Secundaire literatuur:

P.J. Buijnsters over Hieronymus van Alphen

Over de bron:

Titel Werken van de maatschappy der nederlandsche letterkunde te Leyden
Uitgever P. van der Eyk en D. Vygh, 1774
Itemopmerkingen v. 2
Oorspronkelijk uit Universiteit Gent
Gedigitaliseerd 21 jan 2009

Titelblad

Na een voorwoord volgt een voorwoord, 37 ‘wetten’ voor de prijsvragen, en een ledenlijst. Daarna de inhoudsopgave.

Over de inhoud:

Titelblad artikel

Verwijzing naar Hume in een noot door Van Alphen op bladzijde 195.

In een “Verhandeling over den eed der Utregtse bisschoppen” wordt in een passage over eedgenooten (die van niets wisten) in een noot verwezen naar Hume: “(m) Geestig redeneert hier omtrent HUME Histor. van Engel. D. I. blz. 292. vergel. ook HOMMEL. Jurispr. Nimism. p. 149”

In Buijnsters’ biografie van Van Alphen wordt melding gemaakt van één verwijzing naar Hume. En Voltaire wordt veel vaker genoemd.

In HvA’s gedicht “Mijne onbekende vrienden. Gedagten op mijn boekenkamer”, dat in zijn Mengelingen staat, schrijft hij over Hume en Bolingbroke dat ze wellicht om hun ʻschitterend vernuftʼ al roem verwerven, maar

“’t Bewondrend hart blijft egter koel,
Maar als ik ADDISON zie sterven,
Dan ben ik vol gevoel.”

[geciteerd in Buijnsters, 201.]

Over Luzac: “Geestverwant van H.v.A., bestreed ook Luzac Voltaire en Rousseau als extreme figuren die het grote werk van de Verlichting, ʻdat met de godsdienstige hervorming begonnen was en langzaam verder gingʼ (p. 10), in gevaar brachten.” [324n]