H2 de bronnen:

Gecanoniseerde lezers:

Ranson, Menocchio, Larpent, Otto van Eck. Alleen bij Ranson kon Rousseau aantonen dat er meerdere mensen waren die heftig reageerden op Rousseau aan het aders van de STCN (societé typographique … neuchatel)

noemt de RED [31]

– kiest voor kwantitatief onderzoek omdat het gaat om een massamedium avant la lettre, en “conclusies trekken op basis van het gedrag van enkelingen voldoet meestal al niet”.
-noemt de deuren mbt het achttiende-eeuwse leesgedrag/voorkeuren in de Nederlanden potdicht (er kunnen dus geen open deuren worden ingetrapt met de statistieken)

Over intekenlijsten [paragraaf 2.3, blz 33]

– kon met korting gekocht worden, maar moest vaak contant betaald worden [33]
– vanaf het begin van de achttiende eeuw werd met voorschotten gewerkt
– om prijsdalingen te voorkomen – waarmee de intekenaren gedupeerd zouden worden – werd beloofd dat het aantal exemplaren niet vele malen hoger lag dan het aantal exemplaren waarvoor was ingetekend, dat was althans de belofte
– risicovermindereing voor de boekhandelaren
– bepaalde vorm van ‘collectieve patronage’ door het intekenend publiek (dmv voorschotten hielpen zij me de totstandkoming)
– wervende werking van naamlijst
– Ligtelijn “Namen der Heren Intekenaren” in Bladeren in andermans hoofd schreef over intekenlijsten dat het een ‘gatenkaas’ was, als bron [33]
– gebruikt de administratie van Van Cleef en drie omvangrijke steekproeven uit de Haagse boedelinventarissen

2.4 de gemiddelde haagse boekhandelaar (waar pieter van cleef er één van was, in veel opzichten, aldus De Kruif:
– adverteerde geregeld, verzorgde veilingen, gaf regelmatig nieuwe titels uit waarbij hij het drukwerk uitbesteedde want hij had geen eigen drukkerij [35]
– uniek omdat hij zijn administratie naliet, een deel ervan, noteerde daarin zijn verkopen in kladboeken.
– klanten kochten waarschijnlijk bij meerdere boekhandels [40]

2.8 representativiteit
– boedelinventarissen hebben als nadeel dat mindervermogenden, ongehuwden en jongere mensen ondervertegenwoordigd zijn [48]

4.6 lezers in soorten:
– brouwer concludeerde dat ‘diegenen die meer aanschaften dan het absoluut noodzakelijke, zich in hun lectuurvoorkeuren op geen enkele wijze voegden naar enige sociale stratificatie.[110] maar dat legt een bommetje onder het a priori lezersgroepen indelen, zoals altijd is gedaan (Darnton: “alleen Parlementsleden” – The literary underground of the old regime 1982, 181.
– “cultureel kapitaal hoeft niet noodzakelijkerwijs samen te vallen met cultureel kapitaal” [111]
– De Kruif doet het dus in omgekeerde volgorde, en gebruikt clusteranalyse – een geautomatiseerde manier om clusters te verzamelen op basis van ingevoerde variabelen [112]

4.7 indeling naar functionele categorieën levert in combinatie met een inhoudelijke indeling het beeld op dat de meeste bezittende huishoudens uitsluiten functionele literatuur bezaten, waarvan het grootste deel uitsluitend rituele / religieuze literatuur was.
Van Cleefs boekhandel had voornamelijk klanten die van alles wat kochten, waarvan een kleiner deel extra geinteresseerd was in buitenlandse politieke onderwerpen, volgende groepen, in volgorde van grootte: pamfletkoopers, roman/verhalenkopers, stichtelijke kopers, krantenabonnees [120]

alleen de van-alles-wat-kopersgroep en de alleen-stichtelijke-boekengroep zit in beide clusteranalyses (zowel van cleef als de inventarissen) [120]

er zijn verder veel verschillen tussen de twee bronneen als het gaat om resultaten en groepen lezers die er uit naar voren komen.

– functionele literatuur eerste plek, pas daarna (als er meer literatuur gekocht werd) ook algemene boeken
– inkomensgrens licht dus relatief hoog voor de van-alles-wat-categorie. [123]
>90% van de kopers had religieuze literatuur nagelaten[122]

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8

Leave a Reply