Velema – Homo mercator in Holland. Elie Luzac en het achttiende-eeuwse debat over de koophandel

Velema citeert eerst Pocock op bladzijde 429, met de inleiding: “De achttiende-eeuwse modernen konden niet of nauwelijks op oude en beproefde redenaties terugvallen. Zij zagen zich voor de taak gesteld een originele verdediging van de ‘homo mercator’ te ontwerpen en deden dat op talloze manieren, die moeilijk onder een noemer te brengen zijn. Verenigd waren zij alleen in hun aanval op het klassiek republikeinse paradigma. In de woorden van Pocock:”

The whole debate revolved around the paradigm of virtue, its overwhelming importance to most minds, and the great difficulty of finding an acceptable replacement for it. Those like Montesquieu, Gibbon, or Hamilton, who think a replacement has been found, can be heard saying so; those like Mandeville and Hume, who negate the value of the original ideal, can be heard negating it8.

noot 8: J.G.A. Pocock, ‘The Myth of John Locke and the Obsession with Liberalism’ in: R. Ashcraft en J.G.A. Pocock, ed., John Locke (Los Angeles, 1980) 17.

En daarna:

Het hier geschetste beeld zou de indruk kunnen wekken dat de achttiende-eeuwse verdedigers van de commercie zich aan een ongekwalificeerd optimisme overgaven. Niets was echter minder waar. De theoretische verwerking van de snelle veranderingen was een moeizaam proces. Hume, een in tal van opzichten uiterst modern denker, was geobsedeerd door het probleem van de staatsschuld13. Smith, vaak voorgesteld als de apostel van het ‘laissez-faire’ beginsel, zag de grote nadelen van economische specialisatie scherp in. Zijn beschrijving van de verwording van de mens in een stelsel van verregaande arbeidsdeling is onthullend in dit opzicht14. Weelde werd door vele modernen tot op zekere hoogte als noodzakelijk aanvaard, maar niet ongelimiteerd15. Montesquieu schreef weliswaar dat de handel de zeden verbeterde, maar hij voegde daar meteen aan toe: ‘Le commerce corrompt les moeurs pures’. De grootste bewondering bleef hij zijn leven lang voor de klassieke, deugdzame republieken houden16. Deze voorbeelden tonen hoe zwaar het zelfs de vindingrijkste denkers viel ondubbelzinnig voor de moderne wereld te kiezen. Voor velen bleef het zuivere, klassieke republikanisme op de achtergrond aanwezig, al was het alleen maar als een stem van het geweten.

noot 13: Pocock, Machiavellian Moment, 496-497; D. Miller, Philosophy and Ideology in Hume’s Political Thought (Oxford, 1982) 131-132. Zie voorts: J. Moore, ‘Hume’s Political Science and the Classical Republican Tradition’, Canadian Journal of Political Science, X (1977) 809-839.

noot 14: A. Smith, Art Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, R.H. Campbell, A.S. Skinner en W.B. Todd, ed. (2 dln.; Oxford, 1979) II, 782. Voor Smiths verhouding tot het klassieke republikanisme: D. Winch, Adam Smith’s Politics. An Essay in Historiographic Revision (Cambridge, 1978).

noot 15: J. Sekora, Luxury. The Concept in Western Thought from Eden to Smollett (Baltimore en Londen, 1977) 63-131.

noot 16: Oeuvres Complètes, II, 585. N.O. Keohane, Philosophy and the State in France. The Renaissance to the Enlightenment (Princeton, 1980) 392-419. Een weinig succesvolle poging tot een volstrekt moderne lezing van Montesquieu is M. Hulliung, Montesquieu and the Old Regime (Berkeley, etc, 1976).

[430-431]

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7

Leave a Reply