« Vorige pagina — Volgende pagina »

over zijn debuut:

zie de historie- bla en letterbeschouwer. foto 1288

Zwager, Nederland en de Verlichting, 1972.

Genoemd na uitleg dat het Grieks halverwege de achttiende eeuw aan populariteit had ingewonnen (eerst alleen geschikt voor theologen, nu ook voor taalkundigen en iedereen geinteresseerd in de cultuur) met TIBERIUS!!! Hemsterhuis als eerste Nederlandse hoogleraar.
[81]
“Een prachtig voorbeeld van de moderne geest bij de graeci is Rijklof Michael van Goens die in 1766 op zijn achttiende, hoogleraar in het Grieks in utrecht werd. hij was als wonderkind een paar jaar eerder al begonnen te publiceren en was, zo niet in de oude talen, dan toch wel in de moderne de meest belezen Nederlander van zijn tijd. Hij was een van die zeldzame bibliomanen die het grootste deel van hun boeken gelezen hebben. In zijn inaugurele rede verheugde hij zich over de vorderingen die de letteren, speciaal de studie van het Grieks en van de geschiedenis “in deze achttiende eeuw” hadden gemaakt. Wagenaar en Hemsterhuis kregen alle lof. De archeoloog Winckelmann, de historicus Hume en de kunstbeschermer Frederik de Grote zijn maar een kleine greep uit zijn internationale voorliefdes. Reeds tien jaar later verruilde Van Voens zijn professoraat voor een plaats in de Utrechtse magistraat, enigszins vermoeid door de niet aflatende kritiek van kerkelijke scribenten op zijn gewoonte om het Nieuwe Testament op college te behandelen (en te laten zien dat het geen klassiek Grieks [82] was). Op zijn kritische werkzaamheid komen wij nog terug.”

[Goens, Rijklof Michaël van] Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek (deel 3)

GOENS (Rijklof Michaël van), geb. te Utrecht 12 Mei 1748, overl. te Wernigerode in den nacht van 24 op 25 Juni 1810, zoon van Mr. Daniel Franá§ois, president van den Edelen Hove Provinciaal ’s lands te Utrecht. Zijne moeder was een dochter van Sir James Cuninghame, regiments-commandant eener schotsche brigade in nederlandschen dienst. Hij was een achterkleinzoon van den vermaarden gouverneur-generaal van Nederlandsch O.-Indië Rijklof van Goens. Zijne ouders gaven hem van zijn prilste
[p. 474]

jeugd af volop gelegenheid, zich zoo veelzijdig mogelijk in oude en nieuwe talen en letteren te ontwikkelen. Zijn uitstekende aanleg en groote zucht tot studie deden het overige om hem reeds op jeugdigen leeftijd tot een wonder van geleerdheid te maken. Zijn eerste geschrift verscheen in zijn 15e jaar: het was de behandeling van een oudheidkundig onderwerp, maar dat tevens actualiteit bezat: Diatriba de Cepotaphiis, (1763) ter aanprijzing van begraafplaatsen in de open lucht. In het zelfde jaar richtte hij tot Antonie de Rooy, rector te Sneek, eene Epistola Critica, die door de Rooy geplaatst werd aan het hoofd zijner Coniecturae Criticae (Utr. 1764). Daarop gaf hij zijne Obss. miscell. in het licht, ten einde (daar toen nog geen doctoraat in de letteren bestond) eene proeve zijner academische studiën in de philologie aan het openlijk onderzoek te onderwerpen. Zijn leermeester in dit vak was P. Wesseling. In 1765 bezorgde hij eene uitgave van Porphyrius’ de antro Nympharum. Hiertoe vertoefde hij eenigen tijd te Leiden, waar hij vriendschap sloot met Hemsterhuis, Ruhnkenius, J. Luzac, en den beroemden orientalist Joh. Jac. Schultens. Een andere vrucht van zijn verblijf te Leiden was zijn Specimen Obss. Philol. in N.T. ex Artemidoro, nog in 1764 anoniem in de Biblioth. Nova Bremensis verschenen. Zijn optreden bezorgde hem in de wetenschappelijke wereld (ook in het buitenland) zulk een goeden naam, dat de curatoren der utrechtsche hoogeschool besloten hem onder de drie opvolgers in de breede plaats, door Wesseling beslagen, als buitengewoon hoogleeraar op te nemen voor die vakken, waarin hij, ofschoon slechts 18 jaren oud, zijn beroemden leermeester het meest scheen te evenaren, nl. in de geschiedenis, welsprekendheid, oudheden en de grieksche taal (28 Juli 1766, op een traktement van Æ’ 400). Hij aanvaardde zijne betrekking met eene Oratio de incrementis, quae humaniores literae, historiae imprimis et linguae graecae studium, seculo hoc decimo octavo ceperunt.

Met weergaloozen ijver ging hij voort, zich in vele talen, litteraturen, en wetenschappen te bekwamen. Hierbij kreeg weldra de aesthetische richting de overhand; hij ging de voorkeur geven aan het modern-literaire standpunt, eenigszins met terzijdestelling der classieke oudheid, ofschoon hij deze nooit geheel uit het oog verloren heeft. Vele geestige stukken (in het hollandsch geschreven) plaatste hij in de Nieuwe Bijdr. tot opbouw der Letterk., onder den pseudoniem: le Philosophe sans fard. Zeer opmerkelijk zijn zijne Vrijmoedige bedenkingen over de vergelijking der oude dichteren met de hedendaegschen (N. Bijdr. II, 229-268) en Bedenkingen over den staet der Letteren in Nederland. (N. Bijdr. II, 435-506) Dit laatste stuk bevat zeer merkwaardige opmerkingen omtrent nederlandsche taal, letterkunde, stijl, welsprekendheid, enz., met vele uitweidingen over buitenlandsche letteren, waaruit wederom zijne ontzaglijke belezenheid blijkt. In 1768 kreeg hij van keizerin Maria Theresia den titel van hofraad. Door verscheidene italiaansche academiën werd hij tot lid benoemd. Ook in Spanje had hij vele relaties. In Duitschland was het vooral Jacobi, die eene levendige en vriendschappelijke briefwisseling met hem onderhield. In 1769 gaf hij eene vertaling van Mendelssohns Verhandeling over het verhevene en naïve in de schoone kunsten en wetenschappen, met zoo voortreffelijke voorrede en aanteekeningen, dat de schrijver er hooglijk mede was ingenomen, en er bij eene nieuwe uitgave van zijn werk gebruik van maakte. Vooral de schets eener geschiedenis van den letterkundigen
[p. 475]

smaak, in de voorrede bevat, trok de aandacht. In 1771 schijnt hij Frankrijk en Parijs bezocht te hebben. Op zijn aanzetten werd Volkmanns Reisboek door Italiën in het Hollandsch vertaald (6 dln. 1773-74), welke vertaling hij van twee vernuftige en geestige voorreden voorzag.

Bedenkende, wat van Goens op zoo jeugdigen leeftijd reeds voor het geestelijk leven van ons land beteekende, welk een heilzame kracht er van hem uitging, kan men niet anders dan betreuren, dat hij niet op den ingeslagen weg is voortgegaan, maar zich heeft begeven eerst in de godsdienstige, weldra in de staatkundige twisten van zijn tijd, om daar geheel in onder te gaan. Bij meer dan eene gelegenheid blijk gegeven hebbende van eenigermate vrijzinnige denkbeelden op godsdienstig gebied, moest hij wel argwaan wekken bij den rotterdamschen predikant en professor honorarius Petrus Hofstede. Deze zag met leede oogen de oude orthodoxie gaandeweg vervallen, en tot redding daarvan was hij, vooral geholpen door J. Habbema, een ware ketterjacht begonnen in zijn maandwerk Nederlandsche Bibliotheek (sedert 1774). Intusschen kan men het die mannen niet ten kwade duiden, dat zij een hoogleeraar, die Hume hemelhoog prees, die niet dan met grooten lof van Diderot en d’Alembert gewaagde, die de lezing van Voltaires schriften aanbeval, een minder begeerlijk leidsman voor de studie van aanstaande godgeleerden achtten. Van Goens, prikkelbaar van aard, en niet gewoon dat er over zijne werken anders dan met de hoogste achting gesproken werd, besloot tot een tegenaanval. Hij bracht de zaak voor de utrechtsche regeering, en verklaarde plechtig, nimmer in zijne lessen te kort te zijn geschoten in eerbied voor kerk en godsdienst. Het gevolg was eene publicatie, waarbij de Ned. Bibl. werd veroordeeld als een ʻeer- en faamroovend libelʼ, waarvan de verkoop werd verboden. Habbema wendde zich tot de utr. regeering, maar werd afgescheept. Toen wendde hij zich tot het groote publiek. De zaak werd zoo ernstig, dat v.G., die er eerst niet nader op terug wilde komen, daartoe toch moest besluiten, en een verweerschrift in ’t licht gaf, getiteld: Bericht van den Professor van Goens, rakende de recensie van zijne vertaling van de Verh. van Moses Mendelssohn, enz. (Utr. 1775). Een Tegenbericht der vijanden bleef niet uit, het publiek was niet op zijn hand, en hij was als hoogleeraar onmogelijk geworden. Wellicht had hij van den Prins een wenk gekregen. Hoe het zij, hij nam ontslag als hoogleeraar (6 Mei 1776), en werd onmiddellijk daarna door Willem V in de vroedschap van Utrecht benoemd. Zijne beroemde bibliotheek, die uit bij de 19000 boekdeelen bestond, bracht hij onder den hamer, waarschijnlijk om niet van zijne nieuwe bezigheden te worden afgeleid, en zeker ook om financieele redenen; de catalogus ervan staat nog altijd bij boekenliefhebbers in hoog aanzien.

In de eerste jaren zijner magistratuur genoot hij eene betrekkelijke rust. Van zijne ambtsplichten kweet hij zich voortreffelijk. Voorts volgde hij met groote belangstelling de gebeurtenissen in Europa. Vurig aanhanger der stadhouderlijke partij, stond hij aan de zijde van Engeland, in de zaak van den amerikaanschen opstand. Toen de Republiek, ten gevolge van het heulen der amsterdamsche regeering met de Americanen, met Engeland in oorlog gewikkeld werd, greep van Goens deze gelegenheid aan om aan het volk het baatzuchtig en misdadig streven der regenten bloot te leggen. Zijn Politiek Vertoog over het waar sistema van de stad Amsterdam (anonym), gedagteekend 15 Maart
[p. 476]

1781, maakte veel indruk. Het was een stuk van 150 bladzijden in folio, aanvankelijk niet algemeen verkrijgbaar en slechts aan zeer weinige voorname personen toegezonden; maar weldra noopte een nadruk hem het geschrift in den handel te brengen. Het werd voor v.G. het gewichtigste keerpunt zijns levens, bracht den roem zijner geleerdheid in vergetelheid, en verduisterde zijne letterkundige verdiensten. Door op den ingeslagen weg voort te gaan, benadeelde hij zich zelven nog meer. Onder alle tegenschriften haarde het meeste opzien de Brieven van Candidus, van Irhoven van Dam. Meer en meer verbitterd door de felheid zijner tegenstanders en door den loop der gebeurtenissen, liet van Goens zich tot allerlei onberaden stappen vervoeren. Welhaast verscheen van zijn hand een hekelschrift tegen de amst. regeering in den vorm van een verdichtsel, getiteld: De seven dorpen in brand, of de geschiedenis der oliekoeken, niet zonder geest geschreven, maar overigens een schotschrift van de ergste soort.

De leiders der stadhouderlijke partij te ’s Gravenhage hielden intusschen het oog op v.G. gevestigd, daar zij meenden, dat een begaafd en kundig man als hij hun zaak onschatbare diensten zou kunnen bewijzen. Het machtigste wapen in den strijd, de drukpers, moest hem worden toevertrouwd. De oranjegezinden hadden tot nog toe vrij weerloos gestaan tegenover de massa’s weekbladen en vlugschriften der patriotten. Van Goens werd bereid gevonden, zich aan het hoofd van een weekblad te stellen, en 18 Aug. 1781 verscheen het eerste nummer van De ouderwetse nederlandsche patriot. Dit tijdschrift bekleedt de eerste plaats in de staatkundige litteratuur van dat tijdperk; niettemin had het weinig invloed, en reeds in 1783 eindigde het een kwijnend bestaan.

Zijne positie te Utrecht was inmiddels hoe langer hoe hachelijker geworden. Het werd voor den Prins hoe langer hoe moeilijker, hem te handhaven. Toch wilde Willem V geen zwakheid toonen door hem te ontslaan. Hij redde zich uit deze moeilijkheid, door van Goens voor te stellen, zelf zijn ontslag te vragen, beloovende, hem eene diplomatieke betrekking te bezorgen. v.G. gehoorzaamde gaarne (Sept. 1783), en den dag, dat zijn ontslag inkwam, verhuisde hij naar ’s Gravenhage. Het bleek hem echter spoedig, dat de voor hem bestemde post nooit open zou komen. Het schijnt den raadslieden van den Prins nimmer ernst te zijn geweest met die voorgespiegelde betrekking. Men deinsde er voor terug, een zoo gehaat persoon in dienst te nemen.

Diep teleurgesteld sloot v.G. zich in zijn haagsche woning op. De Prins voorzag door een jaargeld in zijn onderhoud. Vele zijner oude vrienden meden hem meer en meer. Een der weinige trouwe bezoekers was Bilderdijk, met wien het tot vertrouwelijken omgang kwam. Maar niet lang na zijne vestiging in de hofstad begon van Goens aan een smartelijke uitterende ziekte te lijden, waartegen niets baatte. Eindelijk besloot hij, als laatste middel, verandering van lucht te beproeven.

Den 7. Juni 1786 vertrok hij, meer dood dan levend, naar Zwitserland. De laatste negen maanden was hij bedlegerig geweest. Tegen alle verwachting herstelde hij zeer spoedig, en weldra voelde hij zich sterk genoeg om eene reis door Zwitserland te ondernemen. Na zijn vertrek uit Holland noemde hij zich Cuninghame, of Cuninghame van Goens. Te Zá¼rich maakte hij kennis met Lavater, tot wien hij weldra in vriendschappelijke verhouding kwam. Tijdens zijne ziekte was v.G. tot innige vroomheid gekomen: geen wonder dus, dat hij zich tot den zá¼richschen geestelijke voelde aange-
[p. 477]

trokken; en deze, een man van veel oorspronkelijkheid, maar van weinig studie, schepte groot behagen in de omvangrijke kennis en rijke belezenheid van den Hollander.

Na een jaar in de nabijheid van Bazel vertoefd te hebben, had v.G. zijne gezondheid weder geheel terug. Hij hield verblijf in verschillende plaatsen o.a. te Marburg, waar hij vriendschap sloot met den mysticus Jung Stilling, in wiens levensbeschrijving hij onder den naam Raschmann voorkomt. In 1791 vestigde hij zich weder te Bazel. Met Lavater, in wiens Handbibliothek v.G. bijdragen (godsdienstige, zedelijke, en staatkundige overdenkingen) leverde, werd het verkeer drukker dan ooit. Uit genoemde bijdragen blijkt, dat v.G. ook in het godsdienstige geen verdraagzaamheid kende. Alle gematigdheid verfoeide hij. Van de parijsche Jacobijnen, met hun consequent doorgevoerd atheïsme, verklaarde hij minder afschuw te hebben dan van weifelmoedige en inconsequente christenen. In 1793 en 94 hield hij zich weder in verschillende steden van Duitschland op. Daarna vertoefde hij geruimen tijd aan het hof van Erfurt, bij den stadhouder des keurvorsten van Mainz, Karel van Dalberg, een kunst- en letterlievend man. Zoo kwam hij in aanraking met de beroemdste mannen van Duitschland, Goethe niet uitgezonderd.

Na 1795 werd het jaargeld van den stadhouder aan v.G. niet meer uitbetaald. Waarschijnlijk heeft Hieronymus van Alphen, in eerste huwelijk met een zuster van v.G. gehuwd, het hem niet aan hulp laten ontbreken. Inmiddels had hij het hof van Erfurt verlaten en zich te Dresden gevestigd. Hier hield hij zich met allerlei letterkundigen arbeid bezig. Maar de podagra bracht hem langzamerhand in hulpbehoevenden toestand. Gelukkig ontfermde Chr. Fr. graaf van Stolberg Wernigerode zich over den armen, eenzamen lijder. Waarschijnlijk had deze door Stilling, zijnen geestverwant, v.G. leeren kennen. Hij ontving eene rustplaats te Wernigerode. Daar bracht van Goens, verlamd door de jicht, maar nog helder van hoofd, in onbezorgde rust zijne zeven laatste levensjaren door. Gehuwd is hij nooit geweest. Een nagelaten werk van hem over de vrouwen: Ueber moralischen Ehebruch, in den vorm van samenspraken, verscheen te Leipzig in 1811.

In zijn vaderland raakte hij geheel in vergetelheid, totdat het Utrechtsch Genootschap de aandacht op hem vestigde door het uitschrijven eener prijsvraag, op uitstekende wijze beantwoord door B. ten Brink in zijn werk: Levensbeschrijving van Rijklof Michael van Goens (Utr. 1869). In dit werk worden ook al zijne geschriften nauwkeurig vermeld, met uitvoerige aanhalingen daaruit. Terecht merkt intusschen W.H. de Beaufort op in zijn artikel over v.G. in de Gids, 1878, I (herdrukt in Geschiedk. Opst.), dat ten Brink wel wat al te veel lofredenaar is geweest. Van Goens’ geleerdheid, talent, smaak, verdient aller hulde; maar het staat vast, dat de rampen, die hem hebben getroffen, voor een groot deel te wijten zijn aan zijn onhandelbaar karakter. Niettemin is hij een der merkwaardigste personen, die ons land ooit heeft voortgebracht, en verdient hij veel beter gekend te worden dan nog steeds het geval is.

De zeer uitgebreide verzameling nagelaten papieren van v.G. bevindt zich ter Kon. Bibliotheek te ’s Gravenhage. Een deel hiervan werd door W.H. de Beaufort uitgegeven onder den titel: Brieven aan R.M. van Goens en onuitgegeven stukken hem betreffende (Werken Hist. Gen., 3 dln. Utr. 1884-90). Hierin komen twee autobiografische
[p. 478]

schetsen voor. Een daarvan (in het engelsch geschreven) verscheen vroeger in holl. vertaling door H.W.T. Tydeman (Handel. Provinciaal Genootschap voor K. en W. in N.-Brabant, 1867). Van belang is ook het opstel van W.P. Sautyn Kluyt, in de Bijdr. voor Vaderl. Gesch. en Oudheidk. IX, 231.

Roelofs Heyrmans?

[nggallery id=29]

Recensie van de hand van Berry Dongelmans van Hannie Goinga’s ʻAlom te bekomenʼ. Veranderingen in de boekdistributie in de Republiek 1720-1800  (Amsterdam 1999) in Quá¦rendo 32/1-2 (2002). Dit is vooral een samenvatting van zijn samenvatting.

Hier een artikel dat Van Goinga eerder schreef, met bijna dezelfde titel: ‘Alom te bekomen’: veranderingen in de boekdistributie in de Republiek, 1725-1770, Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis 3 (1996), 55-85.

Hannie Goinga

  • schrijft niet vanuit een theorie – de vraag of er een lezersrevolutie plaatsvond in de tweede helft van de 18e eeuw wordt zo onbevangen mogelijk benaderd
  • schrijft vanuit de distributie, en niet zoals Kloek, Mijnhardt, Brouwer en De Kruif vanuit boek(ver)kopers en -bezitters.
  • wil met hte boek een gat vullen in onze kennis over de achttiende-eeuwse boekhandel
  • schrijft over de rol van lees-bibliotheken en lees-gezelschappen
  • blijft voorzichtig met conclusies, waar het gaat om de vraag of er sprake was van een nieuw publiek.  Ze durft te zeggen dat er blijkbaar een vraag naar bibliotheken was, maar daar laat ze het bij. Ook de relatie tussen het gestegen aantal bibliotheken en leesgenootschappen en het gestegen aantal publicaties in de moerstaal blijft onaangeroerd.. Wederom blijft ’t bij een observatie, namelijk dat in deze gezelschappen met name fanatieke lezers kwamen die het ter recreatie deden.
  • laat onder de noemer ‘leesgenootschappen’ een hele schare aan clubjes vallen, van kaartclubjes tot revolutionaire milities. Het lidmaatschap had economische redenen, en sociabiliteit played an important role.
  • Gaat uit van de uitspraak van James Tierney, dat krantenadvertenties van boekverkopers de belangrijkste bron zijn om onderzoek te doen naar de boekgeschiedenis in de achttiende eeuw. Het is geen makkelijke taak, maar ze slaagt erin te laten zien dat de advertenties in een aantal kranten (Leydsche Courant voorop) de afwisselende groei en afname van de boekverkoop weerspiegelen in de verschillende decennia van de achttiende eeuw. Zo duidt de afname van de hoeveelheid advertenties tussen 1745 en 1750 op een afname van de hoeveelheid boekverkopers in de Republiek – die veroorzaakt lijkt door de oostenrijkse successie-oorlog (1742-1748), de afname van de exporten naar Frankrijk en algehele handelsafname met Engeland Daarna volgt stabiliteit, die we terugzien in de aantalleen advertenties.
  • Leiden is alleen aan de oppervlakte de centrale speler in haar boek, want vergelijkingn met Den Haag, Delft en Amsterdam. Veel van haar conclusies over Leiden hebben een reikwijdte voor het hele land.
  • laat in hoofdstuk 3 zien dat advertenties niet zozeer kunnen vertellen  hoeveel boekhandelaren er op een gegeven moment en een geven plek werkzaam zijn. Maar uit een analyse van voorraadlijsten trekt van Goinga de conclusie dat het tssenhandelaar/groothandels-aspect steeds belangrijker wordt – afgaande op de relatief grote hoeveelheden die soms in voorraad zijn. Er kan dan ook op commissie worden verkocht, en inkopen op krediet van cellega’s. Allemaal zaken die de administratie/distributie steeds complexer maken.
  • toont hoe langzaam de scheiding tussen uitgever en boekhandelaar zichtbaar werd, doordat sommige handelaren zich gingen richten op distributie, en anderen alleen hun geld uitleenden zodat anderen daar boeken mee konden inkopen
  • liet zich door boekveiling-aankondigingen leiden naar een beschrijving en ‘inventory’ van veilingen – “unbound auctions”. Er zijn veel verschillende lokale richtlijnen/regels, maar de doelen zijn overal gelijk: copy-right handelen, overschotten kwijtraken en ’t voor een klein prijsje in- en verkopen van redelijk recente binnenlandse en buitenlandse werken, waarbij vooral faillisementen erg aantrekkelijk waren.
  • vertelt hoe jaarlijkse veilingen in de tweede helft v/d eeuw op enorme belangstelling konden rekenen van boekhandelaren uit de hele Republiek.
  • Met korting verkopen van restanten gebeurt in de tweede helft van de achttiende eeuw stteds vaker, deels door de vele veilingen, maar ook door een vergroot aanbod op een gelijkgebleven lezerspubliek. Van Goinga laat zich niet verleiden om uit de nieuwe beschikbaarheid van veel goedkopere titels de conclusie te trekken dat er dan ook wel een nieuwe markt-met-de-kleine-portemonnee zal zijn aangeboord.  De smaak van de lezers zou zijn veranderd, richting de recentste literatuur – waardoor traditionele boeken minder goed liepen. 
  • Waar eerst vooral duurdere uitgaven goedkoper werden aangeboden, strekte het gereduceerde aanbod zich later uit naar alle genres.
  • Een nieuw publiek zou vooral te vinden zijn in de aangesproken doelgroep in advertenties – waarvan dan nog altijd de vraag blijft of die werken ook verkochten.
  • Dankzij de toename in openbare veilingen groeit ook de tweedehands- en antiquare boekhandel uit tot een aparte tak van sport
  • heeft heel veel geteld (1115 advertenties alleen in de Leydsche Courant in 1740) en geïnventariseerd (1825 veilingen in Leiden in de periode 1721-1805). Het zou cool zijn om te kijken of er in het decennium na de Treatise advertenties zijn geweest voor de Engelse uitgave, maar die kom je natuurlijk niet tegen in Van Goinga.
  • blijft voorzichtig met haar conclusies, en herhaalt dat de stelling van de leesrevolutie geen leitmotif is, ook wanneer De Kruif heeft laten zien dat, tot mid-18e-eeuw boekenbezit groeit. Ze durft geen verband te leggen tussen dat gegeven en de veranderingen in de boekdistributie.
  • wordt hierbij voornamelijk gehinderd door het feit dat de aard van de werken waarvoor is geadverteerd, niet is onderzocht.
  • doet geen uitspraken of de veranderingen in de distributie misschien toch hebben ingespeeld op een bepaalde vraag, of dat die vraag pas is ontstaan toen het sterk uitgebreid en gevarieerder aanbod er was. Kip en ei!
  • Dongelmans vraagt zich af of de snellere distributie – dankzij commissies – niet een reactie was op een gestegen vraag naar recenter werk.. of zou de consument van toen niet sterk genoeg zijn geweest om dusdanige grote verschuivingen te veroorzaken in het distributieveld. Werden de handelaren niet gewoon gedwongen door de straffe concurrentie? Specialisatie zou hiervan een logisch gevolg zijn.
  • bespreekt ook de vraag of de vorm van het boek bewijzen bij zich draagt over de veranderingen in het publiek.  Maar de verschijning in het Nederlands is hierin de opzienbarendste shift.

De voor mij interessantste gegevens bevinden zich waarschijnlijk in de appendices, waar naast een glossarium een overzicht is geplaatst van de boekverkopers en drukkers actief in Amsterdam in 1740, gerangschikt naar inkomen (deze heb ik gezien, maar ook gekopieerd?). Een derde appendix toont de sjiekere boekwinkels in Amsterdam uit 1742 en daarna toont ze de een overzicht van geciteerde catalogi.

De vraag die Dongelmans ten slotte nog stelt is of de ontdekte verschuivingen ook doorzetten. Waren het slechts initiatieven of werden ze ook daadwerkelijk overgenomen?

Aantekeningen bij :
Brouwer, Han, Lezen en schrijven in de provincie : de boeken van Zwolse boekverkopers, 1777-1849 (Leiden 1995).

Koper David Thomassen a Thuessink kocht bij Tijl in Zwolle voor bijna 400 gulden aan boeken in 11 jaar. (169)

(auteur van “Aan het Volk van Nederland”, dat in 1781 werd verboden en waar middels een plakkaat over bekend werd gemaakt dat de overheid op zoek was naar de auteur en zijn handlangers (Kruseman’s Aanteekeningen 365)!)
Joan Derck Van der Capellen had hij ontmoet in de vergaderingen van het Zwolse departement van de Oeconomische Tak. (168)

Een flink deel van zijn budget was bestemd voor historische werken. Kennis van de geschiedenis, het grote theater van morele exempla, behoorde tot de verplichte intellectuele bagage van een heer van stand. Hij schafte niet de klassieken van de Nederlandse geschiedschrijving aan – vermoedelijk stonden deze thuis al op de plank – maar moderne veeldelige werken van een verlichte signatuur. Voor veertien gulden kocht hij een werk van een naamgenoot: de David met wie Belle van Zuylen in Londen babbelde over roastbeef een plumpudding, de Schotse verlichtingsfilosoof David Hume. Een dergelijk bedrag voor diens ontluisterende Natural History of Religion, zal de Zwolse David wel wat zwaar op de maag hebben gelegen. Hij prefereerde dan ook een ander werk, diens proeve van de ‘new cultural history’, de achtdelige Historie van Engeland.

NOOT Had de burgervader zich laten adviseren door zijn goede vriend Van der Capellen? Deze had dit werk vijf jaar eerder onder handen. In een brief v an 27 juni 1772 schreef hij aan zijn oude studievriend Tydeman:

‘ik heb Hume hist. of Engl. voor de tweede maal onder handen; ik heb een bezondere agting voor dien schrijver, dien ik geen zwarigheid make den Tacitus van dezen tijd te noemen; daar is in dat werk en schat van staatkunde en wat een Regent meer te weten heeft om een land gelukkiglijk te regeren.’

Met het pyrrhonisme van Hume had ook Van der Capellen niet veel op. Hij vervolgde dan ook met: ‘de godsdienstige begrippen van den schrijver laat ik voor hem zelven over’ (Sillem, Brieven van en aan Joan Derck van der Capellen tot den Pol, p. 41)
169
Andere proeven uit deze school mochten bij hem eveneens op een gunstig onthaal rekenen, bijvoorbeeld werken van de Schotse predikant William Robertson en de Opkomst en bloei van de Republiek der Vereenigde Nederlanden van diens Nederlandse navolger Simon Stijl. De Zwolse burgemeester had voor meer Schotten belangstelling. In 1780 liet hij bijvoorbeeld een werk van de ‘common sense’ filosoof James Beattie van een nieuwe band voorzien. Was het uit de kast getuimeld of had hij dit boek tijdens het lezen ruggelings op de grond laten vallen bij de vertwijfelde uitroep ‘o god, er is geen god’? Dit laatste is niet uitgesloten, want in het betreffende boek, niet zijn luchtige Proeve over het lachen en gelach verwekkende, maar de Nederlandse vertaling uit 1772 van zijn zwaarwichtige Essay on the Nature and Immutability of Truth, polemiseerde Beattie heftig met de ‘que sais-je’-implicaties van David Humes even radicale als serene scepticisme.
NOOT
(op pag 170)
Beattie schuwde argumenten ‘ad hominem’ niet en plaatste ‘godly David’ in het gezelschap van notoire ongelovigen als Spinoza en Hobbes. Was Beattie daarom zo populair in de Republiek? Vgl. Mijnhardt, ‘De Nederlandse Verlichting’, p.67,
170
Een bijzondere voorliefde legde de vaderlandse regent aan de dag voor de werken van Jan Wagenaar. Diens Vaderlandsche Historie, de ‘historie der getergde, verdrukte, herleevende en zegepraalende Vryheid des Vaderlands’, zal hij al eerder hebben aangeschaft.

Brouwer schreef ook:

ʻSociale ideeëngeschiedenis en bestedingspatronen: de kopers van de Katechismus der Natuur in Zwolle, 1777-1785.ʼ In: Spektator 18 (1988-1989), p. 191-202.

ʻRondom het boek. Historisch onderzoek naar leescultuur, in het bijzonder in de achttiende eeuw. Een overzicht van bronnen en benaderingen, resultaten en problemenʼ, in: Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw 20 (1988), p. 51-120.

E. F. Kossman, De boekhandel te ‘s-gravenhage tot het eind van de 18de eeuw: Biographisch woordenboek van boekverkoopers, uitgevers, boekdrukkers, boekbinders enz. Met vermelding van hun uitgaven en de veilingen door hen gehouden (‘s-Gravenhage 1937)

is precies dat.

(meer…)

« Vorige pagina — Volgende pagina »