« Vorige pagina — Volgende pagina »

twee meldingen in de Göttingische Anzeigen in 1739, waarvan één op 5 maart en één op 21 decumber 1739
voor de GA behoorlijk uitgebreide recensie in januari 1740

tweede melding 1739:
– begreep ‘correctly’ dat het Hume om een nieuwe morele filosofie te doen was, ookal was het derde deel van de Treatise nog niet beschikbaar
– plaatst het dichtbij Hutcheson’s ideeeën

review in 1740:
– wijst op Humes sensationalisme en empiricisme
– noemt de treatise zo goed dat er wel een paar karakteristieke ideeën genoemd moeten worden – en het hoofddoel van de publicatie zal nog besproken (want dat zit, volgens de recensent, in het laatste deel)
– vindt vooral Humes ‘theorie van ideeën’ het belangrijkst [100]
– die theorie ligt dicht bij Berkeley
– vindt Hume wel erg zelfverzekerd.. lezers moeten dus wel met zijn argumenten mee kunnen gaan om het book makkelijk te vinden, maar daarvan zijn er weinig, schat de schrijver
– vindt dat Hume een talent heeft voor het ‘donker’ maken van

Vertalingen – Recensies – Filosofische receptie – Filosofisch-theologische receptie – Theologische receptie – Hume als historicus en essayist – Biografisch – Kant

Vertalingen

Zo weinig mensen lazen Engels dat er van een receptie van de originelen nauwelijks sprake kan zijn geweest [14]
De receptie van de Treatise begint dan ook pas echt in de jaren ’90.
Wel al veel andere boeken, w.o. “Essays and Treatises on several subjects” Four Dissertations, History, 2e Enquiry” te koop in de internationale boekenmarkt in Leipzich via een catalogus van Karl Wilhelm Má¼ller: Britischen Bibliothek (1767)

Invloedrijker zijn de Franse vertalingen (Mauvillon werd er door Le Blanc zelfs van beticht alleen voor de Duitse markt te vertalen), want die waren voor meer opgeleide mensen te begrijpen [14]
Toch waren de Vermischten Schriften vanaf ‘de 60’er en 70’iger jaren steeds zichtbaarder aanwezig in de besprekingen van Humes werk.
– áœbersetzungswut (aldus Knufmann ’69) leidde soms zelfs tot dubbele uitgaven. Niet van Humes werk maar toch. [14-15]
– Blassneck (1935) constateerde al een grote waarde aan de Franse vertalingen van Engels werk
– Waarom vertaalde men zijn werk? Ter Verlichting of ter controle?
‘talrijke vertalingen van enkele essays’. noemen titels die jessop niet noemt, expliciet op.

Pagina's: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15

Naast too learne to buye and to sell nu ook:

“Annemieke Meijer en Diederik van Werven, “Maar wie, heeren, leescht er Engelsch?” De kennis van het Engels in Nederland rond 1830 en de “English literary society, in: Johannes e.a. (red.) Een groot verleden voor de boeg, 85-107

G. J. Johannes, Geduchte verbeeldingskracht! Een onderzoek naar het literaire denken over de verbeelding – van Van Alphen tot Verwey, proefschrift Universiteit van Amsterdam, 1992.

noemt receptie van Hume op twee plekken:
blz 44, over aspecten van beschouwingen over de verbeelding, m.b.t. het citeren van auteurs die misschien het niet overal met elkaar eens zijn, maar, wanneer je de juiste dingen eruit pikt, wel leiden tot “de” juiste visie op de verbeelding.

Hierdoor komt Hume in rijtjes terecht zoals die van J. L. Wolterbeek in een noot bij zijn redevoering over de verbeeldingskracht (1803):
Socrates
Aristoteles
ZCassiodorus
Averhoes
Melanchton
Ammerbach
Lud. Vives
Hobbes
Cartesius
Malebranche

Verder zegt hij dat “in het begin der jongst verloopene eeuw, door den grooten Wolf, een vaste grond voor de bewerking van dit onderwerp gelegd is, waar op Hartley, Home (=Hume?), Tetens en anderen, met een zeer goed gevolg, voortgebouwd hebben” [Wolterbeek, Redenvoering, noot 1 en 2, p34-36,]

Twintig jaar later beveelt de auteur van een stukje ” Iets over den smaak”, in De recensent, ook der recensenten, ter lezing aan: “Cicero, Quinctilianus, Demosthenes, Demetrius en Longinus” naast “Sulser, Winckelman, Hume, Mozes Mendelzoon, Lessing, Blair, Engel, Ramler en anderen, waarbij wij nog [div. NL De Bosch, Feith en Kantelaar, Van Beek Calkoen, Van Engelen=niet in dat lijstje] kunnen voegen. De recensent, ook der recensenten 1823, II, pp 398-399]

*****
op blz 54:

“De associatieprincipes of “-wetten”, zoals die vooral door Engelse auteurs als Hume en Hartley zijn gepostuleerd, beschout men als zo kenmerkend voor de werking van de verbeelding, dat men ook wel uitdrukkingen als “de regelmaat der verbeelding” of “de wet der verbeeldingskracht” gebruikt”

(noot: “Zie bijv. C.R.T. Kraijenhoff, Specimen philosophicum (1780), paragraaf XI (Idearum associatio) – XIV (Imaginationis Lex) Vgl. de recensie over J.G.E. Maas’ Versuch á¼ber die Einbildungskraft in de Algemeene konst- en letterbode X (1793), p. 140.)

Gepubliceerd in: De Achttiende Eeuw 31 (1999), 1, p. 35-63.

Boekzael der geleerde wereldt (1716-1811)

Oplage BR 800-1200
Oplage BB 1500
Oplage BC (Bibliotheque Choisie 1657-36)1500-2000
Oplage Journal Britannique (Matthieu Maty, Scheurleer, 1750-1755) 500
[12-13]

Luzac had met Maty afgesproken dat hij (M) het Britse nieuws zou doen.

U Janssens, Matthieu Maty and the Journal Britannique 1750-1755 (Amsterdam, 1975)

†œWetstein te Leiden denk ik om. de Luchtmansen zijn te groote krentekakkers. Schouten heb ik reeden toe, het ook niet te geeven; want heeft geen correspondentie genoeg buytenslands; misschien zou Schreuder en Mortier goet zyn, zoo het genereus kunnen uytvoeren, dewyl het een kostbaar werk zal zyn.†60
[9]

« Vorige pagina — Volgende pagina »