Tongerlo had eerder al Italiaans Boekhouden van Aubert in 1764 uitgegeven (stcn)

(bladzijde 40 moet nog gefotografeerd)

aantekeningen bij de Voorrede

Voorrede, deel van de vertaler.

Twee soorten van Menschen ontraade ik volstrektelyk, dit Werkje te leezen, of zelfs in te zien. Zulken, voor eerst, welke een groot gedeelte hunner bezittingen in de Engelsche Fondsen gelegd hebben, en, door de ruime Interest der laag-gekogte Actiën bekoord, hunne Kapitaalen onvoorzigtig waagen. Zy slaapen thans gerust op den kant eens Oevers, die gestaadig afkabbelende, op t onverwagtst dreigt in te storten, en die ongelukkigen met den stroom eener Nationaale Bank-breuk in hun uiterst verderf te sleepen. Het *VIIIste* Vertoog zou hen al beevend doen ontwaaken en ontydig ontrusten over een onheil, ’t welk zy waarschynlyk niet zouden willen, en wegens de meerdere inkomsten, die zy uit de Engelsche, boven de Hollandsche, papieren trekken, en tot hunnen pragtige levenswyze, geheel van nooden hebben, moogelyk ook niet kunnen verhoeden, Men spaare hen dan die vrugtelooze kwellingen, men laate hen in hunne zagte sluimering berusten; de gevreesde slag zal hen veelligt nog spaaren, en ’t is immers hunnen schuld niet, als ‘er hunne Kinderen door getroffen worden.

– kritiek op mensen die in Engelse ‘activa'(?) hebben belegd en dus rijk worden zonder de Nederlandse staat te steunen
– in het achtste vertoog waarschuwt Hume voor de genoemde bankbreuk
– wat is de gevreesde slag?

Die vadzige Geesten vervolgens, welke niet gewoon zyn, om de dingen in haar waaren aart te overweegen, maar zig vergenoegen, om of dezelve op het gezag van Anderen aan te neemen, of ten minsten slegts oppervlakkig te beschouwen; die slaafsche zielen derhalven, welke steeds de aangenoome gevoelens volgen, omdat zy aangenoomen zyn, raade ik, als een welmeenend Vrind, om dit Werkje, zodra ’t Hen door den Boekverkooper wordt t’huis gezonden, door den zelfden Jongen aanstonds wederom te rug te schikken.

– boeken kunnen worden thuisgezonden
– een kritische blik op de wereld is vereist / het sceptische karakter van Humes werk wordt hier onderschreven

Een ander soort van lieden is ‘er, welke ik my vastelyk vleije, dat hetzelve gunstige ontvangen, en met vermaak doorleezen zullen. Zodanigen namelyk, die niet te vrede van hun geheele leven den gemeenen slender te volgen, zonder zelve te begrypen, wat zy doen of denken; zodanigen, die niet vergenoegd met de uiwerkingen te zien, de oorzaaken zelve willen kennen; zodanigen, die de belangens van het Menschdom voor een gedeelte hunner eigen houdende, deel neemen in alles, wat deszelfs welvaart en geluk betreft; zodanigen, die den bloey en voorspoed van ons gelukkig Gemeenebest met een hartelyk genoegen ziende, de bronnen zoeken op te spooren, waar uit ons die voordeelen zyn toegevloeid; zodanigen eindelyk, welke de Springveeren, waar door eene Maatschappy gedreeven wordt, in derzelver volkoome verband met alle beweegraderen, welke daar in te passe koomen, kennen, en dus duidelyke, verstandige, gegronde berippen van zaaken vormen willen; alle zodanigen, zeg ik, zyn myne Lieden.

– zijn lievelingslezers: vaderlandslievend, met een onderzoekende mentaliteit, met een universeel verlichtingsideaal, met inzicht in hoe de maatschappij functioneert (en de economie aangedreven)

Alle wysgeerige Geesten derhalven, alle weetgierige, alle denkende Kooplieden, alle Liefhebbers van de nuttigste aller Weetenschappen, alle braave Regenten, welken het belang van ons Gemeenebest, van onze Handel en Welvaart, van onzen Luister en Vryheid ter harte gaat, vleije ik my tot myne Lezers, of liever, die van mynen Schryver te zullen hebben.

– “braave Regenten” de regenten die er niet slechts op uit zijn zichzelf te verrijken?

De Heer HUME is een van die Lieden, welke de zaaken, *to the bottom*, zo als de Engelschen het uidrukken, tot aan den grond toe, doorzien. Een *Diep-Denker*, welke altoos redekavelt, en geene waarheid of voorstel aanneemt, dan welke hy oordeelt op goede bewyzen te steuenen; een *Free-thinker*, die het zig niet bekreunt, of zyne besluiten met de aangenoome begrippen overeenstemen of stryden, als dezelve maar juist zyn, en met Rede en Waarheid strooken.

– Diep-Denker = sceptic? Eventueel op te zoeken in een paar woordenboeken.
– “Free-thinker” in de optiek van de auteur iemand die zich niets aantrekt van de aangenomen begrippen(=verklaringen?), tenzij deze kloppen, oordelend op Bewyzen.
– even verder in Over de Weelde vertaalt hij “men of libertine principles” met Vrydenker.

Wat voor het overige myne Vertaaling en Aanmerkingen betreft, daar kan ik niets van zeggen. Ik heb vry vertaald, ik erken het, maar ik meen goed vertaald te hebben. Dog genoeg hier van myn arbeid; te pryzen past my niet, en te laaken wil ik niet; ik zal zelfs wel openhartig bekennen, dat zo ik dezelve het ligt niet waardig geoordeeld had, ik ze agter wege zou gehouden hebben.

Koophandel

blz 17 noot over het vertalen van het woord “Industry” – Kloekheid:

“My is geen gevoegelyker woord voorgekoomen om het Engelsche *Industry* Uit te drukken. Het is eene gesteldheid van geest, waar in *Naarstigheid*, Oordel en *Overleg* met *Winzugt* te gelyk werken: en alle drie deze denkbeelden begryp ik tevens in dit woord. Ik verzoek dit in gedagten te willen houden omdat ik ‘er my in volgende Vertoogen dikwijs zal moeten bedienen.

28 noot over waarom China zo volkrijk is

De Volkrykheid van een Staat, wenschte ik, dat onze schrandere Schryver, in het byzonder als een gevolg en uitwerking van Handel en Weelde had aangedrongen. Zodra immers honderd Landlieden, door verdubbelde Naarstigheid en Overleg dezelfde uitgestrektheid van Land met even veel of meer voordeel bebouwen, waar toe voormaals duizend handen noodig waaren, en zy tevens, alles wat zy van hunne eige behoeftens overhouden, aanstonds met voordeel verkoopen, of tegen allerlei wenschelyke Gemakken en Geneugtens verwisselen kunnen, zo wyl het zig zelven ten allerduidelyksten aan, dat ‘er veel woonen, toen yder Landman niet meer dan Zigzelven en zyn Huisgezin, of ten hoogsten Eén of Twee zyner Landgenooten, benevens hem, voeden konde. Honderd Boeren kunnen thans het noodig levensonderhoud niet slegts, maar ook de vereischte Stoffen voor Fabrieken en Handwerken, aan Tien Duizend Burgers verschaffen; dat deze derhalven koomen, dat zy den Boeren goede Ploegen, warme Klederen, zagte Bedden, gemaklyke Huizen verschaffen, en men zal ze met genoegen onderhouden, en zelfs bedanken. Maar dat men, in deze gesteldheid van zaaken nog Tien Duizend anderen op *Hazard* doe komen, of laate blyven; dat zy hunnen Poogingen verdubblen, om nieuwe Gemakken en Aangenaamheden uit te vinden, en den Boeren te vertoonen; deze zullen, daar door bekoord, hunnen Poogingen insgelyks verdubbelen, om, door meerderen arbeid, meerdere Vermaaken te bekoomen. Zy zullen hun tyd zuiniger waarneemen, zy zullen met meer Verstand en Overleg leeren werken, eens zo veel uit denzelfden Grond weeten te halen, en die eige Honderd Boeren zullen thans met het zelfde Gemak en Vermaak, in plaats van Tien, Twintig Duizende Noeste ingezetenen voeden. Maar dewyl nu de buitenlandsce Handel, agtervolgens het geen wy zo aanstond zagen, het kragtigst middel is, om Weelde en Kloekheid op te wakkeren, zo blykt, dat langs dien zelfden weg een Land Volkryker moet worden.
Ik erken, dat men, om dit van Nederland in het byzonder aan te toonen, een weinig anders zou moeten Redeneeren, of het stuk van een anderen kant. Maa ik herhaale, na onzen Schryver, dat het oogmerk dezer Vertoogen is, om de zaaken in haar eigen aart te beschouwen, zo als dezelve, over de geheele Wereld, natuurlyker wyze plaats hebben, en plaats *moeten* hebben, byaldien eenige byzondere Toevallen geene onvoorziene verandering in dezelve maaken. Gelyk ‘er zekerlyk zeer veele zulke onvoorziene Toevallen, in Nederland, met de Natuurlyke Oorzaaken hebben meegewerkt.

Weelde
Ik wenschte dat onze Schryver deze aanmerking tot de volgende Afdeeling van dit Vertoog gespaard, en tot een gansch ander einde gebezigd hadt, om namelyk de nadeelen van eene *al te verre gaande* Weelde aan te toonen, dewyl ik geenzints van oordel ben, dat de Kiesheid in Smaak, Opschik en Vermaaken, dat gemaklyke Wooningen, pragtige Rytuigen, bloeijende Geleerdheid, Fraeye Konsten, veel Yver en Kloekheid, (welk alles Deelen der Weelde zyn) uit eigener aart een verboden Minnenhandel moeten voortbrengen.

Ik wenschte dat onze Schryver deze aanmerking tot de volgende Afdeeling van dit Vertoog gespaard, en tot een gansch ander einde gebezigd hadt, om namelyk de nadeelen van eene *al te verre gaande* Weelde aan te toonen, dewyl ik geenzints van oordel ben, dat de Kiesheid in Smaak, Opschik en Vermaaken, dat gemaklyke Wooningen, pragtige Rytuigen, bloeijende Geleerdheid, Fraeye Konsten, veel Yver en Kloekheid, (welk alles Deelen der Weelde zyn) uit eigener aart een verboden Minnenhandel moeten voortbrengen. Het Tegendeel blykt ten allerduidelyksten uit het voorbeeld myner braave Landgenooten, die in groote Weelde leeven, en egter die haatelyke misdaad van Overspel nauwelyks kennen, veel min als eene Beuzeling beschouwen. Het blykt zelfs uit die Voorbeelden, welke men my, ten bewyze van het Tegendeel, zal voorwerpen. De Hoofdsteeden van Twee nabuurige Koningryken leveren menigvuldige blyken dier schandelyke Galanteryen uit; de Eéne dier Hoofdsteden, (want dit wangedrag aan de geheele Natie te last te leggen, is even onbillyk, als het eene diepe onkunde van derzelver Zeden aantoont) onderscheidt zich hier door inzonderheid, niet omdat zy in Weelde, maar omdat zy in Ledigheid en Wellust leeven, en geene genoegzaame Kloekheid hebben. Op ’t voorbeeld van zo veele Ryke Vreemdelingen, als hun Geld binnen hunne Muuren koomen verteeren, aan eene dartele en wellustige Levenswyze gewoon, en geene genoegzaame Bezigheeden hebbende, om hunnen aandagt op te vestigen, vallen zy tot Buitenspoorigheeden, omdat zy werkeloos zyn, en Zedeloos worden. Laat hen in dezelfde Weelde leeven, maar geef hen eerlyke winsten, om die Weelde te onderschraagen, vestig hunne gedagten, gelyk die onzer Loflyke AMSTERDAMMERS, op Handel en Fabriekn, en die haatelyke Ondeugd zal met de Ledigheid van zelve vlieden. En die zelfde aanmerking kan tot opheldering [49]dienen, waarom het gemelde kwaad meest overal, daar het plaats heeft, onder de Grooten en Lediggangers schuile? En waarom de Hoofdsstad van eene onzer Provintiën, daar veel Weelde, veele Grooten, en, naar evenredigheid van de Verteeringen, weinig Handel, en bygevolg, veel Ledigheid is, zig, in dezen opzigte, ook boven alle Plaatsen van ons Gemeenebest ongelukkig onderscheide?
[69]

Geld

77 maakt de twijfel over het nut van papier-krediet specifiek over Engeland, waar Hume het over ‘every nation’ heeft

79 extra (retorische) vragen, met een voetnootje “Gelyk de Gesteldheid van de Bank te Londen myne Handeldryvende Landsgenooten genoeg bekend is, denk ik niet, da dit verdere opheldering zal behoeven.

aanvullingen op 80 over de voordelen van een door de staat gerunde bank met geld,

82 herformulering van het punt in een hele alinea extra

op bladzijde 87 verdwijnt een halve voetnoot (mp 287n)

90 extra noot over een praktijk onder landbezitters en ‘-huurders’ in het Sticht (vergelijkbaar met Humes hypothese)

93 toevoeging op typische hume-uitspraak, die door de vertaler bovendien is toegespits op het voorbeeld dat Hume noemt (en niet veralgemeniseerd, zoals Hume het bract)

Leave a Reply