1750 eerste leesbibliotheek in de Republiek door Scheurleer in Den Haag via José de Kruif [17] via Hannie van Goinga “Vercierde Historiën in Over beesten en boeken. Opstellen over de geschiedenis van de geneeskunde en de boekwetenschap (Rotterdam 1995) 286.
Bert van Selm wijdde in Inzichten en vergezichten een hoofdstuk aan bibliotheken.
Over boekcollecties zegt De Kruif dat de zestiende eeuw getypeerd kan worden door het dualisme van humanisme (Bijbel VS Klassieken), er in de zeventiende eeuw steeds meer plaats komt voor allerlei vakgebieden, waarna in de achttiende eeuw speciale collecties, met belangstelling voor één vakgebied opkomen. Maar er zijn maar zeer weinigen die daadwerkelijk een bibliotheekje hebben.
Lezen is dus ook vier eeuwen na de introductie van de boekdrukkunst nog altijd niet massaal.
Bibliografie van gedrukte catalogi betrekking hebbend op het bezit van de Universiteitsbibliotheek te Leiden en de daarin opgenomen bruiklenen. Leiden 1989. Verschenen in de reeks Kleine publikaties van de Leidse Universiteitsbibliotheek.
via hannie van goinga’s Alom te bekomen
Scheurleer 1751, BSC 3072-3073
Scheurleer en van Balen 1757 BSC 2057-2060
Scheurleer 1762 BSC 2052-2055
Bakhuyzen, publieke leesbibliotheek in s’hage 1777 (352 zegt ze dat de catalogus uit 1763 gewoon de scheurleer is):
Murray 1772 BSC (franse boeken)
******
Literatuur over bibliotheekgebruik: uit Blauwdrukken: (84,85)
“Behalve in de netwerkvorming en de informatieverbetering komt de modernisering van het
boekbedrijf nog in een derde ontwikkeling tot uiting en dat is de opkomst van de winkelbibliotheek. Al van oudsher moet het in de boekhandel gebruikelijk zijn geweest dat boeken niet alleen werden verkocht maar dat ze ook werden verhuurd: tegen een bescheiden bedrag kon de klant voor een beperkte tijd een boek uit de voorraad lenen. Ook kranten en tijdschriften werden vaak tegen betaling ter inzage gegeven. Rond 1750 kreeg deze vorm van lectuurvoorziening een institutionele variant: ter wille van de lenende klanten werd een deel van de voorraad apart opgesteld en beschreven in een gedrukte catalogus. Bovendien werd de mogelijkheid geschapen om in plaats van per geleend deel te betalen lid te worden voor een half of heel jaar. Daarmee had de commerciële leenbibliotheek haar intrede gedaan. Zij maakte een in principe onbeperkte lectuurconsumptie mogelijk tegen een beperkte prijs. Gegeven het succes van deze formule voorzag zij in een behoefte. Het is overigens moelijk om greep te krijgen op het verschijnsel van de leenbibliotheken. Hun bestaan is bijna uitsluitend gedocumenteerd in de vorm van krantenadvertenties en gedrukte catalogi. Maar het waren alleen de grote, aan vooraanstaande boekhandels verbonden bibliotheken waarvoor het maken van propaganda en het drukken van een catalogus lonend waren. Kleinere zaakjes zullen leenbibliotheekjes hebben gehad in de vorm waarin ze nog tot diep in de twintigste eeuw hebben bestaan: een of enkele aparte kasten met uniform gekafte, vaak wat smoezelige bandjes, en de catalogus in een schrijfte of in het hoofd van de verkoper. De eerste boekhandelaar van wie een bibliotheekcatalogus is overgeleverd, is de Hagenaar Hendrik
Scheurleer. Hij opende zijn zaak in 1750. Naar eigen zeggen was hij geïnspireerd door Engeland, waar de bibliotheektraditie inderdaad al eerder was begonnen, rond 1730. Op zijn beurt kreeg Scheurleer navolging van Nederlandse confraters en rond 1760 was in de meeste grote steden wel één grote boekhandel die ook een bibliotheek exploiteerde. Blijkens de catalogi boden zij doorgaans een breed assortiment van wetenschappelijke, informatieve en literaire werken in diverse talen. Een enkeling specialiseerde zich in Franse literatuur. In vrijwel alle catalogi tekent zich al vroeg een trend af om het zwaartepunt van de collectie te leggen bij genres die door de tijdgenoten als ʻwerken van smaakʼ
werden aangeduid: reisbeschrijvingen, biografieën en romans. In de loop van de tijd zou deze trend alleen maar sterker worden en in de negentiende eeuw zou met name de roman de kurk worden waarop de bibliotheken dreven. Ontwikkeling en ontspanning voor een cultureel geïnteresseerd publiek, met dat doel lijken de bibliotheken te zijn ingericht. Voorzover in catalogi of advertenties prijzen worden genoemd, blijken ze ook niet bedoeld te zijn geweest om brede, minder vermogende lagen van de bevolking aan te trekken. De lidmaatschapsprijzen lagen doorgaans in de buurt van de twaalf gulden per jaar en dat
moet meer dan genoeg geweest zijn om een exclusieve klantenkring te waarborgen. Wie zich een dergelijk bedrag niet kon permitteren was dus aangewezen op de collectie van een eenvoudiger boekhandeltje. Dat er inderdaad ook al vroeg bibliotheekjes voor de mindere man of vrouw zijn ingericht, weten we dankzij enkele toevalstreffers. Zo zou de Utrechter C.J. Nagtglas zich uit zijn vroege jeugd in de jaren tachtig herinneren:
“De man hield in de Predikheerenstraat een papierwinkeltje, en verhuurde boeken vooreen stuiver in de week, waarmede hij onder de hand nog al wat verdiende, daar er toen
nog geen openbare leesbilbiotheken bestonden, waarvan de oprichting door het
boekverkoopersgild tegengehouden werd.”3
Evenmin zijn we trouwens geïnformeerd over de aanzienlijker zaken die niet adverteerden en geen gedrukte catalogus publiceerden. Maar gemeten aan de overstelpende hoeveelheid materiaal die in Engeland en vooral Duitsland omtrent de commerciële bibliotheken is overgeleverd, moet de verbreiding ervan in Nederland rond 1800 nog tamelijk beperkt zijn geweest. Misschien had dat te maken met het feit dat een andere organisatievorm voor goedkope lectuurconsumptie hier juist een ongeëvenaarde vlucht nam: het leesgezelschap. Het leesgezelschap was echter niet een product van
de modernisering van de boekhandel, al kwam het wel voort uit dezelfde behoefte als de
leenbibliotheek. Het was een publieksinitiatief en zal dan ook hierna, in de paragraaf over het lezend publiek, nader worden belicht.”