« Vorige pagina — Volgende pagina »

[uit de serie Verhandelingen van Teylers, 1796]

JAN BROUWER (dit keer de GOUDEN EERPENNING)

VERHANDELING OVER DE VRAAG: KAN MEN MET GROND BEWEEREN, DAT DE MENSCHEN IMMER, ALLEEN DOOR MIDDEL HUNNER EIGENE REDE OF REDEKAVELINGEN, ZONDER BEHULP VAN EENIG RECHTSTREEKS, OF MEER ONMIDDELYK GODLYK ONDERWYS TOT DE RECHTE DENKBEELDEN VAN GOD EN GODLYKE ZAAKEN ZOUDENHEBBEN KUNNEN KOMEN

DOOR DEN EERWAARDEN HEER JAN BROUWER, LEERAAR DER DOOPSGEZINDE GEMEENTE, TE LEEUWAARDEN.
ONDER DE SPREUK: Sunt certi denique fines: Quos ultra citroque nequit MENS cernere VERUM.

HOOFDDEEL I. Onderzoek of eenig Mensch, by het enkel licht zyner Ree, rechte denkbeelden van God en godlyke zaaken, zoude mogen opvatten.

[par] 1;

Het geen de scharderste Wysgeeren van den al ouden tyd, en onder de meest beschaafde volkeren der wereld, geenzins, of ter naauwer noode (zoo men zulks liever wil,) bereikt hebben, dat ze zeker zoude het dwaasheid zyn van eenen onopgeleiden gantschelyk onbedreeven Mensch, hoedaanig hy zich in den staat der natuure voordoet te verwachten. Men zondere den sterveling af van alle zaamenleeving, men onderstelle, dat hy buiten alle Maatschappelyke betrekking, en in het diepste der woestenyen, op welke wyze ook, groot geworden zy; deeze, of schoon men aan Hem het verstand van eenen NEWTON toeschryve, zal zyn beleid moeten te koste leggen tot vervulling van den geduurigen eisch zyner behoeften, of tot najaaging van zyne ruwe en zinnelyke vermaaken: en, wat zoude aan hem, die als een onmondig kind zijn drift en lusten opvolgt, aanleidinge geeven konnen tot de beoeffening en inspanning zyner redelyke vermogens, of wel tot de vraage naar de onzichtbaare oorzaak van zyn bestaan, en der dingen buiten Hem aanwezig? (c) [noot op 14n dus: “(c) ROBERTSON Hist. de l’Ameriqe liv. IV. [par]. 7 &c. Note 85. Verg. met Iselin Gesch. der Menschheid, D. I., B.II., inzonderheid. H. 8. 9. en 12. Hume The Nat. Hist. of Religion [par]. 6 – Vol. II. of the ESSAYS p. 459. en Montesquieu de l’sprit des Loix Liv. 1 Ch. 2.] Geen wonder ook is deeze volkomen onkunde, nadien volgens getuigenis der nieuwste wereldreizigers zelfs geheele volkeren in afgeleegen oorden des Aardkloots leeven, by wien geene denkbeelden altoos van eenige Godheid waaren op te spooren (d). [noot 2 op 14n dus: “(d) ROBERTSON als vooren, COOK en BOUGAINVILLE in hunne wereldreizen. – Volgens getuigenis van wylen den beroemden MANGER in de reeds aangehaalde STOLP: Verh. p. 124. Locke on Human Understanding B. I. Ch. 4. [par]. 8 zynde dit het Ch. 3 in de Fransche Vertaling en SPARRMAN a Voyage to the Cape of GOOD HOPE Vol. I.. p. 207. Verg. met HUME The Nat. Hist. of Religion, Introd. Vol. II. of the ESSAYS p. 433.

[par] 3;

De zodaanigen, die openlyk de hemelsche zendinge van Christus tegenspreeken en verwerpen, beweeren stoutelyk, dat de Reden alleen genoegzaam zy om den sterveling gezonde begrippen omtrent God en Godlyke zaaken in te boezemen, ja dat de meere verlichtinge, welke zich, na de verkondiging des Euangeliums, ten deezen aanzien onder de Christen Volkeren verspreid heeft, aan geen bovennatuurlyk onderwys is toe te kennen (f) [noot op 19n: “(f) TiNDAL Christianity as old as the Creation pag. 4. BONLINGBROKE volgens LELAND ter aangehaalde plaatze. ROUSSEAU EMILE Tom. III., Oeuvres Tom. VIII. p.110. (Amst. in 8vo.) HUME nochthands verschilt van de rest der Ongeloovigen, en stelt dat het der Reden meoyelyk zy, zich van de grond-waarheden van den godsdienst te overtuigen, het hierom daar voor houdende, dat het Deismus uit het Poletheismus gebooren wierd; welke stelling hy uit de geschiedenis inzonderheid te bewyzen zocht. The Natural History of Religion, Vol II. of his essays, and Treatises, Sect. VI.

[par] 13;

“Overtuigd van het onvermogen der menschelyke reden, om eene grondige kennis uit eigen bespiegeling, of onderzoek te verkrygen van de voornaamsgte Godsdienstige waarheden, ( Hoofd: I doorgaans ) bezeffende daarboven, dat wanneer ik al in dit gevoelen dwaalen mogt, die vereischte zekerheid niet, dan na verloop van eeuwen, en by eene gevorderde beschaafdheid, te erlangen zy; (t) [Nootje opnieuw naar een eerdere noot waarin naar de NHR wordt verwezen.] helde ik steeds over tot de onderstelling dat de weldaadige Oorzaak des Geheelals, reeds by de schepping van den mensch, en in de kindsheid der wereld, zich zelven, op hoedaanige wyze ook, geopenbaard heeft aan de eerste redenmagtige bewoonders der Aarde.”

En een noot bij een stukje de onmogelijkheid om goddelijke openbaringen aan het adres van zeer oude volken met historisch onderzoek tot absolute zekerheden te verheffen – hoezeer “de onsterfelyke de Groot, door zyne vergelyking van sommige Mosaïsche verhaalen met de denkbeelden daar van by de oudste Heidensche natien voorhanden, daar aan die zekerheid gaf” ook – , waarmee tegelijkertijd zou zijn bevestigd dat god dacht dat de mensen zelf niet met behulp van hun eigen Rede tot échte grondige kennis, de waarheid te komen. Maar Brouwer kiest voor de waarschijnlijkste opvatting, namelijk dat pas later in die bijgelovige wereld enige eerbied voor het hogere te vinden was.

“Ook hellen wy te meer over om deeze uit de gezegde bronne voornaamelyk af te leiden, nadien alzoo de Reden ten klaarsten blykt, waarom eerst laatere Reiziger ([par] 1 _ getuigenis gaven van geheele natien, by welke zy geene spooren vonden van eenige kennis of eerbied voor hoogere wezens; deeze geheele gedachte namelyk, was by die Wilden, zints lange in de uiterste woestheid, en in eenen staat, van het overig Deel des Aardbodems afgescheiden, geleefd hebbende, ten eenemaal verlooren; terwyl integendeel dit verschynsel naauwelyks te verklaaren is, zoo lange men beweert dat de Zwervende Geslachten der Oudheid, niet door overlevering, maar gezond verstand, hunne oppervlakkige, en bedorven kennis aangaande Godlyke Zaaken verkreegen, welke nochthans by laatere horden in levenswys en denkvermogen {blz 63] aan de eerste nagenoeg gelyk staande gantschelyk onbekend bleeven (w) [noot dus op 63n. “(w) By uitstek moeijelyk is het deeze zwaarigheid naar de stellingen van Hume in de aangehaalde verhandeling op te lossen; waarom wy ons te liever omtrent die tegenbedenkinge enigszins ter wederlegging van zyne gevoelns uit lieten.”

(mmmmh nog niet helemaal begrepen, deze)

IETS OVER DE KANTISCHE WYSBEGEERTE, DOOR W. SERVAAS M. D. AAN DEN SCHRYVERS VAN DEN N. A. KONST- EN LETTER-BODE (9 en 16 juni 1797)

“Te recht merkt de Journalist aan, dat de aanvallen van Hume op de Overnatuurkunde, Kant hebben aangezet om de tot hier toe algemeen aangenomen denkwyze en deze wetenschap streng ter toets te brengen. Men denk niet, dat deze aanvallen in spitsvindigheden van gering bestonden, waar voor veelen alle Overnatuurkundige vraagstukken houden. De schrandere en diepdenkende Engelsche Wysgeer Hume bedoelde niets minder, dan allen grond voor het begrip van eene oorzaak der waereld, van eenen Schepper, van eenen God, met al wat uit die begrippen volgd, weg te cyfferen. Hy beweerde, dat de grondregel, ‘er kan niets bestaan zonder oorzaak, valsch was; dat alle overreding, die wy daar van hebben, alleen uit de ondervinding voortspruit; daar nu de ondervinding ons alleenlyk leerd, hoe de dingen daadelyk voorkomen, maar niet, dat zy noodzaakelyk zoo en niet anders voorkomen moeten of kunnen, kan zy ons nimmer algemeene noodzakelykheid leeren. Wy kunnen derhalven wel met grond zggen, zoo en zoo geschiedt dit, zoo ondervinden wy bestendig; maar wy kunnen daar uit, nimmer vaststellen, dathet noodzaakelyk altyd zoo zyn moet. Nu hebben wy wel altoos waargenomen, dat elke toestand der dingen, elke verandering in de geheele natuur en in elk byzonder ding derzelve, voorgegaan is door eenen anderen toestand, die de reden of het wezen van die daar op gevolgde verandering in zich scheen te behelzen, en wy ondervinden gestadig, dat wy verandering in de dingen kunnen te weet brengen, door haaren tegenwoordigen toestand te veranderen. Dit noemen wy oorzaaken en gevolgen : maar deze reeks van opvolgende en malkander bepaalende veraneringen en gevolgen, die wy oorzaaken en gewrochten noemen, bepaalt zich alleen binnen den kring, binnen der omvang, der geheele natuur of het Geheelá¤l, voor zover wy dit kunnen waarneemen; maar deze gantsche natuur, dit Geheel-al, kunnen wy nimmer overzien en is dus in zyn geheel niet waarneemen: wy kunnen derhalven daar uit niet besluiten, dat die Geheelá¤l ook eene oorzaak hebben moet. Wy bevinden, dat het bestaat, en de stof van voorwerpen van alle onze ondervindingen en waarneeming behelst, maar het is dwaasheid naar desselvs oorzaak te vraagen en vermetel, herssenschimmig en ongerymd, eene oorzaak daar van te stellen. Vraagt men nu, van waar hebben wy dan toch die sterke overreding, die ( ten minsten schynbaare) zekerheid, dat al wat is, eene oorzaak hebben moet? Hume en zyne instemmers zullen u vertrouwelyk antwoorden, alleen van uwe bestendige gewoonte van waarnemen en ondervinden; daar door is dit besluit, by u, hebbelyk geworden; om dat gy dit zo gestadig ondervindt, meent gy, dat dit niet anders zyn kan; daar gy intusschen [blz180] geen meer recht tot dit besluit hebt, dan een bewoonder der verzengde luchtstreek, die nooit ys gezien heeft, om te besluiten dat het water geen hard en vast lichaam kan worden.”

[ alk 9 juni 1797, blz179]

en dan, op blz187 (16 juni 1797)

“Wanneer wy deze zuivere verstands-begrippen op haar zelven beschouwen, zyn zy, gelyk Kant zich uitdrukt, ledige tituls, of opschriften, zonder inhoud. Hier uit volgt (en het onderzoek van alles, wat wy eigentlyk kennen, bewyst dit ook van agteren) dat wy met alle deze gereedschappen van kennen nimmer buiten de grenzen, of buiten het veld der mogelyke ondervinding komen kunnen; en, in zoo verre, heeft dus Hume gelyk. Daar echter deze onze zuivere verstands-begrippen zelve buiten het veld der eigentlyk gezegde ondervinding leggen; daar wy dezelve, afzonderlyk, dat is, in het afgetrokkene, voor onze aandagt stellen, vergelyken, beoordelen en beredeneeren kunnen; en daar wy ons niet wederhouden kunnen, ja, eer wy het merken, straks by alle nadenken, en bespiegelingen, ons buiten het veld der ondervinding en over haare grenspaalen heen begeven en straks het algemeene, eerste, onvoorwaardelyke, van alles wat wy kennen en als mogelyk kenbaar bezeffen, trachten optespooren, en uit dat alles eene eenheid, een systematisch geheel, pogen te maaken (*), ontdekken wy (volgens Kant) in ons, een hooger vermogen, het welk hy eigentlyk de reden, of het vernuft, noemt.”

Hiervan is een vertaling afgedrukt in de Vaderlandsche letteroefeningen.

Letter 484: To SIR JOHN PRINGLE

p 272

† * 484. To SIR JOHN PRINGLE

St. Andrew's Square, Edinburgh,

Feb. 10, 1773.

My dear Sir,

That the present Pretender was in London in the year 1753, I know with the greatest certainty;† 1 because I had it from Lord Marischal, who said, it consisted with his certain knowledge. Two or three days after his Lordship gave me this information, he told me, that the evening before, he had learned several curious particulars from a lady (who I imagined to be Lady Primrose),† 2 tho my Lord refused to name her. The Pretender came to her house in the evening, without giving her any preparatory information; and entered the room, when she had a pretty large company with her, and was herself playing at cards. He was announced by the servant under another name. She thought the cards would have dropped from her hands on seeing him. But she had presence enough of mind, to call him by the name he assumed; to ask him when he came to England, and how long he intended to stay there. After he and all the company went away, the servants remarked how wonderfully like the strange gentleman was to the Prince's picture, which hung on the chimney-piece, in the very room in which he entered. My Lord added (I think from the authority of the same Lady), that he used so little precaution, that he went abroad openly in daylight, in his own dress; only laying aside his blue riband and star; walked once through St. James's, and took a turn in the Mall.

p 273

About five years ago, I told this story to Lord Holdernesse, who was Secretary of State in the year 1753; and I added, that I supposed this piece of intelligence had at that time escaped his Lordship. ‘By no means’, said he, ‘and who do you think first told it me? It was the King himself, who subjoined, “And what do you think, my Lord, I should do with him?”‘ Lord Holdernesse owned that he was puzzled how to reply; for if he declared his real sentiments, they might savour of indifference to the Royal Family. The King perceived his embarassment, and extricated him from it, by adding, ‘My Lord, I shall just do nothing at all; and when he is tired of England, he will go abroad again.’ I think this story, for the honour of the late King, ought to be more generally known.

p 273

But what will surprise you more, Lord Marischal, a few days after the coronation of the present King, told me, that he believed the young Pretender was at that time in London; or at least had been so very lately, and had come over to see the show of the coronation, and had actually seen it. I asked my Lord the reason for this strange fact. ‘Why,’ says he, ‘a gentleman told me so that saw him there; and that he even spoke to him, and whispered in his ears these words: “Your Royal Highness is the last of all mortals whom I should expect to see here.”–“It was curiosity that led me,” said the other; “but I assure you,” added he, “that the person who is the object of all this pomp and magnificence is the man I envy the least.”‘ You see this story is so near traced from the fountain head, as to wear a great face of probability. Query, What if the Pretender had taken up Dymock’s gauntlet? I find that the Pretender’s visit in England, in the year 1753, was known to all the Jacobites; and some of them have assured me, that he took the opportunity of formally renouncing the Roman Catholic religion, under his own name of Charles Stuart, in the new church in the Strand; and that this is the reason of the bad treatment he met with at the Court of Rome. I own that I am a sceptic with regard to the last particulars.

p 273

Lord Marischal had a very bad opinion of this unfortunate prince; and thought there was no vice so mean or atrocious of which he was not capable; of which he gave me several instances.† 1 My Lord, tho a man of great honour, may be thought a discontented courtier; but what quite confirmed me in the idea of that prince, was a conversation I had with Helvétius at Paris, which I believe I have told you. In case I have not, I shall mention a few particulars. That gentleman told me, that he had no acquaintance with the Pretender; but some time after that prince was chased out of France, ‘A letter’, said he, ‘was brought me from him, in which he told me that the necessity of his affairs obliged him to be at Paris; and, as he knew me, by character, to be a man of the greatest probity and honour in France, he would trust himself to me, if I would promise to conceal and protect him. I own,’ added Helvétius to me, ‘altho I knew the danger to be greater of harbouring him at Paris than at London; and altho I thought the Family of Hanover not only the lawful sovereigns in England, but the only lawful sovereigns in Europe, as having the full and free consent of the people; yet was I such a dupe to his flattery, that I invited him to my house; concealed him there, going and coming, near two years; had all his correspondence pass through my hands; met with his partisans upon Pont Neuf; and found, at last, that I had incurred all this danger and trouble for the most unworthy of all mortals; in so much that I have been assured, when he went down to Nantes to embark on his expedition to Scotland, he took fright and refused to go on board; and his attendants, thinking the matter gone too far, and that they would be affronted for his cowardice, carried him, in the night time, into the ship, pieds et mains liés.’ I asked him, if he meant literally? ‘Yes,’ said he, ‘literally. They tied him, and carried him by main force.’ What think you now of this hero and conqueror?

p 274

Both Lord Marischal and Helvétius agree, that with all this strange character, he was no bigot; but rather had learned from the philosophers at Paris to affect a contempt of all religion. You must know that both these persons thought they were ascribing to him an excellent quality. Indeed, both of them used to laugh at me for my narrow way of thinking in these particulars. However, my dear Sir John, I hope you will do me the justice to acquit me.

p 275

I doubt not but these circumstances will appear curious to Lord Hardwicke, to whom you will please to present my respects. I suppose his Lordship will think this unaccountable mixture of temerity and timidity, in the same character, not a little singular.

I am, Yours very sincerely,

DAVID HUME.

via The Complete Works and Correspondence of David Hume. Electronic edition. :: Letters of David Hume. Volume 2 :: Letters 297-543.

bower in nr 1, blz 121-133

nr.2

lilienthal, ditmaal zonder tegenstanders te noemen – behalve Edelmann [234n], legt uit dat er geen tegenstrydigheden in ’t verhaal van jezus’dood en opstandige zitten . 224-241

in de naam-lyst van boeken komen de “Observations sur les Savans incredules ..etc” uitvoeriger aan bod, met noemen van namen als De la Mettrie en Mandeville, Diderot [265] en Voltaire [266]

onder ENGELAND: “LONDON. De veranderingen, die in ’t laatst van ’t voorg. Jaar nu en dan, in ’t Engelsch Ministerie zyn voorgevallen, de dagelyks voorkomende openbaare Nieuwigheden, en de nu eerst voltooide onderhandelingen over de lang gewenschte Vreden, heben zoo veele Pennen, meest al eenen noodeloozen en onnutten arbeid, over ’t algemeen gereekend, bezig gehouden, dat ‘er byna al ’t goede en heilzaame voor de Republiek der Letteren door versterft, of ten minste vertraagd geworden is; invoegen we van hier niet zeer veele waardige Werken kunnen aankondigen.” [twee stuks maar]

nr 3.

In de naamlijst vinden we een boek over de vraag ‘of de monniken nuttig dan wel nadeelig zyn voor eenen staat’ waarin het oordeel is dat de beschuldigde benedictijnen in Frankrijk onschuldig zijn, “Question politique, ou l’on examine si les Religieux rentés…. etc” [393]

nr 4.
Een bespreking van een “CHAMS ZONDE in haaren rechten dag gestelt, voornamelyk tot wederleggin van de Vitteryen des Ongeloofs; uit Genf. IX vs. 21. enz. Door JOH. MART. HOFFMANN, Oud-predikant van Maassluis” opent met de opmerking van Hoffman dat het hem spijt dat hij niet de ruimte heeft om uitvoerig verslag te doen van “de valsche verwen, met welken het spytig vernuft der Deïsten dit aanmerkelyk deel der Mosaïsche Geschiedenisse geoon is af te schetzen.” 440

in het letternieuws voor Pruissen worden [543] “eene verzameling van Leerredenen” genoemd, uitgegeven door Hartung en Zeize, van de hand van Lilienthal, en deze wordt naast de werken van Mosheim geplaatst, omdat die beide “met groote stichting en veel nuts, geleezen konnen worden”

nr 5. er word in dit nummer met enige regelmaat verwezen naar de werken van JOSEPHUS, zoals op 639, in een integraal opgenomen brief van Philalethes aan Kennicott

565 “Besluit der letterverlustigingen en schatkamer de Geleerden”
‘ Zal misschien den een of anderen bevreemden dat Letterverlustiging en Schatkamer der Geleerden, nu twee Jaaren lang, van tyd tot tyd uitgegeeven, met derzelver tweede Deel, as ’t ware beslooten worden. Wy belyden derhalven oprechtelyk dathe debiet deezer beide wel vereenigde, doch ook afzonderlyk uitgegeevene Werken te middelmaatig is geweest omredelyker wyze de moeite en kosten aan dezelven met allen lust, besteed, te beantwoorden. De verzwakking van ons Gezelschap, waar van ’t Voorbericht der Schatkamer voor No. V, iets meer zegt, is eene andere niet min gewigtige reden, voor de tragere navolgende uitgave onzes arbeids aldaar, en hier onder beloofd. De ongevergde goedkeuring, en toejuiching ondertusschen van voornaame Geleerden aan ons Werk beweezen, zyn veel grooter geweest, dan wy of de Heer Uitgever ooit had durven verwachten ; en deeze nu verdienen niet geheel te leur gesteld te worden. ook zouden wy, was de aanmoediging alomme even groot, als in Leiden en boven al in ’t nabuurig Sticht geweest, op gelyken voet hebben voortgegaan; bedankende wy daarom openlyk deeze en alle andere waare Vrienden van Geleerdheid, Deugd, en redelyken Godsdienst, vertrouwende dat zy, met geen minder genoegen dan te voren, de nu compleete Stukken, even als de voorgaande, aan alle Liefhebbers van gezond Verstand en goede Letteren, zullen aanpryzen.” [656]

dan worden nog “eenigen der voortreflykste Hoogleeraren op beoemde Hoogeschoolen deezer Landen” bedankt, en ieder opgeroepen om na hun “de belangen der waare Letterkunde en tegelyk die van onzen allerredelyksten Godsdienst” [657] te bevorderen.

Hume niet in de index, wel “Wonderwerken, hoe Hume die bepaalt – verwijzing naar de bespreking naar Campbell.

NADERE BERICHTEN van reeds te voren aangekondigde SCHRIFTEN

EDEMBURG. Van de Verhandeling over de Wonderwerken door de Heer GEORGE CAMPBELL, Doctor in de Godgeleerdheid en Predikant te Aberdeen, tegen de Gronden van den Heer Hume in ’t licht gegeeven is, maakten wy reeds kortelyk in ’t Aanhangzel tot het eerste Deel deezer Letterverlustigingen gewag. Doch ’t zelve verdient wel dat wy ‘er onzen Leezer iets meer van zeggen. De Heer Hume by sommigen te recht opgegeeven als de Bayle der Engelschen, heeft zyne Essay of Proeve, die hy over de Wonderwerken geschreeven heeft, in 2 deelen verdeeld; in welkers eerste hy tracht te toonen dat het getuigenis nooit een genoegzaam bewys voor de Waarheid der Wonderwerken kan opleveren; en in het tweede tracht hy te doen zien dat al onderstelde men dat ‘er vast te gaan was op het getuigenis ten aanzien van de zekerheid der Wonderwerken, ‘er nogthans geene Historie is, die ons eene zaak of uitkomst oplevert van dat soort, die behoorlyk getuigd en voldoende bewaarheid is. De Heer Campbell volgt het Voorbeeld van den Heer Hume in de verdeeling zyns Werks, en spreekt eerst over de zekerheid der Wonderen in ’t gemeen, en van zulken, die den Godsdienst betreffen, in ’t byzonder, en dat dezelve zeer wel op het getuigenis kan gevestigd worden – ten tweeden toont hy dat de Wonderwerken, waarop het Christelyk geloof gebouwd is, genoegzaam bewaarheid en door voldoende getuigenissen bekrachtigd zyn. Om onzen Leezer eens te doen zien, hoe hy ’t eerste stuk behandelt, zullen we hem eerst de hoofdsom der Redenen van den heer Hume onder ’t oog brengen, zoo als onze Schotsche Godgeleerde die opgeeft: Deeze zegt dan:
“De Redeneeringen, die wy doen over zaaken van feit, hebben enkel de ondervinding tot geleide. In zekere zaaken is dezelve veranderlyk, in anderen eenpaarig. Als ze veranderlyk is, kan ze niets dan waarschynlykheid opleveren; maar zo ze eenpaarig is, komt ‘er een bewys uit voort. De [527] waarschynlykheid onderstelt altoos een tegenoverstelling van bevindingen en waarneemingen, waar van de eenen een trap van blykbaarheid voortbrengen, die evenredig is met dezelver meerderheid boven de anderen: in zulke gevallen moeten wy de tegenoverstaande Waarneemingen tegen elkander in de Schaal leggen, en ’t kleener getal van ’t grotere aftrekken, om regt en net te weeten in hoe verre ’t bewys naar de eene zyde overhelle. De verzekering, die wy hebben van iets ’t gene door ooggetuigen bevestigd wordt, hangt alleen van de ondervinding af; dat is te zeggen van ’t licht, welk wy verkreegen hebben door onze Waarneemingen wegens de Waarheid van ’t menschelyk getuigenisse, en wegens de gewone overeenstemming der zaaken, met het verhaal der getuigen. Want zo ‘er iets wonderlyks is in eene zaak en dezelve van dat soort is, ’t gene zelden aan onze Waarneeming voorkomt, zo maakt dit een stryd tusschen de bevindingen, waar in de eene de andere om verre stoot, naar mate hunner onderlinge kracht; invoegen de gene, die ’t wint, niet op ’t verstand kan werken, dan uit hoofde van de meerdere sterkte, die ‘er in haar overgebleeven is. Dit zelfde grondbeginzel, te weten de bevinding, geeft ons, behalven zekeren trap van vastheid in het getuigenisse, nog eenen anderen tegen de Zaak, die het gtuigenis bevestigt; en hier uit moet noodzaaklyk een soort van evenwigt volgen, en eene onderlinge vernietiging van alle geloove en van alle gezag. Zo, wyders, de getuigde zaak, in plaats van enkel wonderlyk, wezenlyk wonderdaadig mog zyn, en zo het getuigenis, volstrekt en op zich zelve aangemerkt, daarvan een volslagen bewys opgeeft, zo heeft men dan nog maar bewys tegen bewys, waarvan het sterkste het alleen van ’t andere in zulk eene maate winnen moet, als ‘er kracht in overblyft na dat men het tegenovergestelde vergeleeken en ‘er tegen opgewogen heeft. Een Wonderwerk is eene schending der natuurwetten; en gelyk deeze Wetten op eene standvastige bevinding gegrond zyn, zo levert de natuur der zaake zelve zulk een volslagen bewys op tegen een Wonderwerk, als men zou konnen trekken uit eenig bewys op de Ervaarenis gegrond. Dit nu zo zynde, zo volgt ‘er op eene ontegenzeglyke wyze uit, dat di bewys, door geen ander, uit een getuigenis ontlend, kan verzwakt worden; en dat by gevolg een Wonderwerk, op hoe veele en goede Getuigenissen ook steunende, nooit den minsten trap van waarschynlykheid kan hebben.”
In diervoegen loopt het vermaarde Bewys tegen de Wonderen, waar mede Mr. Hume zich vleidt de erkentenis zyner tydgenooten en Nakomelingen verdiend, en een onverwinlyk bolwerk tegen alle listen en laagen van ’t overgeloove opgerecht te hebben. [?] Maar de Heer Campbell onderzoekt alle deeze Voorstellen, en doet ten klaarsten zien, dat derzelve op een valsch grondbeginzel rusten, door bedrieglyke Schynredenen ondersteund en [528] van den uitvinder in de Waereld gestud worden, om dat zyn voor hem zelven van geen nut altoos is. hy toont eerst dat er niets valscher kan zyn dan ’t gene Hume zegt, ddat het bewys van ’t getuigenis van de ondervinding zou afhangen. Van Kindsbeen af gevoelen we dat ons geloof door ’t getuigenis wordt weggesleept; en dat we door de ondervinding alleen, in ’t vervolg, in sommige Gevallen ‘er aan leeren wantrouwen. Volgens Hume is ‘er geen de misnte waarschynlykheid voor ’t getuigenis voor dat de bevinding ‘er haare stem aan geeve; en volgens de Algemeene ervarenis is ‘er alle verdenking ten goede voor ’t getuigenis, tot dat de bevinding ons goede redenen oplevere om het te verwerpen. Werpt de Heer Hume tegen, dat het tegen de Regels eener gezonde Wysgeerte stryde, een getuigenis te gelooven, voo dat het door de bevinding bekrachtigt of opgehelderd zy; om dat we niets voor de beweeg oorzaak van zulk een geloove konnen opgeeven; zo laat hy ons dan eens verklaaren de redenen zyner eigene toestemminge aan deeze voorstellen: gelyke oorzaaken brenge gelyke uitwerkzelen voort; de loop der natuure zal morgen dezelfde zyn, als ze gisteren was en heden is: voorstellen, welken hy zelve erkent niet beschouwelyk blykbaar, noch afgeleid te zyn uit eenige Praemissen; en die hy nogthans voor eerste kundigheden of grondregels houdt, welken men noodwendig moet erkennen in alle redeneeringen, die men uit de bevinding opmaakt. Verder legge hy eens uit, waarom hy aan de berichten van zyn eigen geheugen gelooft, die door de ondervinding dikwils geloochend of verbeterd worden, zonder dat men echter kan zeggen dat ze een gezag aan haare Stellingen ededeelen. hy zal derhalven wel moeten toestaan, dat, al kunnen wy geen reden geevan van die ons het getuigenis doet gelooven, het zelve niet te min een der natuurlykste en eerste gronden van ons geloove is.
Maar hier uit wil men geenszins besluiten dat het getuigenis een volstrekt recht op ons geloof hebbe. ’t Is klaar dat het door een tegenstrydig getuigenis, of door de onbekwaamheid of kwaade trouw der Getuigen kan overgehaald of vernietigd worden. En men wil zelfs wel toestaan dat eene wondere zaak ér eene verdenking tegen verwekken, maar geenszins dat ze het zelve ongelooflyk maaken kan, voor al, zo er niets op de bekwaamheid en goede trouw der getuigen te zeggen of ‘er aan te twyfelen, valt. Zeker, zo de zeldzaamheid eener zaake, zulk eene tegenkanting verwekte tusschen de bevinding en ’t getuigenis, dat die twee bewyzen, gelyk Mr. Hume die noemt, elkander vernietigden, zo zou ‘er in de Historie niet eene enkele voorkomen, die wy konden gelooven; om dat ‘er eene verdenking van verscheide duizenden plaas heeft tegen de waarschynlykheid der Geschiedenis van Julius Caesar, en van alle andere Menschen, voor dat ze door getuigenissen bevestigd is omdat het besluit, welk men onmiddelyk uit de bevinding trekt, [529] algemeen is, en ’t gene uit het getuigenis vloeit, altyd byzonder is. Wy konnen uit de bevinding met reden bsluiten dat een teokomend geval gelyk zal wezen aan een voorgaand, welk wy hebben waargenomen, wanneer alle de omstandigheden die ’t zelve verzellen, gelyk zullen wezen met de genen, die wy in het vorige hebben opgemerkt. Maar de bevinding kan ’t getuigenis niet tegenspreeken, wanneer zy ons verzekert van ’t wezenlyk plaats hebben eener zaak in een zeker byzonder geval; want, schoon de omstandigheden, die gelyk konnen zyn me tdie van ’t andere Geval, konnen ‘er echte veele omstandigheden zyn, die wy niet kennen, en die met de genen, welken in ons opgemerkt Geval plaats hadden, grootelyks konnen verschillen. Waar uit ontegenzeglyk volgt dat de bevinding niet kan dienen, om over het toekomende dan alleen op eene zeer gebreklyke wyze, iets te kunnen oordeelen; en daar uit blykt even klaar dat de Heer Hume dezelve gebruikende, om de waarschynlykheid van een voorleden geval daar door te bepaalen, van dezelve een tastbaar misbruik gemaakt hebbe.
Maar dit is ’t eenige valsche bewys niet, welk deeze Schryver in zyn Grondbeginzel gebezigd heeft; nog veele anderen vloeijen ‘er voort uit de dubbelzinnigheid, die hy, zonder ‘er om te denken, aan ’t woord Bevinding heeft gehcht, en dikwils ook aan dat van Wonderwerk, hoe zeer hy voorgegeeven heeft, dezelve wel te bepaalen. De Heer Campbell maakt eene juiste onderscheiding tusschen een personeele en eene afgeleide (of gederiveerde) bevinding. Door de eerste, die op ’t geheugen stemt, moet men de algemeene Gronden verstaan, die elk Mensch maakt, als hy de byzondere Zaaken, die hy zelve gezien, of in zyn geheugen opgeslooten heeft, met elkander vergelykt. De tweede soort van bevinding is gegrond op ’t getuigenis, waarin men niet alleen moet letten op den Schakel der waarneming van anderen, die wy uit hun getuigenis afleiden, maar ook op alle de algemeene gronden, die we zelven op maaken uit de vergelyking der byzondere getuigde zaaken onder elkanderen.
Wil Mr. Hume nu dat we wegens ’t Getuigenis enkel zullen oordeelen, door onze personeele bevinding? Dit schynt ontwyfelbaar, om dat hy anders een foutigen Cirkel in ’t bewyzen maaken, en zyn groot Grondbeginzel hierop uitkomen zoude: Het getuigenis verdient geen geloof dan voor zo verre het gesterkt is door eene zo wyduitgestrekte bevindinge, die wy niet konnen verkrygen, ten zy dat wy alvorens aan ’t getuigenis gelooft hebben. Zoo de Heer Hume nu aan ’t Woord bevinding geen anderen Zin geeft, dan dien men aan de Woorden Personeele bevinding heeft gehecht; laat hy dan eens verklaaren als hy kan, wat hy zeggen wil, wanneer hy spreekt van eene geduurige en algemeene bevinding: woorden, die enkel aan eene afgeleide bevinding passen. Hoe kan men ’t anders verstaan, als de Heer Hume wil, dat wy de getuigde zaaken zullen of moeten beoordeelen ingevolge de overeenkomst derzelven met onze personeele bevinding? En dit zeker zou onze [530] kennis en reden binnen al te naauwe palen besluiten, en ons tot eene eeuwige kindsheid te rug brengen.
De Drogredenen en Sophisteryen van den Heer Hume komen bykans op iedere bladzyde voor. Eén voorbeeld daar van mag voor allen volstaan. “Hy noemt een Wonderwerk een schending der natuurwetten; en dewyl die wetten op eene geduurige of volstandige bevinding steunen, zo maakt de natuur der zaake tegen een Wonderwerk een zo genoegzaam volkomen bewys uit, als men zou konnen trekken uit eenig bewys, welk op de bevinding steunt”. Wat is dat voor eene volstandigebevinding, die tegen de Mirakelen getuigt? Is dit het eenpaarig getuigenis van alle Menschen in alle tyden? Gewisselyk neen; omdat men anders zoo veele verhaalen van Wonderdaaden niet vinden, en de Heer Hume als dan niet ondernomen hebben zoude, dezelven uit te monsteren; en te verzekeren dat de historie ‘er ons zal opleveren, zoo lang de Waereld staan zal. Op spreekt hy hier van de personeele bevinding van elk Mensch? Dat kan ook niet wezen, omdat ‘er onder honderd duizend Menschen naauwlyks een is, die door zyne eigene bevindinge, tot de vaste en ontwyfelbaare kennis van sommigen der Natuurwetten geraaken zoude. — Voorts bepaalt hy een Wonderwerk nu eens als eene schending der Natuurwetten; dan noemt hy ’t weder, de overtreeding eener natuurwet, door een daad van Gods wille, of door de tusschenkomst van eenen onzichtbare Werker. Daar toch deeze uitdrukkingen van schending en oertreeding een denkbeeld insluit van strafbaare tegenkanting van ’t gezag van eene Opperheer, en zyn zeer kwaalyk geplaatst en onvoegzaam als men van de Godhid, boven welke niemand is, spreekt. Elders wil hy dat de Wysgeeren, na dat ze van de wezenlykheid eene eenes Wonders verzekerd zyn, ‘er de oorzak van zullen naspeuren. Maar hoe is da met zyne bepaaling over een te brengen? Nu eens neemt hy ’t woord Wonderwerk voor eene onbewysbaare of onwaarschynlyke zaak; dan eens voor iets dat ongerymd en onmogelyk is. Om zich hier van te overtuigen, heeft men maar te letten op ’t gene hy bl. 177 van zyn Essay zegt: “Wanneer iemand my verhaalt dat hy eenen Dooden heeft zien opwekken,zoo onderzoeke ik straks, of ’t meer bewysbaar is dat die Man my wilde bedriegen of zelf bedrogen geworden is, dan dat het feit, welk hy verhaalt, wezenlyk zou gebeurd zyn. Ik leg ’t een deezer Wonderen tegen over ’t andere op de Schaal en naar de meerderheid, die ik aan den eenen kant vinde, maake ik altoos myne beslissing, en verwerpe steeds het grootste Wonder. Zo de valschheid van zyn getuigenisse wonderdaadigerwas dan ’t geval, welk hy my verhaalt als dan en niet eer kan hy van my eischen, dat ik hem geloove.” Men ziet uit deeze Aanhaaling wel, (die eene toepassing is van eene grondregel, waar mede de Autheur zeer veel op heeft,) dat de Woorden meer bewysbaar en min wonderdadig, min bewyslyk of waarschynlyk, en meer wonderdaadig, volslagen gelyknaamig zyn: zoo dat des Schryvers grondregel, (die hier in bestaat: Daar is geen getuigenis in staat om een Wonder te staaven, ten zy de valschheid van dat getuigenisse wonderdaadiger zy, dan de zaak die het tragt te bevestigen.) op dit denkbeeldig of liever harssenschimmig Voorstel uitloopt: “daar is geen getuigenis, welk genoegzaam is ter bevestiging eens Wonderwerks, ten zy de valschheid van dat getuigenis min bewysbaar zy, dan het feit, welk hy tracht te bevestigen”.
Daar is nauwlyks kans om den Heer Hume met zich zelven te doen overeenstemmen. Men zou zeggen dat hy, na alle pogingen te hebben aangewend, om te toonen dat het ondoenlyk zy eenig bewys voor een Mirakel op te geeven, wel verre af zou wezen van de moogelykheid van een diergelyk Bewys toe te staan; en nogthans erkent hy dezelve duidelyk; zeggende: “Ik sta toe dat men Wonderwerken, of Schendigen van den gewoonen Loop der Natuur hebbenkan, die door een Menschelyk Getuigenisse beweezen konnen worden; hoewel ’t misschien onmogelyk is de zoodanigen in de Jaarboeken van ’t Menschelyk geslacht te vinden”. na deeze zyne erkentenisse, geeft hy een voorbeeld op van een wonderdaadig Geval, ’t gene op zulk een wyze getuigd was, dat men, zegt hy, niet kon weigeren het te gelooven. Zoo dat hy in deezer voegen zyn eigen ewys verzakt en duidelyk tegenspreekt; omdat hy het besluit of de gevolgtrekking, die hy ‘er uit opmaakt, weder verwerpt, te weten “dat een Wonderwerk, hoe sterk en wel het ook mag bevestigd zyn, echter nooit den minsten trap van waarschynlykheid of bewysbaarheid kan verkrygen”
Dus kant deeze Schryver zich niet allen, schoon op eene ongerymde Redeneerwyze, tegen de Wonderwerken in ’t gemeen, maar hy is te gelyk ook zeersterk vooringenomen tegen allen de zulken, welke den Godsdienst betreffen, Niets kan by hem eenig gewigt by zetten aan een getuigenis, ten voordeel van zoodanige wonderen gedaan; en indien Lieden van verstand naar hem willen luisteren, zullen ze zulk getuigenis zonder eenig onderzoek maar verwerpen, onder ’t glimpig voorwendzel, ’t gene zich ras genoeg voordoet; te weeten om dat de drift voor ’t wonderbaare, en de kracht van den Godsdienstigen iever komen te weeg brengen dat men blindelings, allerlei ongerymde verhaalen voor waar aanneemt; dewyl ze de oogen de genen die ‘er mede bezet zyn, betoveren en verblinden. maar de nieuwsgierighid, die allen Menschen van natuure eigen is, en waaruit deeze neigin voor ’t wonderbaare ontstaat, veroorzaakt geen sterker vooringenomenheid tegen de mirakelen, dan tegen alle andere buitengewoone zaaken; en hoeveelen van deeze laatsten gelooft men echter wel zonder eenigen den minsten twyfel ‘er tegen te maaken, wanneer ze ons in de natuurlyke Historie of in de Natuur- en Scheikunde en elders voorkomen; of als zy maar door een enkele getuigenisse bevestigd worden En wat ade Godsdienstige iever belangt, men staat gereedelyk toe de kracht en de uitwerkzels, die dezelve heeft op de inbeelding, maar dit maakt [532] zelfs een bewys tegen Mr. Hume, naardien het de baarblyklykheid dier wonderen betoogt, door welken eene leer bevestigd is, regelregt aangekant tegen zulke vooroordeelen, die deezen ongeregelden Godsdienst iever veroorzaakt hebben. Deeze aanmerking is, gelyk Mr. Hume, volgens zyne gronden, zelve belyden moet, van een zeer groot gewigt, en nogthans verwaardigt hy zich niet, om er de minste aandacht op te geven.
Wel verre dan, dat de drift voor ’t wonderbaare, en de kracht der Godsdienstige Neigingen, eene verdenking tegen de Wonderdaaden, die den Godsdienst betreffen, maaken zouden, zo levert dit hun onderwerp zelve een vooroordeel op ten behoeve van derzelver Waarheid. Want zoo de styfste en volslagenste Vrygeest of ongelovige niet logcchenen dat de onsterfelykheid der Ziele, ’t geloof in een toekomend leeven, de invloed van ons tegenwoordig gedrag op onzen Staat hier namaals, de eenheid en alle andere volmaaktheden van ’t Opperwezen, allen Leerstukken zyn, die niet alleen niets ongerymds bevatten; maar die zelfs zoo gewigtig als verheven zyn voor de Stervelingen; zoo kan hy ook niet ontkennen, dat het der Godlyke Wysheid en Goedheid overwaardig zy, op eene byzondere wyze tusschen beiden te komen, en den Loop der Natuure voor een poos op te schorten, om ons deeze groote, deeze heerlyke Waarheden ten klaarsten te doen kennen.”

« Vorige pagina — Volgende pagina »