« Vorige pagina — Volgende pagina »

Gevonden in Poortman, persoon “David Hume”

Titel: [Hume, David]
Poortmannummer: I-10085
Jaar van uitgave: 1785
Basisclassificatie(s): 08.24 — Filosofie: Nieuwe westerse filosofie (17e, 18e en 19e eeuw)
Taal: Nederlands
Persoon als onderwerp: Hume, David (1711 – 1776)
Documentsoort: Artikel
In bundels: Geschiedenis van de nieuwere wijsbegeerte tot Kant. – 2e herz. dr. – Nijmegen [etc.], 1946., p. 206-211
In tijdschriften: Algemeen magazijn van wetenschap, konst en smaak Jaarg. (1785) Afl. II () p. 889
Recordnummer: TITEL40661

***** tekst *****

KARAKTERSCHETS EN LOTGEVALLEN VAN HUME.
(Getrokken uit Zimmerman uber die einsamkeit.)

Kwaadaartigheid en verwaandheid, onverdraagzaamheid en nyd, hebben, in alle tyden en by de beroemdste volken, het liefst gewoed jegens braave menschen. DAVID HUME was een stil vredsaam man. Hy behield zyn gantschen leven door een onbevlekten roem van deugd en verdienste. Zyne kalmte van ziel verliet hem nooit, het zy in gezelschap of in de eenzaamheid. Zyn gantsche weezen was bedaard, zelfs toen de moedwil zyner geleerde tegenspreekers hem op de bespotlykste wyze ten toon stelde. Hy las met de grootste gelatenheid de vuilste schotschriften, die geleerde schurken tegen hem schreeven. Zelfs de armen in zynen buurt die deeze opgerokkend hadden om hem te schelden en te verfoeijen, beschouwden zyne vriendlyke menschelykheid en weldaadigheid met eerbied en dankbaarheid. Zyn gedrag was by ieder gelegenheid eerlyk en mannelyk, en het tegendeel van ydele praal en verwaandheid. Hy was in ’t byzonder zeer gemeenzaam en ligt te spreekn. Hy bezat noch in zyn uiterlyk voorkomen, noch in zynen omgang iets van eenen Geleerden. Alle zyne vriendelykheid was een vrywillige uitgieting van zyn goed hart zonder eenige pligtpleeging of gemaaktheid. HUME misbruikte, wel is waar, zyne talenten tegen den Godsdienst; doch zyne zeden zouden een sieraad geweest zyn in de tyden van de eerste en [890] onvervalschte zuiverheid des Christendoms. Hy had die verhevene kragt der ziele, en dat uitmuntend goed hart, waar door men zich in ieder land en ieder eeuw veredelt, en eenen rang verkrygt onder de grootste en beste menschen. Zo denkt men thans in Engeland van DAVID HUME, doch zo dachten zyne tydgenooten niet. En welk een zucht naar eenzaamheid en ontvlieding van de waereld moet HUME gevoeld hebben, wegens de bejegening, die hy in de waereld ondervond; Hy, die niet onder domme menschen leefde, niet in een barbaarschen tydkring; maar midden onder een wysgeerig volk, midden in een verlichte eeuw?
Alles wat men tegen HUME’s ongeloof kon en moet zeggen, maakte echter in Engeland het ongeluk van den Schryver niet. Mogelyk had de nationaale haat hier eenig deel aan, dewyl HUME een Schot was; maar zelfs in Schotland vertoonde zich de tegen hem aangehitste woede en de hem mogelyk nog meer beledigende onverschilligheid. Men kan de door hem zelfs geschreven Geschiedenis vana zyn noodlot als Schryver in Engeland, Schotland en Ierland, niet zonder verbaasdheid leezen, en zekerlyk zal dezelve geen Schryver van eenig gevoel leezen, zonder daar by eenige huivering gewaar te worden. HUME betaalde door dit noodlot den tol, die ieder beroemd man aan verkeerde harzengestellen betaalen moet; doch in Engeland, Schotland en Ierland konden dwaaze Koppen de goede niet vervoeren.
Aan deeze zyde der zee, hielden de grootste wysgeeren HUMES Schriften voor modellen van den besten philosophischen leertrant. Zy achtten niet minder zyn fynheid van vernuft, dan zyne diepdenkendheid en bevalligheid. De beroemde SULZER te Berlin, was de eerste [891] die dit de Duitschers zeggen dorst. Als Geschiedschryver is HUME een Schilder, even als VOLTAIRE, doch met meer oordel en ernst; en vermoedelyk heeft VOLTAIRE meer van HUME, dan HUME van VOLTAIRE geleerd. Doch met alle deeze verdiensten maakte HUME by zyne landslieden eenen indruk, waar over niet hy, maar zy alleen zich te schaamen hadden. Men betrouwt byna zyne oogen niet, wanneer men leest, hoe het hem ging, wanneer het eene van zyne Schriften na het ander te voorschyn kwam. Op het einde des jaars 1738 gaf hy zyne verhandeling over de Menschelyke Natuur uit. Nooit, zegt hy, liep een begin in het letterperk ongelukkiger af. Deeze Verhandeling kwam als een doodgeboorne van de persse, en kreeg zelfs zo veel aanzien niet dat de yveraars daar tegen bromden. Hy smolt dan het erste gedeelte deezer verhandeling in zyn onderzoek van ’t Menschelyk Verstand, dat in den jaare 1748 uitkwam, toen hy te Turin was. By zyne thuiskomst in Engeland vernam hy, tot zyne vernedering, dat zyn werk niet getrokken en agter de bank geworpen was. Een nieuwe opleg van zyne Zede- en Staatkundige Proeven maakte, ter gelykertyd, in Engeland niet veel beter opgang. Zyn Onderzoek van de Zedelyk Grondwetten, hield hy voor het beste van aale zyne philosophische en zedekundige Schriften; het kwam in de waereld – doch – onaangezien en onbemerkt.
Vol vuuritge hoop en verwachting was HUME, dat zyne Geschiedenis van den Huize Stuart, die in den jaare 1754. in ’t licht kwam, een goed gevolg zou hebben. Doch hy wierd in zyne hoop jammerlyk berogen. Een eenstemmige toon van schimpende verwyten, [892] afkeuring en zelfs van verfoeijing verhief zich tegen hem. Engelschen, Schotten en Ieren, Whigs en Torys, Geestelyken en Ketters, Vrygeesten en Orthodoxen, Patriotten en Hovelingen, verbonden zich met eene algemeene woede tegen een man, die zich verstout had een edele traan te storten over het noodlot van Karel den eersten en den Graave van Straford; en naauwelyks waren de eerste opwellingen deezer razerny aan ’t bedaaren geraakt, of ‘er volgde nog een grooter belediging. Zyn boek wierd in de vergetelnis bedolven. MILLAR, zyn Drukker, verzekerde hem, dat hy, in den tyd van twaalf maanden slegts vyf-en-veertig daarvan verkogt had. Naauwelyks hoorde HUME in alle drie de Koningryken van een enkeld mensch, die wegens zynen rang of zyne kundigheden eenigszins in aanmerking kwam, die dat boek konde dulden. Hy vond niemand die het goedkeurde, dan het hoofd aller Bisschoppen van Engeland, den Doctor HERRING, en het hoofd aller Bisschoppen van Ierland, den Doctor STONE, die hem beiden, ieder op zichzelven, lieten weeten, dat hy zich door niets moest laaten afschrikken.
Desniettegenstaande wierd de standvastige man moedeloos; en, (zegt hy) was ‘er toen geen oorlog tusschen Frankryk en Engeland uitgebroken, hy had zich buiten twyfel ergens in een der Provinciën van Frankryk verborgen; hy had een anderen naam aangenomen, en was ooit weder in zyn Vaderland te rug gekeerd. Dan daar hy dit ontwerp thans niet wel volvoeren kon, en het volgende gedeelte zyner Geschiedenis reeds genoegzaam beá¤rbeid was, besloot hy op nieuw weder moed te vatten en standvastig te blyven.
Zyn Geschiedenis van den Huize Tudor verscheen in den jaare 1759, en in Engeland, Schotland en Ierland [893] was het geroep tegen deeze Geschiedenis even zo vervaarelyk als het geschreeuw tegen zyn Geschiedenis der twee eerste Stuarten. Eindelyk vertrok HUME in den jaare 1763 met den Grave van Hertford, uit zyn Vaderland naar Parys, en vond daar een onthaal dat voor de Franschen even roemryk was als voor hem zelve. Die geenen, zegt HUME zeer bescheiden, die de wonderlyke werkingen der mode niet van naby zagen, konden zich onmogelyk het onthaal verbeelden, dat ik by de Mannen en Vrouwen van alle rangen en staaten ontmoette; hoe meer ik my hunne hoflykheid onttrok, des te sterker wierd ik met hoflykheden overladen (*).

(*) Alle Geleerden en Denkers in Parys van allerlei rang, deeden meer voor HUME, dan zy voor een koning zouden gedaan hebben; en hoe men hem in den kring der vrouwen ontfing, verhaalt een der aangenaamste Duitsche Schryvers byna op deeze wyze: “Toen HUME in Parys verwagt wierd, vloog zyn naam hem reeds vooruit; alle goede koppen wagtten op hem met ongeduld, parceque, zeiden zy, c’est un homme d’un esprit infini. Naauwlyks was hy op het vaste land of men cabaleerde reeds in de eerste gezelschappen om hem het vroegste te krygen. Het gelukte een elegante Princes, den wonderman optevangen, en hem in den kring der groote waereld inteleiden. Men bestelde een Soupé; de kaarten vloogen naar alle Savantes, pour les inviter a un Souper delicieux, oá¹ se trouveroit Monsieur Ume. Nu verscheen de drooge luimagtige man, die den mond niet opendeed, als hem niets interesseerde, en by zich zelven in zyn vuist lachte over deeze Cerealiën, waar alle vrouwen hem overvielen, om te onderzoeken, of hy hen gelyk was. Niets bleef onbeproefd om hem te electriseeren. Men sprak des ses charmants ouvrages, die niemand van hen leezen konde, du genie profond [894] des Messieurs les Anglois – alles vergeefs – de ondankbaare bleef even koud en eentoonig, en gaf niet een enkel vonkje van zich. Eindelyk trokken zy de schouderen op en zagen elkanderen met meddoogen aan. Den anderen dag fluisterden zy elkanderen in het oor: ce Monsieur Ume n’est qu’une bete Een spotvogel hernam hierop, c’est qu’il a fourrée tout son esprit dans son livre.

HUMES Geschiedenis is de gewoonlyke Geschiedenis van alle Propheeten in hun eigen Vaderland. Ieder kleine, middelmaatige of groote genie, die slegts een enkelen duim verder wil zien dan zyne medeburgers en Landslieden, en die daar by nog de gekheid begaat, om dat geen, wat hy ziet, gedrukt te zegen, maakt ogenbliklyk den aangrimmende nyd van het algemeen gaande. ‘Er is geen Schryver groot of klein, of hy heeft nog kleinere luiden dan hy is, rondom zich, en deeze werpen hem met steenen. Men vindt in alle landen menschen genoeg, die u zullen kleeden, als gy geene klederen aanhebt, die u zullen spyzen, wanneer u hongert; die u in den nood zullen byspringen; doch zy mogen niet gaarne zien, dat u voor een penning eere te beurt valt.

(meer…)

VII

325: Marmontel

329 verschil verstand wijsheid wetenschap

337: menselijkheid en mensheid

343 Stuk uit Bancoft’s Natuurlijke Historie van Guiana, te vinden op google:
http://books.google.nl/books?id=-8gaAAAAYAAJ
en aan het eind wordt gezegd:
“Hier in [in het claimen dat het geluk zonder vrije kunsten van de Volkeren buiten Europa moest betekenen dat het voor de beschaafde wereld ook beter zou zijn om zonder k&w verder te gaan] hebben zy echter grof gedwaald; naardien deeze dingen, welken in den staat der Natuur nutteloos zyn, zeer heilzaam kunnen zyn, in eene beschaafde Samenleving; om dat Kunsten en Wetenschappen het zekerste tegengif zyn, tegen de kwalijke uitwerksels der Weelde en de zogenaamde Politesse” [240]

Stukje 346 en 347 is een vertaling van een verhandeling van Adam Ferguson:
Adam Ferguson, An Essay on the History of Civil Society, 5th ed. (London: T. Cadell, 1782). Chapter: SECTION I.: Of the question relating to the State of Nature.

Accessed from http://oll.libertyfund.org/title/1428/19704 on 2009-03-11

352: nog een stukje van Bancoft over de huiselijke vrede

354: ene Paoli die in de Republiek de vrijheid heeft gezocht?

364 en 365 over de vrijheid van de drukpers en de beste manier het ongeloof uit te rooien

Pagina's: 1 2 3 4 5 6

Jan Hartog heeft in 2009 een boek op de wereld gezet waarin het gaat over de spectatoriale Geschriften van 1741 tot 1800 – hierin komt ook de Philanthrope aan bod op bladzijde 12/13, waarin ook het ontlenen aan hume wordt genoemd. verder weinig nieuws (voor zover te overzien).

Over de auteurs van de Philanthrope: zie Vermomde en naamloze auteurs opgespoord… van Van Doorninck

I

 Opgedragen aan Pieter le Clerq, commissaris der Uitheemsche Depeches van hunne Hoog Mog. de Heeren Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden, waarbij de Philanthrope het volgende nog zegt: “á“m voor de vuist te spreeken: eigenlyk beschouw ik u, in deeze Opdragt als Vertaaler, en , weegens uw ouderdom, en occupatien, als EMERITUS VERTAALER. Als Historieschryver durf ik, uit reden van eigen belang, niet waagen u voor dit Stukje te plaatsen, want de waarde van een Werk moet toch dikwils staan of vallen met een’Beschermheer, die aan deszelfs hoofd geplaatst word; de ondergang des eenen sleept onvermydelyk het bederf des andere met zich. En myne vrees is. dat gy, als Historieschryver, als Vertaaler, nog bestaat en leeft. Mogelyk dool ik. Ik wil er niet voor instaan. Misschien sterft de laatste schielyk aan eene pleuris, terwyl de eerste, aan een teering kwynende, het nog weinig Jaaren sleepende houd. Ontfang dan, als VERTAALER, dit Werkje, en draag het zoo veel achting toe, als gy oordeelt dat het verdient… ”

merkwaardig

Stukjes

  • Inleiding vertelt hoe het eerste vertoog uit de ADVENTURER is gehaald, “een der Papieren, die onlangs met grooten opgang door de naburige Britten gelezen en geprezen zyn”. De auteur beschrijft vervolgens hoe dit blad als een “WAAGHALS” “in ’t Gevaar van het vrymoedig Oordeel van het Gemeen begaf, en zich als een Kampioen tot Voorstand van Deugd en goede Zeden, tot heil van ’t Menschdom, blootstelde. Vint Nederland in dit Karakter, om ‘er een openbaar Geschrift mede te beginnen, iets vreemds en dat met zynen smaak niet overeenkomt, men blyve niet aan de beginselen hangen, of stel zyn oordeel in de waagschaal om den arbeid van een verstandigen Schryver hierom terstond te laken.” Want, vervolgt de auteur, hoe dieper je in de ADVENTURER komt, hoe meer je het heilzame er van in begint te zien. Daarom kon de Philanthrope die karakterisering van waaghalzerij achter zich laten. [3].
    “De PHILANTHROPE kent ook andere Papieren der Britten, waar uit hy meent voordeel voor Nederland te kunnen rapen en hy tracht ‘er gebruik van te maken. Wat hy ‘er van zyn eigen maaksel zal byvoegen heeft hy nog niet bepaald, hoewel hy ’t niet buiten hope stelt dat iets diergelyks zou kunnen gebeuren; maar hy vint geraden geene belofte te doen om in geen schuld te vervallen, waar van de betaling dikwils hoe langer hoe meer onzeker worden kan.”
    En tot slot wenst de Philanthrope “zyne Lezeren het Nut, dat hy zelf in de Britsche Schriften meent gevonden te hebben”.

    Geen wonder dat we Hume precies in dit tijdschrift tegenkomen!

  • In stukje 3 wordt door de Philanthrope en een briefschrijver Batavus gefilosofeerd over de mogelijke bijdrage van diens Philanthropisch genootschap – de eerste had namelijk de vertogen van de laatste haast letterlijk uit de mond ontfutzelt – en kondigt de Philanthrope aan dat Batavus’ stukjes met een B zullen worden ondertekend, en die van hemzelf met A (voor Anglicanus).

    Maar eens turven hoe vaak dit voorkomt!

  • 9: stukje waarin over atheïsten en vrijdenkers wordt gesproken
  • stukje van ANTHONY DOBBELSTEEN over geldzucht en gokken, waarin wordt verwezen naar Mandeville’s Fable of the Bees: “Zoo iemand van myne Landsluiden zoo bekrompen van ziel mogt zyn, dat hy nog eenige zwaarigheden over dit stuk hadt, en deeze Leer gaarne wat nader zag opgehelderd, wys ik hem naar de Fabel der Byën van den doorlugtigen Mandeville, en diergelyke stigtelyke Zedekundige Boeken meer.

Nummertje 52: “De Woorden zsggen min; maar Zeken Spreken ’t meest; Men lette op Zaken dan terwyl men Woorden leest.” ANONYMUS, zo leidt de Philanthrope de brief in, waarin “Uw getrouwe en dienstvaerdige Lezer Z” een schets voor een Nederduytsch woordenboek presenteert. Veel artikelen bestaan meer uit commentaar dan uit puur betekenis en grammatica, maar dat is een beschuldiging die hij wel op zich wil nemen. Datzelfde geldt immers voor Bayle: “Ik kan wel honderd artikelen uyt Bayle opnoemen, waar men duydelik siet, dat de Titel alleen om de aanmerkingen daar geplaatst is, en nochthans blyft het ’t woordenboek van Bayle.” Voorbeeldlemma “Compliment” begint dan ook met de volgende zin: “Behoort onder de woorden die niets beteekenen.”
Stukje 57 en 58: reisverslag (en reactie daarop) van een Engelsman, MODERATUS genaamd, die in een postkoets door Engeland reist. ánteressant is dat de Engelsman zijn vaderland de “grootste verscheidenheid van Karakteren” kent van alle landen op de wereld, dankzij de “groote Vryheid onder hen, die ydereen de Privilegie geeft, om op zyne manier wys of dwaas te doen, en die elk behoed voor eene noodzaakelyke geveinsdheid of slaafsche navolging.”

 

dit zou zo uit Hume’s Of Natural Characters kunnen komen, waarin Hume het volgende schrijft: “the ENGLISH government is a mixture of monarchy, aristocracy, and democracy. The people in authority are composed of gentry and merchants. All sects of religion are to be found among them. And the great liberty and independency, which every man enjoys, allows him to display the manners peculiar to him. Hence the ENGLISH, of any people in the universe, have the least of a national character; unless this very singularity may pass for such” [ONC Intelex: Para. 19/35 mp. 207 gp. 251] MODERATUS schreef dit verslag 9 jaar na de eerste publicatie van ONC in Engeland.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6

Lijst met periodieken in Nederland in de tweede helft van de achttiende eeuw:

Handig om hier nog de jaartallen bij te knallen!

Spectatoriaal:

  • De denker / De Nederlander
  • De koopman
  • De staatsman
  • De rhapsodist
  • De vaderlander
  • De philantrope (1756-62 Houttuyn, Tongerlo)
  • De denker (1763-1775 Houttuyn, Tongerlo)

Algemeen-cultureel / recensietijdschriften:

  • La Bibliothèque raisonnée des ouvrages des savans de l’Europe (Den Haag: Chez J. Wetstein & G. Smith 1740).
  • Vaderlandsche Letter-oefeningen
  • Uitgezogte verhandelingen uit de nieuwste werken van de societeiten der wetenschappen in Europa en van anderere geleerde mannen (1757-65 Houttuyn)
  • Maandelyke Uittreksels, of Boekzaal der Geleerde Waerelt 1715-1811 – hiervan zijn enkele delen vanaf 1798 bij Google gedigitaliseerd!
  • TE LAAT: Algemeen Magazijn van wetenschap, kunst en smaak
  • TE LAAT:Algemeen letterlievend maandschrift (1822)

« Vorige pagina — Volgende pagina »