Blaas beschrijft na 200 jaar de reacties van NL op de Franse Revolutie, zowel die van historici achteraf – is er sprake van een lacune in de historiografie, vraagt Blaas zich af – en die van de Nederlanders destijds.

Begint met een citaat van Simon Schama op blz 554:

“It would, of course, be as absurd to pretend that the French Revolution had no effect on the battle for the Dutch State as it would to see the Revolution as the alpha and omega of the Batavian Republic.”

[Simon Schama, Patriots and Liberators (New York, 1977, 143)]

Deelt de reacties in drie tijdvakken in: de directe, van 1789 tot 1830; de periode waarin het meest over de FR werd nagedacht en het parlementaire bestel (olv Thorbecke) zijn definitieve vorm kreeg, 1830-1870; en de periode die daarop volgde. Voor mij is vooral de eerste periode interessant.

Blaas schrijft dat de observatie van MacManners, de bibliograaf van de Franse revolutie, dat er opvallend veel lange-termijn-visie aanwezig was in de eigentijdse commentaren ook deels opgaat voor Nederland.  De voorkeur voor ‘philosophical history’, zoals Hume die schreef had daar debet aan. 

Voorbeeld 1 is een notitie van Gijsbert Karel van Hogendorp, daterend van 1792, met de titel ‘Mijne Verantwoording voor God en Menschen’ . Hogendorp gruwde van de gewelddadige radicale revolutie van 1792 – en ging daardoor de Amerikaanse variant meer waarderen – maar vond dat de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap niet te stoppen waren: ze waren deel van een maatschappelijke en historische ontwikkeling die al veel langer onderweg was. Het waren niet slechts bedenksels van filosofen [557-558]

Een soort whig-interpretatie dus, maar dan (volgens Blaas) wel op de toekomst gericht. Hieronder een ander voorbeeld van het zgn. ‘ontwikkelingsperspectief’:

“Het historisch ontwikkelingsperspectief dat de Franse revolutie stimuleerde, schiep ook vanzelfsprekend een grotere distantie tot het eigen verleden, ja zelfs een radicale distantie. Een jaar na Van Hogendorps notitie, in 1793, hield Wiselius zijn lezingen over de vaderlandse geschiedenis voor Doctrina. Daarin brak onder invloed van het revolutie-gebeuren in Frankrijk een radicaal ontwikkelingsperspectief door dat nog nimmer vernomen was. Zijn ganse geschrift is doortrokken van het denkbeeld der ontwikkeling aldus Rá¼ter. Het leidde tot een definitieve afrekening met het eens zogeprezen verleden, waaraan iedere normativiteit ontnomen werd. Hoe hekelde hij niet bladzijden lang de Unie van Utrecht, die zogeheten ‘oude konstitutie’. De ideologie van de ‘ ancient constitution ‘ werd er hier te lande definitief mee uitgeluid. Zijn politiek radicalisme was niet in alle opzichten modern te noemen. Hij keerde het republikeinse vaderlandse verleden de rug toe als een late eenzame volgeling van Machiavelli. Met de in de achttiende eeuw gangbaar geworden lofrede op de koophandel als bron van vrijheid †” door Simon Stijl en Elie Luzac zo uitdrukkelijk verkondigd †” werd definitief gebroken. In het licht van de geschiedenis van de oude Republiek moest het ‘paradigma van de deugd’ hem wel tot leidraad voor de toekomst zijn en niet dat van de handel. Handel had voor het overgrote deel van de bevolking van de oligarchische republiek immers in toenemende mate slavernij betekend.”

[558]

Het andere perspectief was er eentje die vooral vergelijkingen zocht met revoluties uit het verleden, vooral toen bleek dat de Revolutie een dictatoriale nasleep kreeg. Vergelijkingen werden getroffen met de Amerikaanse revolutie, met de beëindiging van de Engelse burgeroorlog, maar vooral met de oudheid. Dat maakte van de FR een gebeurtenis die helemaal zo nieuw niet meer was en gaf het idee dat de toekomst in zekere mate voorspelbaar was meer kracht.

 

19 Het werk van David Hume over de Engelse burgeroorlog was tijdens de Franse revolutie bijzonder populair. Zie L. L. Bongie, D. Hume, Prophet of the Counter-Revolution (Londen, 1965). Vgl. Gedenkschriften van den graaf Van der Duyn van Maasdam en van den baron Van der Capellen, C. F. Sirtema van Grovestins, ed. (Amsterdam, 1853) 375-389. Voor de vergelijking met de oudheid zie recentelijk onder andere P. M. Martin, ‘Présence de l’histoire romaine dans la Révolution franá§aise’, in: R. Chevallier, ed., Influence de la Grèce et de Rome sur l’occident moderne (Parijs, 1988) 215-226.

[559n]

 De populariteit van David Hume’s HoE vonden we wel alleen onder conservatieven, blijkt uit Thomas over Bungie’s “Hume – prophet of the Counter Revolution” een recensie van Thomas van Bongie’s werk. De Contrarevolutie in Frankrijk kon Humes rehabilitatie van de de Stuarts (Charles I was immers afgezet tijdens de burgeroorlog) goed gebruiken. Maar er waren er ook bij die de parallellen tussen Fra en Bri verwierpen (Sergent, Dubois-Crancé, Claude-Charles Prost), of zelfs helemaal geen waarde hechtten aan precedenten. (Robespierre, Saint Just)

Vanaf 1820 werd steeds meer het algemene idee dat de geschiedenis toch niet toereikend was om de gebeurtenissen na de FR te verklaren, laat staan te voorspellen.

In zijn conclusie keert Blaas nog even terug naar de heren van het ontwikkelingsperspectief. Zij ergeren zich aan de constante wisseling van regeringsvormen in het land, een proces waarvoor het woord ‘republicaniseren’ wordt gebruikt. Van Hogendorp schrijft aan Wiselius:

“Reeds sedert vele jaren was ik met eene menigte anderen, die zich min of meer op het toneel der Fransche Revolutie vertoond hadden, van mijne voormalige denkbeelden teruggekomen, en in het algemeen waren wij allen overtuigd geworden, dat het republicaniseeren, vooral bij de dwaasheid en verdorvenheid van den grooten hoop, onder de idealen en bij de wijsgeerige droomen van Plato behoort gerangschikt te worden.”

De verworvenheden van de Franse Revolutie, schrijft Blaas, “werden geleidelijk aan genationaliseerd en met name in die landen waar zij bleken aan te sluiten bij hervormingsbewegingen, die al voor 1789 van zich hadden doen spreken” [577]

Deze nationalisering van de revolutie, die we ook terug zien komen in het verhaal van Van Sas, is volgens Blaas de ontwikkeling die nodig was om van ons land een eenheidsstaat te maken. Het belang van de revolutie is daarmee bevestigd.

 Genoemde literatuur:

Haitsma Mulier schreef over de receptie van de Franse Revolutie in:

E. O. G. Haitsma Mulier, ‘De receptie van de Franse revolutie in Nederland. Contemporaine reactie en geschiedschrijving’, Tijdschrift voor geschiedenis, CU (1989) 451-470.

L. Leeb schrijft over de ideologische oorsprong van de Bataafse Revolutie, overigens zonder Hume te noemen, in:

The ideological origins of the Batavian revolution. History and politics in the Dutch republic 1747-1800 (Den Haag, 1973).

Leave a Reply