20 jan, 2009
BMGN Verwijzingen naar Hume
Geplaatst door Willem in de categorie: LiteratuurReacties (0) Tags: BMGN, De Schryver, Frank Ankersmit, Hume, Luzac, Pocock, Schwegman, Velema
Chris Lorenz – Het vergeefse zoeken naar zekerheid
“Op grond van Vries’ heimelijke positivisme was te verwachten dat hij vraagtekens zou plaatsen achter mijn these, dat het vergelijkend oorzakelijke verklaringsmodel oorzakelijke verklaringen oplevert, die geen ‘gemankeerde’ of ‘tweederangs’ wetmatige verklaringen zijn. Voor positivisten impliceert oorzakelijkheid namelijk wetmatigheid en impliceert een oorzakelijke verklaring derhalve een algemene wet. Hempel cum suis hebben hier nooit enige onduidelijkheid over laten bestaan: ‘Every ‘causal explanation’ is an ‘explanation by scientific laws’; for in no other way than by reference to empirical laws can the assertion of a causal connection between certain events be scientifically substantiated’6.
Ik bestrijd deze identificatie van oorzakelijkheid met wetmatigheid in mijn boek langs twee wegen. Langs een filosofische weg lokaliseer ik in navolging van Mackie de essentie van het oorzakelijke denken niet (zoals Hume, en met hem het positivisme) in de regelmatige opeenvolging van twee soorten gebeurtenissen (bijvoorbeeld de opeenvolging blikseminslag-
brand), maar in de ervaring van verschil (zonder bliksem, geen brand; met bliksem, wel brand). Deze opvatting van causaliteit brengt een andere visie op oorzakelijke verklaringen met zich mee, waarin niet wetten maar ‘verschil-oordelen’ de centrale rol spelen. Daarnaast laat ik zien dat positivisten er nog nooit in geslaagd zijn een criterium te ontwikkelen met
behulp waarvan ze wetten van pseudo-wetten kunnen onderscheiden (Constructie, 120-122). Hun exclusieve liefde voor wetmatige verklaringen is dus in meer dan één opzicht blind.”
[411]
en even verder:
De vraag die zich nu opdringt is of het vruchtbaar is om de relatie tussen de maatschappelijke instituties en de handelingen van individuen als ‘quasi-causaal’ te typeren. In dit verband zijn zowel argumenten pro, als contra aan te voeren. Het voornaamste argument pro is het al door Weber verwoorde inzicht (zie bladzijde 418) dat instituties een oorzakelijke betekenis hebben voor de handelwijze van individuen. Qua effect lijkt het erop dat zij de handelingen van individuen oorzakelijk determineren: zo is de institutie ‘vrije markt’ er de ‘oorzaak’ van dat het economische handelen van ondernemers doorgaans op het optimaliseren van het (kapitaal)rendement is gericht en zo is de institutie ‘godsdienst’ er de ‘oorzaak’ van dat individuele gelovigen in Nederland doorgaans op confessionele politieke partijen stemmen. Daarom kunnen we het economische en politieke gedrag van respectievelijk ondernemers en gelovigen quasi-causaal als ‘mechanische’ effecten van de instituties in kwestie verklaren. De relatie tussen institutionele ‘stimulus’ en individuele ‘respons’ is echter niet ‘gewoon’ (Humeaans) causaal, omdat er doorgaans een motivationele verbindingsketen ‘tussen zit’. Ondernemers en gelovigen volgen in hun handelen immers hun eigen motieven; in dit verband is alleen van belang dat deze motieven op een quasi-causale wijze door de instituties aan individuen worden ‘afgegeven’26. Het politieke handelen levert daar het duidelijkste voorbeeld van; hoewel iedere kiezer overeenkomstig zijn of haar eigen ‘vrije wil’ en eigen motieven zijn/haar stem uitbrengt, zijn dit motief en deze handeling zodanig institutioneel (‘structureel’) bepaald, dat sociaalwetenschappelijke onderzoekers op basis van kleine steekproeven de verkiezingsuitslagen vrij nauwkeurig kunnen voorspellen. Het volgen van eigen motieven en het idee van een quasi-causale institutionele determinatie van individuele handelingen zijn dus niet met elkaar in strijd. Of, zoals Tacq het formuleert: ‘Externe determinatie en interne zelfdeterminatie gaan samen en zijn ook niet inconsistent’.”
[420-421]Leave a Reply