliswaar in het Nederlands, maar was desondanks geen allemanskost.
3. satirische weekbladen, die het meeste gemeen hadden met de spectatoren – zoals het opbouwen van een vertrouwensband met de lezers, maar die het morele element – in het Duits heten ze “Moralische Wochenschriften!” ontbeerden. Vaak wel weer goeie schrijvers, zoals Jacob Campo Weyerman (concurrent van Van Effen).

2. Ontwikkelingsgang

Deze sterke profilering wordt in de loop van de achttiende eeuw steeds vager omdat het succes van de spectatoren wordt gezien en ze worden al gauw geemuleerd door sommige “stichtelijke of populair-wetenschappelijke auteurs”. Andersom krijgen ook spectatoren bellettristische neigingen (mooischrijverij/literair) [14]
Buijnsters noemt het een “internationaal, bijna epidemisch verschijnsel” dat geen land overslaat.
Suggereert dat er een kwantitatieve staalkaart van Europa gemaakt zou kunnen worden. Ws. enkele honderden, waarvan de meeste in Engeland (200) Duitsland (110+) en Nederland (70). Vreemd genoeg in Frankrijk niet de allure/uitstraling die je zou verwachten. [15]
De oudste Duitse spectator was een hertaling van de Tatler/Spectator. De spectatorschrijvers zaten vaak op dezelfde plaats in het wijsgerig-theologische spectrum en namen daarom graag dingen van hun engelse en duitse collega’s over.

Iedereen surft wel een beetje mee op het succes van de ander (ookal is de ander soms gewoon dezelfde, maar dan met een ander naampie)

Tussen 1710 en 1720 domineren de Franstalige spectators in de Republiek, maar ze verdwijnen vrijwel in 1730. Dan beginnen de Nederlandse (Hollandsche spectator 1731) en in 1770 explodeert de boel, met name dankzij de enorme toename in politiek getinte spectatoren. Met die politisering begint ook gelijk de rek en de fut uit het genre te raken – in elk geval in het Noorden, om pas in de tweede helft van de negentiende eeuw pas weder op te bloeien. Buijnsters houdt dan ook ook in 1800.

3. ontvangst en waardering:

1760 verzadiging, in Duitsland althans, quotete Buijnsters, maar niet in Holland… (dat hebben we eerder gehoord, maar waar? wellicht bij Mijnhardt over de gezelschappen, de gezelschapsverzadiging)

de Tatler en Spectator gingen als zonnetjes, dat moest ook Justus van Effen concluderen. Het lag volgens hem echter niet aan de kwaliteit van de bladne, maar die van de lezers. [18]
Buijnsters merkt op dat er meer kritiek is dan lof op het genre, vanuit kerkelijk-orthodoxe hoek vooral, maar ’t verschilde per nummer. Vind het gek vanwege de massaliteit van het genre, maar eigenlijk is de kritiek natuurlijk waarschijnlijk ontstaan vanuit het idee ‘wat zijn eht er veel’.

Moeilijk uitspraken te doen over de oplages/rendabelheid. Moet uit opmerkingen van de spectatorschrijvers dus worden opgemaakt.

Abonnementen waren er nog niet, wel intekening, waarvan vooral de leesgenootschappen (v/a 1770) gebruikmaakten.

« Vorige pagina — Volgende pagina »