1 feb, 2010
http://library.nlx.com/xtf/view?docId=hume/hume.11.xml;chunk.id=div.hume.hist.v1.17;toc.id=div.hume.hist.v1.17;brand=default#hume.histf.518fm
nootje ontbreekt, deze versie is dus niet van deze gewijzigde editie.
Op bladzijde 17 van deel 1:
“De lafhartige Britten” voor “The ABJECT BRITONS” (intelex versie, blz 13).
Op bladzijde 505 van deel drie – in een stuk over Hendrik VII, rond 1799 zien we een aantekening van de vertaler: “De Aenteekening hierop, zoo groot zynde, datze het doorlezen hinderlyk wezen zoude, is die aen het einde van dit deel geplaetst.” [505n]. blz 63 van deel 3 in oorspr. versie
http://library.nlx.com/xtf/view?docId=hume/hume.13.xml;chunk.id=div.hume.hist.v3.9;toc.id=div.hume.hist.v3.9;brand=default#hume.histe.2511fm
Als alle voetnoten en opmerkingen die schuingedrukt zijn van de vertaler zijn…
begin DEEL 3 “Richard II” correspondeert met het zesde deel van VOLUME 2
BOEK 6 correspondeert met het 5e boek v/d oorspronkelijke serie.
blz 6 van dat boek komen we een lange noot tegen waarin Hume de veroordeling van Raleigh beoordeelt. Gek genoeg gebeurt hier precies iets anders: hoewel de noot 7 bladzijden beslaat wordt hij niet achter in het boek overgenomen.
boek 7, opmerking van vertaler op bladzijde 1 over het vertalen van het woord independenten.
boek 8.
inleidend stukje “De vertaler aen den lezer”
Groot Quarto
Alinea waarin Smithof Hume verdedigt tegen de aantijgingen van partijdigheid uit engeland door te wijzen naar de val van Jacobus II die wel gewipt moest worden -> nootje naar VIII. Deel, bladz.. 403.
Volgende alinea:
“Even zoo ongerymd is het in sommigen, te vreezen van in dit werk te zullen ontmoeten eene besmettende Wysbegeerte.’t Is waer, de Heer Hume geeft in zyn Geschieverhael te blyken van gezond verstand en menschlievenheit, overá¤l waer verkeerde godvrucht, blinden yver, verachtelyke dweepery, de buitensporigheden der geestelyken, of de wanbedryven van anderen, eene gisping verdienen; doch hy heeft zeer wel weten te onderscheiden dat hy een historiesch, en geen wysgeerig werk schreef. Wie derhalven, in ’s Mans Historie van Engeland dezelfde vlekken denkt te zullen vinden die men in zyne Proeven van Wysbegeerte meend te ontdekken, bedriegd zich merklyk. Allerwegen waer hy zich als Philosooph laet zien, geschied zulks met de uiterste bescheidenheit en gematigtheit. Al zyn haet is gekeerd tegen de ondeugd; en het is geenzins de godsdienst, van wat soort ook, maer wel de gebreken van denzelven die door hem aengerand worden.
N. SMITHOF. ”
wilde alles fotograferen in het deel richting glorious revolution maar het geheugen was vol. gebleven bij 395